thumb|Genencentra volgens Nikolaj Vavilov: (1) Mexico-Guatemala, (2) Peru-Ecuador-Bolivia, (2A) Zuid-Chili, (2B) Zuid-Brazilië, (3) Middellandse Zeegebied, (4) Midden-Oosten, (5) Ethiopië, (6) Centraal Azië, (7) Indo-Birma, (7A) Siam-Maleisië-Java, (8) China en Korea. (1998). Plant Evolution under Domestication. The Netherlands: Kluwer Academic Publishers thumb|Nikolaj Vavilov Een genencentrum (center of origin) of diversiteitscentrum (centre of diversity) is een gebied waar een taxon de grootste genetische verscheidenheid heeft. Groepen van genetisch verwante taxa, zoals verwante soorten, ondersoorten of variëteiten, stellen vaak overeenkomstige eisen aan hun milieu, en hebben dan ook vaak vergelijkbare verspreidingsgebieden. Zo kunnen er in een bepaald gebied meerdere verwante soorten samen voorkomen en vormen ze daar een genencentrum. (1973) § 4 Arealform und Sippenzentrum, p. 21-24
Afgrenzing Het begrip genencentrum moet niet verward worden met biodiversiteitshotspot, wat niet noodzakelijkerwijs over verwante soorten gaat. Een biodiversiteitshotspot is een biogeografische regio met een uitzonderlijke graad van biodiversiteit.
Gedomesticeerde soorten Dat gedomesticeerde soorten een grotere verscheidenheid in dit gebied hebben dan in de latere verspreidingsgebieden, werd als eerste geopperd door Nikolaj Vavilov, die vijf continenten af had gereisd op zoek naar geschikte voedingsgewassen. In 1924 begon hij naar het voorbeeld van Alphonse de Candolle met drie centra, gevolgd door vijf in 1926, zes in 1929, zeven in 1931, acht in 1935 en terug naar zeven in 1940. (1992): Origin and Geography of Cultivated Plants, Cambridge University Press, p. xxi De oorspronkelijke centra zijn met het beschikbaar komen van meer gegevens uitgebreid tot twaalf en mogelijk meer dan twintig genencentra. Zijn oorspronkelijke definitie als genencentra als oorsprongsgebieden is ook aangepast, aangezien deze problematisch is gebleken.
Primair en secundair Een genencentrum kan als oorsprongsgebied gezien worden van het betreffende taxon, maar hierbij treden complicaties op. Zo stelden Jack Harlan en Daniel Zohary in 1966 al dat het niet noodzakelijk is dat een plant tijdens het proces van domesticatie in dezelfde regio bleef als de wilde variant.Domestication may not have taken place where the wild cereals were most abundant. Why should anyone cultivate a cereal where natural stands are as dense as a cultivated field? If wild cereal grasses can be harvested in unlimited quantities, why should anyone bother to till the soil and plant the seed? ; (1966): 'Distribution of wild wheats and barley' in Science 153, p. 1074-1080
Harlan maakte ook onderscheid tussen centra en niet-centra. Hij zag drie regio's waar landbouw onafhankelijk van elkaar ontstaan was en in elke regio zag hij een oorsprongsgebied met daarnaast een veel groter gebied waar de domesticatie had plaatsgevonden.I propose the theory that agriculture originated independently in three different areas and that, in each case, there was a system composed of a center of origin and a noncenter, in which activities of domestication were dispersed over a span of 5,000 to 10,000 kilometers. One system includes a definable Near East center and a noncenter in Africa; another system includes a North Chinese center and a noncenter in Southeast Asia and the South Pacific; the third system includes a Mesoamerican center and a South American noncenter. There are suggestions that, in each case, the center and noncenter interact with each other. Crops did not necessarily originate in centers (in any conventional concept of the term), nor did agriculture necessarily develop in a geographical center. (1971) Hoewel deze ecoregio's veelal een concentratie van soorten bevatten, heeft elke soort zijn eigen geschiedenis: A center must be established one crop at a time [...] (1971)
Een primair genencentrum is het gebied waar de betreffende groep van taxa evolutionair hun oorsprong hebben. Door klimaatveranderingen kunnen door de verschuiving van de arealen verschoven zijn en vanuit die gebieden secundaire genencentra zijn ontstaan.
Biodiversiteitshotspot bij cultuurgewassen
Een biodiversiteitshotspot is een biogeografisch gebied met een uitzonderlijke hoge mate van biodiversiteit. Het gaat daarbij niet noodzakelijkerwijs om een groep van nauw verwante soorten zoals bij een genencentrum, maar om soorten die in het gebied endemisch zijn en mogelijk bedreigd worden. Het begrip biodiversiteitshotspot moet dan ook niet verward worden met genencentrum.
Bij cultuurgewassen is een biodiversiteitshotspot een geografisch gebied waar een aantal gecultiveerde soorten, ondersoorten of rassen, zowel gedomesticeerd als in het wild, mogelijk voor het eerst haar onderscheidbare eigenschappen heeft geëvolueerd.ITPGRFA, Article 2 De ontdekker van biodiversiteitshotspots (vaak genencentra genoemd) van de cultuurgewassen was Nikolaj Vavilov.
Biodiversiteitshotspots liggen in een betrekkelijk beperkte streek ten noorden en ten zuiden van de evenaar. Vaak bevinden biodiversiteitshotspots zich in gebieden met onderling sterk verschillende groeiomstandigheden, waardoor een eenzijdige selectie verhinderd wordt. (2002) Lexikon der Baum- und Straucharten. Nikol, Hamburg, S. 195,
Ook tegenwoordig komt in de biodiversiteitshotspots nog een grote diversiteit voor, wat van belang blijft voor de plantenveredeling.
