thumb|Karstadt in München

Karstadt Warenhaus GmbH was een Duitse warenhuisketen, die in 1881 door Rudolph Karstadt in Wismar werd opgericht. Het bedrijf groeide uit tot een van de grootste warenhuisconcerns van Duitsland en was in 1930 met 89 filialen, 27 fabrieken en meer dan 29.000 werknemers het grootste warenhuisconcern van Europa. In 2019 fuseerde Karstadt met Galeria Kaufhof, waarna de warenhuizen verdergingen onder de naam Galeria Karstadt Kaufhof.

Geschiedenis Karstadt van 1881 tot 1932 Op 14 mei 1881 opende Rudolph Karstadt in Wismar zijn eerste winkel onder de naam Tuch-, Manufactur- und Confectionsgeschäft Karstadt. Het bedrijf onderscheidde zich door vaste, lage prijzen, terwijl in de detailhandel destijds onderhandelen over de prijs gebruikelijk was. Al snel volgden filialen in verschillende steden in Noord-Duitsland. Het tweede Karstadt-warenhuis werd in 1884 geopend in Lübeck.

Daarna werden filialen geopend in Neumünster (1888), Braunschweig (1890), Kiel (1893), Mölln (1895), Eutin (1896) en Preetz (1897). In 1900 nam Rudolph Karstadt bovendien dertien winkels over van zijn zwaar in de schulden geraakte broer Ernst Karstadt. Deze winkels bevonden zich in Anklam, Dömitz, Friedland (Mecklenburg), Greifswald, Güstrow, Hamburg, Ludwigslust, Neubrandenburg, Schwerin, Stavenhagen, Wandsbek en Waren (Müritz).

In de jaren daarna volgden nieuwe vestigingen in Bremen (1902), Hamburg-Eimsbüttel (1903), Altona (1903), Hannover (1906) en Wilhelmshaven (1908). In 1912 opende Karstadt aan de Mönckebergstraße in Hamburg een groot stadswarenhuis met ongeveer 10.000 m² verkoopoppervlak. Het bedrijf breidde daarnaast zijn activiteiten uit naar de eigen productie van kleding. In 1911 werd in Berlijn een groot stoffenmagazijn gebouwd en in 1912 een wasserij- en lingeriebedrijf geopend. In 1919 volgde een fabriek voor herenmode in Stettin.

Na de Eerste Wereldoorlog breidde Karstadt sterk uit. In 1920 nam het bedrijf de onderneming van Theodor Althoff over. De onderneming werd vervolgens omgevormd tot de Rudolph Karstadt Aktiengesellschaft, met zetel in Hamburg. Door de overname kreeg Karstadt ook de beschikking over de warenhuizen van Althoff in onder meer Dülmen, Rheine, Borghorst, Bottrop, Bocholt, Recklinghausen, Essen, Münster, Duisburg, Gladbeck, Lippstadt, Coesfeld, Remscheid, Dortmund en Leipzig. Het aantal vestigingen steeg daarmee tot 44. De voormalige Althoff-warenhuizen werden echter pas in 1963 onder de naam Karstadt gebracht.

Van 1921 tot 1924 werd aan de Steinstraße 10 in Hamburg een groot administratiekantoor gebouwd. In juli 1926 richtte Karstadt de EPA-Einheitspreis-Aktiengesellschaft op, waarmee een keten van goedkope warenhuizen werd opgezet. Tot 1932 ontstonden 52 EPA-filialen. In 1937 werd EPA omgevormd tot de Kepa Kaufhaus GmbH.

Karstadt breidde daarnaast zijn eigen productie uit om minder afhankelijk te zijn van leveranciers en de inkoopkosten te verlagen. Het concern verwierf onder meer weverijen, meubelbedrijven, drukkerijen en slachterijen. In 1930 beschikte Karstadt over 89 filialen en 27 fabrieken en had het concern meer dan 29.000 werknemers. Daarmee was Karstadt het grootste warenhuisconcern van Europa.

Door de wereldwijde economische crisis liep de omzet sterk terug. In 1932 trad Rudolph Karstadt terug uit de bedrijfsleiding. In het daaropvolgende saneringsprogramma werd het aandelenkapitaal verminderd en werden talrijke filialen en productiebedrijven gesloten. De EPA AG werd verkocht.

