De theorie van positieve desintegratie (TPD), geformuleerd door de Poolse psycholoog en psychiater Kazimierz Dąbrowski (1902-1980), is een humanistische persoonlijkheidstheorie, net als de meer bekende behoeftepiramide van Dąbrowski's vriend Abraham Maslow. De theorie beschrijft hoe individuen in vijf niveaus de persoonlijkheid kunnen ontwikkelen. Centraal staat dat een gevoelig zenuwstelsel en andere aangeboren eigenschappen van een individu in wisselwerking met diens sociale omgeving kunnen leiden tot gevoelens van 'anders zijn', of zelfs tot existentiële angsten, burn-out, depressies en andere psychoneurosen. Volgens Dąbrowski is dit vaak echter geen teken van geestesziekte, maar juist van een hoog ontwikkelingspotentieel. Door psychoneurosen ontpopt zich namelijk in een individu een toenemend vermogen zichzelf te definiëren en overeenkomstig te gedragen. Dit maakt individuen autonomer en daarmee beter in staat een persoonlijkheid te creëren.

De theorie van positieve desintegratie is vooral een stuwende kracht gebleken in literatuur over onderwijs en hoogbegaafdheid.Silverman, L. K. (2008). The theory of positive disintegration in the field of gifted education. In: Mendaglio, S. (red.), Dabrowski’s theory of positive disintegration, Scottsdale, AZ: Great Potential Press, hfdst. 8. Het belang van de theorie wordt in toenemende mate onderkend voor de psychiatrie,Seubert, R. (2012). Treating depressive crises more effectively by taking into account overexcitabilities and the “third factor”. European Psychiatry, jrg. 27, Supplement 1, p. 1. hoogsensitiviteitAron, E. N., (2004). The highly sensitive child (and adults, too): Is sensitivity the same as being gifted? Comfort Zone ONLINE, november 2004. Bezocht op 1 september 2014. en de rol van emotie in persoonlijke ontwikkeling.Nelson, K. C. (1989). Dabrowski's theory of positive disintegration. Advanced Development Journal, jrg. 1, nr. 1, pp. 1-14.

Meerlagigheid Dąbrowski heeft beide wereldoorlogen van dichtbij meegemaakt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij als oprichter van een instituut dat in het geheim onderdak bood aan oorlogswezen, Poolse soldaten, verzetsleden en Joodse kinderen naar eigen zeggen getuige van zowel het laagst mogelijke inhumane gedrag als het hoogst mogelijke menselijke karakter.Tillier, W. (2008). Kazimierz Dabrowski: The man. In: Mendaglio, S. (red.), Dabrowski's theory of positive disintegration, Scottsdale, AZ: Great Potential Press, hfdst. 1. Dit overtuigde hem ervan dat beide uitersten alleen verklaard kunnen worden door één algehele persoonlijkheidstheorie wanneer deze nadrukkelijk de meerlagigheid van de menselijke hersenen en psyche erkent. Het menselijk brein huisvest immers zowel primitieve, reflexmatige, evolutionair oude structuren, als hogere, complexere, meer wilsbekwame structuren. De verscheidene menselijke motivaties die zij faciliteren verschillen derhalve aanzienlijk van elkaar. Zelfs één en dezelfde motivatie, zoals overlevingsdrift, kan zich enerzijds uiten in instinctief gedrag, zoals een fysiek gewelddadige reactie, en anderzijds in meer weloverwogen gedrag, zoals het beschermen van de eigen, zelfgeformuleerde identiteit, bijvoorbeeld via burgerlijke ongehoorzaamheid. Persoonlijkheidsontwikkeling bestaat volgens de theorie van positieve desintegratie dan ook uit de inlijving van lagere hersenstructuren door hogere hersenstructuren. Dit betekent nadrukkelijk niet dat primitieve motivaties disfunctioneel zijn of ontkend dienen te worden. Maar ontwikkeling houdt in dat zij wel steeds meer in harmonie worden gebracht met hogere motivaties. Dit maakt volgens de theorie een leven als Mens met waarden als gids mogelijk.Dąbrowski, K. (1996). Multilevelness of emotional and instinctive functions. Lublin, Poland: Towarzystwo Naukowe Katolickiego Uniwersytetu Lubelskiego.

