Lodewijk Frederik (Lou) Ottens (Bellingwolde, 21 juni 1926 – Duizel, 6 maart 2021) was een Nederlands ingenieur, uitvinder en manager. Ottens was zijn hele carrière in dienst van Philips. Na een korte aanloopperiode begon hij zijn loopbaan in de fabriek in Hasselt als hoofd van de afdeling productontwikkeling. In die functie gaf hij de aanzet tot de uitvinding van de compact cassette, vaak aangeduid als cassettebandje. Later werd hij fabrieksdirecteur in Hasselt en vervolgens directeur van de Audiodivisie. Daar legde hij de basis voor de uitvinding van de cd. Aansluitend werd hij directeur van de Videodivisie, waar op dat moment de Video 2000 werd geïntroduceerd. De laatste jaren van zijn carrière was Ottens verantwoordelijk voor een project dat tot doel had de industriële logistiek in de consumentendivisies van Philips te verbeteren.

Jeugd Lou Ottens werd op 21 juni 1926 geboren in Bellingwolde.

Ottens was al vroeg geïnteresseerd in techniek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bouwde hij – nog een tiener – een radio waarmee hij in het geheim naar uitzendingen van Radio Oranje luisterde. De radio had een primitieve richtantenne om de Duitse stoorzenders te vermijden. Na de oorlog ging Ottens werktuigbouwkunde studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. Om wat bij te verdienen werkte hij drie jaar lang halve dagen als constructeur-tekenaar in een fabriek voor röntgenapparatuur. Hij behaalde zijn ingenieursbul in 1952.

Loopbaan Ottens trad in 1952 in dienst bij elektronicaconcern Philips. Hij begon zijn loopbaan bij de afdeling Bedrijfsmechanisatie van de Hoofdindustriegroep Apparaten te Eindhoven. In 1957 werd hij overgeplaatst naar de fabriek van Philips in de Belgische stad Hasselt, die twee jaar daarvoor was geopend. Philips Hasselt produceerde op dat moment platenspelers, platenwisselaars, bandrecorders en luidsprekers, en telde bijna 1500 personeelsleden.

Hoofd Productontwikkeling Philips Hasselt, 1960-1969 In 1960 werd Ottens hoofd van de pas opgerichte afdeling Productontwikkeling van Philips Hasselt. Onder zijn leiding werd de EL 3585 ontwikkeld, de eerste draagbare bandrecorder van Philips, waarvan er meer dan 1 miljoen verkocht werden. Philips had destijds drie fabrieken die bandrecorders produceerden. In Eindhoven werden recorders geproduceerd voor de professionele markt, in Wenen werden de grote, dure recorders voor de consumentenmarkt gemaakt en in Hasselt richtte men zich op kleinere en goedkopere consumentenapparaten. Alle geproduceerde recorders waren op dat moment van het reel-to-reel-type. Dat betekent dat ze werkten met een magneetband die op een spoel was gewikkeld. Bij het laden van de recorder werd de band met de hand langs de koppen naar een tweede spoel geleid en daar enkele slagen opgewonden ter bevestiging. Omdat dit nogal omslachtig was waren meerdere bedrijven bezig met het ontwerpen van een muziekcassette, een soort zwarte doos waarin de spoelen en de band opgeborgen waren. Dat moest de bediening van de recorder sterk vereenvoudigen.

Compact cassette

thumb|De Philips EL 3302 uit 1968, afgeleid van de eerste draagbare cassetterecorder thumb|Een compact cassette geproduceerd door TDK en een RCA-cassette thumb|Binnenkant van een compact cassette Voortbordurend op het succes van de EL 3585 ontstond in Philips Hasselt het plan om een draagbare cassetterecorder te ontwikkelen. Het nieuwe product, door de commerciële afdeling aangeduid als een pocketrecorder, moest goedkoop en klein zijn, een laag batterijverbruik hebben en een redelijke geluidskwaliteit. Essentieel in het plan was het selecteren van een cassette. Sinds 1959 had Philips Hasselt contact met RCA over hun cassettesysteem. Ottens oordeelde echter dat het RCA-systeem door de afmetingen van de cassette en de bandsnelheid van 9,5 cm/sec niet geschikt was voor toepassing in compacte, mobiele apparaten.Het cassettebandje is terug en de uitvinder snapt niet waarom, NRC, 15 februari 2018