In 1932 ontwikkelde Karstadt een nieuwe warenhuisformule en handelsnaam Karzentra, die erop gericht was een gestandaardiseerd assortiment van alledaagse consumptiegoederen tegen relatief lage prijzen aan te bieden

Karstadt in Berlijn In 1928 kocht Rudolph Karstadt grond nabij de Alexanderplatz in Berlijn, tussen de Keibelstraße, Wadzeckstraße en de toenmalige Neue Königstraße. Op deze plaats werd in 1930 en 1931 naar ontwerp van architect Philipp Schaefer een groot gebouwencomplex gebouwd. In 1932 verhuisde de hoofdadministratie van Hamburg naar dit gebouw in het centrum van Berlijn.

Tegelijkertijd werd aan de Hermannplatz op de grens van Kreuzberg en Neukölln een van de grootste warenhuizen ter wereld gebouwd. Het warenhuis werd in 1929 geopend en beschikte over negen verdiepingen met ongeveer 72.000 m² gebruiksoppervlak. Er werkten aanvankelijk ongeveer 4.000 mensen. Het monumentale gebouw had twee 56 meter hoge torens, een dakterras van ongeveer 4.000 m², meerdere goederenliften en een eigen toegang vanaf het metrostation.

Het gebouw bleek echter al snel te groot. Tijdens de economische crisis stonden in 1932 verschillende verdiepingen leeg.

Het voormalige administratiekantoor bij de Alexanderplatz werd in 1934 voor 15 miljoen Reichsmark verkocht aan het Reichsfinanzministerium. De hoofdadministratie verhuisde vervolgens naar een nieuw gebouw aan de Fehrbelliner Platz, dat in 1935 en 1936 eveneens naar ontwerp van Philipp Schaefer werd gebouwd. In het voormalige Karstadt-gebouw aan de Alexanderplatz werd het Statistische Reichsamt gevestigd.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog raakte het gebouw zwaar beschadigd. Het warenhuis aan de Hermannplatz werd op 25 april 1945 door de SS opgeblazen. Daarbij werden de voorraden die in de kelders waren opgeslagen vernietigd om te voorkomen dat deze in handen van het Rode Leger zouden vallen.

Het voormalige administratiekantoor aan de Alexanderplatz werd na de oorlog door de stad Berlijn overgenomen en gebruikt voor politiediensten. Na de deling van Berlijn werd het gebouw de zetel van het Oost-Berlijnse politieapparaat. Na de Duitse hereniging werd het gebouw gerenoveerd. Tussen 2007 en 2010 vond een grondige restauratie plaats. In het complex kwamen onder meer kantoren van de Berlijnse overheid en politiediensten.

In 2018 werd een voormalig politiegevangenisgedeelte in het gebouw ingericht als educatieve locatie. In 2019 maakte de eigenaar van Karstadt, Signa Holding, plannen bekend om het warenhuis aan de Hermannplatz in de stijl van de jaren twintig te renoveren.

Arisering Het Karstadt-concern werd tijdens het nationaalsocialisme geconfronteerd met de vijandige houding van het regime tegenover warenhuizen. Het naziregime verstrekte het concern in 1933 een omvangrijke lening en Karstadt werd een vroeg doelwit van de zogenoemde Arisering.

Binnen het bedrijf waren twee leidinggevende medewerkers, die tevens lid waren van de NSDAP, betrokken bij de onderhandelingen. Karstadt ontsloeg 830 Joodse werknemers, onder wie vier bestuursleden en 47 bedrijfsleiders. Na de Tweede Wereldoorlog betaalde het concern schadevergoedingen.

Warenhuizen werden door de nationaalsocialisten in het algemeen als een vermeend product van Joodse ondernemers beschouwd en kregen daardoor te maken met verschillende vormen van discriminatie en repressie.

Na de Tweede Wereldoorlog Na de Tweede Wereldoorlog werden de Karstadt-warenhuizen ten oosten van de Oder en Neisse, waaronder die in Koningsbergen, Cranz, Neustettin, Stettin en Guben, onteigend. Hetzelfde gebeurde met de filialen in de Sovjet-bezettingszone, waaronder die in Schwerin, Leipzig, Potsdam, Halle (Saale) en Görlitz.

Van de 45 overgebleven vestigingen in de westelijke bezettingszones waren er meer dan dertig geheel of gedeeltelijk verwoest of zwaar beschadigd. Daaronder bevonden zich de grote warenhuizen aan de Hermannplatz in Berlijn en de Mönckebergstraße in Hamburg.

Karstadt profiteerde vervolgens van het economische herstel van West-Duitsland en begon vanaf het begin van de jaren vijftig opnieuw uit te breiden. In 1952 werd aan de Schadowstraße in Düsseldorf een nieuw warenhuis gebouwd. Later volgden diverse overnames, waaronder in 1970 de Grimme-warenhuizen in Sleeswijk-Holstein.