Persoonlijkheid en geestelijke gezondheid De ontwikkeling van individu tot persoonlijkheid

van lagere naar hogere waarden van egocentrisch naar alterocentrisch (ander centraal) van impulsief en reflexmatig naar reflectief en zelfgestuurd van "socializen" naar sterk betrokken zijn met anderen van gericht zijn op sociale normen naar gericht zijn op idealen van automatisch naar autonoom gedrag van conformistisch naar authentiek gedrag van relativisme van waarden naar universele hiërarchie van waarden van imitatie van anderen naar creatief gedrag van bepaald door erfelijkheid en omgeving naar zelfbepaald leven van traditionele religie (bescherming, macht) naar eigen mystieke ervaringen van voorwaardelijke en zelfzoekende liefde naar allesomvattende liefde In zijn conceptualisatie van persoonlijkheid en geestelijke gezondheid was Dąbrowski een uitgesproken tegendenker. Persoonlijkheid is volgens de theorie van positieve desintegratie niet reeds vanaf de geboorte aanwezig. Integendeel, persoonlijkheid is een zelfbepaald, zelfbekrachtigd, van zichzelf bewust, geïntegreerd geheel van de meest essentiële, positieve, menselijke kwaliteiten (zie Kader 1).Dąbrowski, K. (1967). Personality-shaping through positive disintegration. Boston: Little, Brown, p. 5. Het is daarmee niet een gegeven, maar eerder het resultaat van een tweede geboorte van de persoonlijkheidDąbrowski, K. (met Kawczak, A., & Sochanska, J.). (1973). The dynamics of concepts. London: Gryf. die door weinigen volledig gerealiseerd wordt. Dit komt doordat de ontwikkeling tot persoonlijkheid een individu de zware taak oplegt om tal van innerlijke conflicten tussen lagere en hogere motivaties in zichzelf permanent tot harmonie te brengen. Omdat een individu hiertoe de existentïële angsten, depressies, obsessies, complexen, en andere psychoneurosen die gepaard kunnen gaan met deze innerlijke conflicten zal moeten onderzoeken, stelt de Theorie van Positieve Desintegratie dat deze symptomen niet psychopathologisch zijn, maar juist getuigen van emotionele groei.Dąbrowski, K. (1972). Psychoneurosis is not an illness. London: Gryf. Daarmee wordt zeer zeker niet ontkend dat er vormen van psychopathologie zijn die destructief zijn en funest voor de ontwikkeling, noch dat de hier beschreven psychoneurosen ernstige gevolgen kunnen hebben wanneer deze langdurig aanhouden. Maar een individu dat depressief raakt van een toxische werk- of leefomgeving en hierdoor zelfinzichten opdoet die helpen een heilzamere omgeving te zoeken of creëren, vertoont volgens Dąbrowski meer ontwikkeling dan een individu dat zich onkritisch aanpast aan een toxische omgeving en deze daarmee helpt voort te bestaan.

Ontwikkelingspotentieel, overprikkelbaarheden en de drie factoren Volgens de Theorie van Positieve Desintegratie wordt ontwikkeling gedreven door een aangeboren ontwikkelingsinstinct.Dąbrowski, K. (met Kawczak, A., & Piechowski, M. M.). (1970). Mental growth through positive disintegration. London: Gryf, p. 27. In hoeverre dit daadwerkelijk leidt tot ontwikkeling is afhankelijk van drie factoren. Dąbrowski noemt aanleg 'de eerste factor', sociale omgeving 'de tweede factor', en autonome krachten 'de derde factor'. Wat betreft de tweede factor wordt ontwikkeling uiteraard meer bevorderd door een responsieve, liefdevolle, aanmoedigende sociale omgeving dan een apathische, repressieve, onveilige omgeving. Opvoeding en socialisatie kunnen zo zowel een basis vormen voor verdere ontwikkeling, als een keurslijf dat ontworsteld dient te worden. Toch stelt Dąbrowski dat de sociale omgeving enkel doorslaggevend is bij een gemiddeld 'ontwikkelingspotentieel' – meerlagige ontwikkeling zal bij een zeer gunstig potentieel wel plaatsvinden en bij een zeer ongunstig potentieel niet, ongeacht de kwaliteit van de sociale omgeving.Mendaglio, S. (2008). Dabrowski's theory of positive disintegration: A personality theory for the 21st century. In: Mendaglio, S. (red.), Dabrowski's theory of positive disintegration, Scottsdale, AZ: Great Potential Press, hfdst. 2.