Besloten werd zelf een kleine cassette te ontwikkelen, uitgaande van de RCA-cassette. Ottens specificeerde om te beginnen de afmetingen van het afspeelapparaat. Hij nam de opdracht om een pocketrecorder te ontwerpen letterlijk en liet een houten blok zagen dat in de zijzak van zijn colbert paste. Dat blok werd het model waarnaar de eerste draagbare cassetterecorder, de EL 3300 is gemaakt. Uitgaande van de grootte van het afspeelapparaat stelde Ottens het formaat van de cassette vast. Hij koos ook voor een smallere band, zoals die toegepast werd in het concurrerende CBS-systeem en voor de laagste standaardbandsnelheid, 4,75 cm/sec.

Voor het ontwikkelen van de cassette en de apparatuur voor het afspelen ervan beschikte Ottens over een team van tien tot twaalf voornamelijk jonge mensen die in Eindhoven ervaring hadden opgedaan in het ontwerpen of produceren van grammofoons en bandrecorders. Het was een gemengde groep van Belgische en Nederlandse technici. Tot het team behoorde ook de getalenteerde constructeur-tekenaar Jan Schoenmakers, die ervaring had als gereedschapsmaker. Hij bracht tien octrooien op zijn naam. De groep kon vrij gebruik maken van de kennis en ervaring in de nabijgelegen laboratoria van Philips in Eindhoven.

In 1961 ging de Philipsdirectie in Eindhoven een samenwerkingsverband aan met Grundig om in Wenen gezamenlijk een cassetterecorder van hoge kwaliteit te ontwikkelen, bedoeld voor stationair gebruik in de huiskamer. De ontwikkeling was gebaseerd op de eenspoelige cassette van CBS. Grundig en de technici in Wenen waren niet op de hoogte van het ontwikkelingsproject van Ottens.

In 1963 was in Hasselt de ontwikkeling van de cassette en het afspeelapparaat zover gevorderd dat Philips besloot het systeem te introduceren tijdens de Internationale Funkausstellung in Berlijn. Voorafgaand daaraan vroegen Ottens en zijn collega's aan de directie in Eindhoven of het niet wenselijk was om Max Grundig in te lichten. Dat werd niet nodig gevonden omdat het bij het project in Wenen immers ging om een apparaat voor een heel ander marktsegment. Vlak voor de Ausstellung werd Max Grundig alsnog geïnformeerd. Hij zegde het samenwerkingsverband onmiddellijk op en gaf zijn ontwikkelafdeling opdracht een eigen draagbare cassetterecorder te ontwikkelen.

De presentatie van Philips op de Funkausstellung riep niet direct enthousiasme op in de audiowereld. Wel waren er veel Japanners aanwezig die foto's namen. Enkele jaren later verschenen er Japanse kopieën van de Philipscassette op de markt en presenteerde Grundig samen met Telefunken en Blaupunkt de DC International. Al deze cassettes waren iets groter dan het origineel van Ottens.

In 1966 bezocht Ottens Japan, samen met zijn commerciële collega Gerrit Gazenbeek. Begeleid door Wisse Dekker, manager van de Philips Divisie Verre Oosten, onderhandelden zij met tien elektronicafirma's. Zij deden de Japanners het aanbod dat de cassette als standaard kon worden overgenomen zonder dat royalty's verschuldigd waren. Voor de technologie van de afspeelapparatuur zou wel betaald moeten worden. Essentieel in die technologie was een door Philips gepatenteerd mechanisme dat de magneetkoppen in de cassette duwde. Norio Oga, hoofd van de afdeling Audio van Sony, die ook contacten had met Grundig, koos voor de cassette die Ottens ontwikkeld had, vanwege de kleinere afmetingen. Tijdens de onderhandelingen die volgden vroeg de Philipsdelegatie aanvankelijk een bedrag van 25 yen voor elke door Sony verkochte cassetterecorder. Na enkele dagen werd dat verlaagd naar 6 yen. Tegen het advies van zijn medewerkers in weigerde Oga dit aanbod en dreigde hij alsnog te kiezen voor Grundig als Philips royalty's bedong. Daarop besloot Philips de licentie voor de afspeelapparatuur gratis aan te bieden aan alle elektronicafirma's ter wereld.