De acht biodiversiteitshotspots volgens Vavilov reflecteren niet meer de laatste stand van onderzoek, maar waren: (1972) Plants for Man, Prentice Hall, Englewood Cliffs, NJ, Adapted from (1951) World centers of origin of Cultivated Plants (2002) History of Horticulture, Purdue University
Regio Gewassen1.Zuid-Mexico enMidden-Amerika: inclusief Guatemala, Honduras en Costa Rica. Graan- en groentegewassen: mais, gewone boon, Phaseolus lunatus, Phaseolus acutifolius, Canavalia ensiformis, amarant Komkommerfamilie: vijgenbladpompoen, chayote Vezelgewassen: diverse katoensoorten, Agave fourcroydes (vezelagave), sisal-agave Verder: zoete aardappel, Maranta, paprika, papaja, guave, cashewnoot, kerstomaat, cacao2.Zuid-Amerika: 62 plantensoorten in 3 ondercentra 2. Peru, Ecuador, Bolivia: Wortel- en knolgewassen: Andes-aardappel, diverse andere aardappelsoorten. Graan- en groentegewassen: zetmeelmais, Phaseolus lunatus, gewone boon Wortel- en knolgewassen: aardappel Groentegewassen: pepino, tomaat,lampionplant, pompoen, paprika Vezelgewassen: Amerikaanse katoen Vruchten en overige: cacao, passievrucht, guave, tabak 2A. Chili (eiland bij Zuid-Chili) aardappel, aardbei (Fragaria chiloensis) 2B. Brazilië-Paraguay maniok, pinda, Indische rubberboom, ananas, cashewnoot3.MiddellandseZeegebied: 84 plantensoorten Graan- en groentegewassen: harde tarwe, emmertarwe, spelt, diverse haversoorten, Lathyrus sativus, erwt, lupine Voedergewassen: witte klaver, inkarnaatklaver Olie- en vezelgewassen: vlas, koolzaad, zwarte mosterd, olijf Groentegewassen: rode biet, kool, biet, sla, asperge, selderij, cichorei, pastinaak, rabarber Etherische olie- en specerijgewassen: karwij, anijs, tijm, pepermunt, hop, salie4.Midden-Oosten: inclusief delen van Azië, Zuid-Kaukasus, Iran, berggebieden van Turkmenistan. 83 plantensoorten Graan- en groentegewassen: eenkoorn, harde tarwe, gewone tarwe, Oriëntaalse tarwe, Perzische tarwe, tweerijige gerst, rogge, linzen, lupine Voedergewassen: luzerne, Perzische klaver, fenegriek, wikke Vruchten: vijg, granaatappel, appel, peer, kweepeer, zure kers5.Ethiopië: inclusief Abessinië, Eritrea en delen van Somalië. 38 plantensoorten; rijk aan tarwe- en gersttypen Graan- en groentegewassen: Abessinië-harde tarwe, emmertarwe, gerst, parelgierst, sorghum, Vigna unguiculata, vlas Overige: sesam, wonderboom, tuinkers, koffieplant, heemst, mirre6.Centraal-Azië: inclusief Noordwest-India (Punjab, grensgebieden in het Noordwesten en Kaschmir), Afghanistan, Tadzjikistan, Oezbekistan en West-Tian-Shan. 43 plantensoorten Graan- en groentegewassen: tarwe, boon, linzen, paardenboon, kikkererwt, mungboon, mosterd, vlas, sesam Vezelgewassen: hennep, katoen Groentegewassen: ui, knoflook, spinazie, wortel Vruchten: pistache, peer, amandelboom, druif, appel7.India: Twee ondercentra 7. Indo-Birma: Hoofdcentrum (Hindustan): inclusief Assam en Birma, maar niet Noordwest-India, Punjab en de grensgebieden in het Noordwesten, 117 plantensoorten Graan- en groentegewassen: rijst, kikkererwt, Cajanus cajan, Vigna mungo, mungboon, Vigna umbellata, Vigna unguiculata, Groenten- en knolgewassen: aubergine, komkommer, rammenas, taro, yams Vruchten: mango, sinaasappel, mandarijn, citroen, tamarinde Suiker-, olie en vezelgewassen: rietsuiker, kokospalm, sesam, saffloer, katoen, Gossypium arboreum, jute, Hibiscus cannabinus Specerij- en verfgewassen en andere: hennep, zwarte peper, Indische rubberboom, sandelboom, kaneel, Croton, bamboe 7A. Siam-Maleisië-Java: inclusief Indochina en Maleise Archipel, 55 plantensoorten Graan- en groentegewassen: Coix lacryma-jobi, fluweelboon Vruchten: pompelmoes, banaan, broodvrucht, mangistan Olie-, suiker-, specerij- en vezelgewassen: kemirinoot, kokospalm, suikerriet, kruidnagel, nootmuskaat, zwarte peper , manillahennep8.China en Korea: 136 Plantensoorten Graan- en groentegewassen: Panicum miliaceum, Setaria italica, Sorghum vulgare var. nervosum, boekweit, sojaboon, adukiboon, fluweelboon Wortel- en knolgewassen, groentegewassen: bijvoorbeeld: Chinese yams, rammenas, Chinese kool, ui, komkommer Vruchten en noten: bijvoorbeeld: peer, Malus spectabilis, perzik, abrikoos, kers, walnoot, lychee Suiker, medicinale en vezelgewassen: bijvoorbeeld: rietsuiker, blauwmaanzaad, ginseng, kamferboom, hennep
Literatuur (1971): 'Agricultural Origins: Centers and Noncenters' in Science 174, p. 468-474
Categorie:Biogeografie Categorie:Domesticatie Categorie:Cultuurgewas