In 1977 verwierf Karstadt een meerderheidsbelang in Neckermann Versand. Met een omzet van 10,62 miljard Duitse mark werd Karstadt dat jaar het grootste handelsconcern van de Bondsrepubliek. In 1977 werd tevens besloten de goedkope warenhuisketen Kepa op te heffen. In 1984 werd Neckermann volledig overgenomen en in de concernstructuur opgenomen.

Na de Duitse hereniging nam Karstadt voormalige Centrum- en Magnet-warenhuizen over in onder meer Brandenburg an der Havel, Dresden, Halle, Magdeburg, Wismar en Görlitz. In 1994 werden de warenhuizen van Hertie overgenomen, waaronder het KaDeWe in Berlijn. De Hertie-warenhuizen werden aanvankelijk onder hun eigen naam voortgezet, maar later gedeeltelijk omgebouwd tot Karstadt-warenhuizen of gesloten.

Door de overname van Hertie werd Karstadt ook eigenaar van verschillende onroerende goederen die oorspronkelijk eigendom waren geweest van de Joodse warenhuisondernemer Wertheim. De nazi's hadden deze bezittingen tijdens de Holocaust onteigend. In 2005 werd KarstadtQuelle door de bestuursrechter in Berlijn veroordeeld tot het betalen van een vergoeding aan de erfgenamen.

In 1999 fuseerden Karstadt AG en het postorderbedrijf Quelle tot KarstadtQuelle AG.

Karstadt in het KarstadtQuelle- en Arcandor-concern Na de fusie met Quelle werden de voormalige warenhuizen van Karstadt geëxploiteerd door de Karstadt Warenhaus GmbH, tot 2006 Karstadt Warenhaus AG genoemd. Deze onderneming was volledig eigendom van KarstadtQuelle en later van Arcandor.

In 2005 werden 74 kleinere Karstadt-filialen, 51 SinnLeffers-modehuizen en de detailhandelsketen Runners Point verkocht. De kleinere Karstadt-filialen werden eerst samengebracht onder de naam Karstadt Kompakt. Deze onderneming werd later verkocht en ging verder als Hertie GmbH, die uiteindelijk failliet ging.

In 2006 werden de meeste vastgoedobjecten van de Karstadt-warenhuizen verkocht aan het Highstreet-consortium. KarstadtQuelle behield aanvankelijk 49 procent van het consortium, maar verkocht dit belang in 2008.

In 2006 vierde Karstadt zijn 125-jarig bestaan met de uitgave van een jubileumboek. In 2007 werd bekend dat het concern overwoog de warenhuizen van Galeria Kaufhof over te nemen.

In 2009 kwam Karstadt in ernstige financiële problemen. Het moederconcern Arcandor kon de huur van de warenhuispanden niet langer betalen. Op 9 juni 2009 vroeg Arcandor faillissement aan. Het faillissementsproces werd op 1 september 2009 geopend.

Faillissement In november 2009 bereikten de vakbond en het bedrijf een overeenkomst waarbij de werknemers gedurende drie jaar een deel van hun loon inleverden. Op 12 april 2010 stemden de schuldeisers in met een reorganisatieplan dat voorzag in de verkoop van de volledige warenhuisketen aan een investeerder.

Er waren verschillende geïnteresseerde partijen, waaronder de investeringsmaatschappijen Triton en Whitehall, de Borletti Group, Nicolas Berggruen en Metro. Metro wilde echter niet alle Karstadt-warenhuizen overnemen.

Op 7 juni 2010 kreeg de Berggruen Holding de voorkeur van de schuldeisers. De overname werd op 30 juni door het Bundeskartellamt goedgekeurd. Nadat overeenstemming was bereikt over de huurcontracten, werd het faillissementsproces op 30 september 2010 beëindigd. Ongeveer 40.000 schuldeisers moesten daarbij gezamenlijk ongeveer twee miljard euro aan vorderingen afschrijven.

Verkoop aan Berggruen Berggruen wilde Karstadt juridisch opdelen in een holding en drie dochterondernemingen voor respectievelijk de sportwarenhuizen, premiumwarenhuizen en overige warenhuizen. Volgens het reorganisatieplan moesten kleinere bedrijfsonderdelen zelfstandiger kunnen opereren. De logistieke activiteiten werden voortgezet onder de naam Corporate Service (Germany) GmbH, later Corporate Service GmbH. Het bedrijf hield zich bezig met internationale inkoop en logistieke dienstverlening.