Waardoor wordt dit ontwikkelingspotentieel dan bepaald? De eerste factor (aanleg) speelt hierbij een belangrijke rol, en dan vooral de zogenaamde overprikkelbaarheden – een sterk verhoogde responsiviteit van het centrale zenuwstelsel op stimuli als gevolg van dunnere zenuwen, gevoeligere uiteinden en snellere synapsen.Kooijman-van Thiel, M. B. G. M. (red.). (2008). Hoogbegaafd. Dat zie je zó! Over zelfbeeld en imago van hoogbegaafden. Ede, Nederland: OYA. Er zijn vijf verschillende overprikkelbaarheden die zich elk al op jonge leeftijd onmiskenbaar manifesteren: Psychomotorische overprikkelbaarheid wordt gekenmerkt door een overschot aan fysieke energie of het uiten van emotionele spanning door een algemene hyperactiviteit. Het gaat gepaard met rusteloosheid, nervositeit, een voorliefde voor bewegen, tics, snel praten en druk tot handelen. Sensuele overprikkelbaarheid behelst een zeer rijke zintuiglijke ervaring, inclusief een waardering voor esthetiek en smaaksensaties, seksuele sensitiviteit en graag in de spotlights staan. Verbeeldende overprikkelbaarheid stelt in staat tot het nauwkeurig visualiseren van gedachten en gebeurtenissen en hangt vaak samen met een voorliefde voor fantasie, fictie, creatie, simulatie, kunst, drama, poëzie, humor en metaforisch taalgebruik. Emotionele overprikkelbaarheid omvat het ervaren van een breed scala aan mogelijkerwijs zeer genuanceerde, diepgaande, veelzijdige en heftige emoties. Dit kan gepaard gaan met een groot vermogen tot remming en regulatie van deze emoties, met emoties zoals een sterke schuldgevoeligheid of angst voor de dood, en met een hoge ontvankelijkheid voor en een sterk inlevingsvermogen en interesse in (de emoties van) dierbaren, medemensen en dieren. Intellectuele overprikkelbaarheid wordt gekenmerkt door een voorliefde voor denken. Het uit zich in leerhonger en verschilt daarmee van intelligentie of het vermogen tot denken. Kenmerkend zijn excessieve gedachtestromen, het willen begrijpen van onderliggende redenen, en interesse in theorie, kennis, abstractie en probleemoplossing.

Vooral de laatste drie overprikkelbaarheden hebben de potentie om in wisselwerking met elkaar een bovengemiddeld intense en reflectieve belevingswereld te realiseren en zo emoties te creëren die de motor zijn van verdere ontwikkeling. Ook sensuele en psychomotorische overprikkelbaarheid kunnen bijdragen aan ontwikkeling, maar lopen bij afwezigheid van de andere overprikkelbaarheden het risico te verworden tot een egocentrisme dat zich kan uiten in een zich te goed doen aan luxe en een structureel gebrek aan concentratie.

Een ander onderdeel van de eerste factor die, naast overprikkelbaarheden, het ontwikkelingspotentieel bepaalt, zijn speciale vaardigheden en talenten. Soms komen deze voort uit overprikkelbaarheden, maar ook talenten zoals een zekere zelfcontrole, wilskracht, cognitieve capaciteit, etc. kunnen verdere ontwikkeling versnellen. Deze laatste talenten zijn echter niet intrinsiek met ontwikkeling verbonden, waardoor zij bij afwezigheid van verdere ontwikkelingskrachten ook ingezet kunnen worden voor andere doeleinden, zoals gewetenloos opportunisme.Dąbrowski, K. (1967). Personality-shaping through positive disintegration. Boston: Little, Brown, hfdst. 5