thumb|Logo van de compact cassette De ene na de andere elektronicafirma nam het Philipssysteem over en ontwikkelde een recorder voor het afspelen van compact cassettes. Leveranciers van magneetbanden brachten onder eigen naam C60- en C90-cassettes uit, met een speelduur van respectievelijk 60 en 90 minuten. De laatste concurrerende cassette was het Amerikaanse 8-track, dat vooral in de Verenigde Staten tot medio jaren 70 van de 20e eeuw een aanmerkelijk marktaandeel wist te behouden. Sommige fabrikanten die de compact cassette overnamen, kozen voor een andere naam, zoals kortweg cassette of cartridge, maar uiteindelijk gebruikte iedereen de naam compact cassette. In de loop van de tijd zijn er naar schatting 50 tot 100 miljard van verkocht.

Directeur Philips Hasselt, 1969-1972 Ottens werd in 1969 directeur van Philips Hasselt. Doordat de compact cassette wereldwijd aansloeg steeg ook de vraag naar Philipscassetterecorders. De fabriek van Ottens leverde niet alleen complete cassetterecorders, maar produceerde ook losse elektromechanische aandrijfsystemen voor de compact cassette. Deze loopwerken werden door andere fabrieken – zowel van Philips als van andere firma's – ingebouwd in hun recorders.

Het succes van de compact cassette bleef stijgen. De loopwerken en de band werden voortdurend geperfectioneerd. In 1968 kwam TDK met een compact cassette voor de hifimarkt, de Super Dynamic. Eind 1969 verscheen de eerste stereocassetterecorder. In 1970 werd het Dolbysysteem voor ruisonderdrukking geïntroduceerd. In dat jaar bracht DuPont de chroomdioxideband op de markt, door BASF in licentie genomen. Twee jaar later bracht TDK de C120 compact cassette uit met een speelduur van twee uur. Ook Philips Hasselt profiteerde van de groeiende vraag naar cassetterecorders en loopwerken, waardoor het aantal werknemers steeg tot boven de 5000.

Directeur Philips Audio, 1972-1979 In 1972 werd Ottens benoemd tot technisch directeur van de Philips Hoofdindustriegroep Audio. Het Philips Natuurkundig Laboratorium, gewoonlijk afgekort tot NatLab, deed in die jaren onderzoek naar videoplaten waarbij gebruik gemaakt werd van optische registratie. De videoplaat, Video Long Play of VLP genaamd, kon met een laser worden afgespeeld. Ottens realiseerde zich dat er in deze technologie mogelijkheden scholen om de kwaliteit van audio te verbeteren. Ook zou met de contactloze laseruitlezing het probleem van de slijtage van grammofoonplaten en banden verleden tijd zijn. Hij claimde de ontwikkeling van een plaat die geoptimaliseerd was voor audio. Omdat de eisen voor zo'n audioplaat sterk verschillen van die voor een videotoepassing werd de compatibiliteit met de VLP losgelaten. Het oorspronkelijke onderzoek werd gesplitst in twee projecten: de Video Long Play en de Audio Long Play., p. 259, ,

Compact disc

De ontwikkeling van een ALP vergde enkele ingrijpende wijzigingen in de onderzoeksopzet. Zo had de VLP de afmeting van een langspeelplaat, waardoor en genoeg ruimte zou zijn voor 48 uur muziek. Ottens wist echter dat de muziekindustrie niet zat te wachten op zo'n speelduur. In 1972 gaf hij opdracht aan enkele technici om proeven te doen met kleinere schijfjes. Ze moesten het met name uitproberen met plaatjes met een diameter van 17,8 cm, het formaat van een single. Toen verkleining mogelijk bleek werd gekozen voor een diameter van 11,5 cm, waardoor een afspeelapparaat mogelijk werd dat zou passen in de bestaande Europese autoradiosystemen., p. 138-140,

Ook de gaslaser die gebruikt werd in de VLP stelde een probleem. Hij was te groot om toegepast te kunnen worden in de compacte speler die Ottens voor ogen had. Met behulp van het NatLab werd een vastestoflaser ontwikkeld die klein genoeg was. Vervolgens bleek na een aantal jaren experimenteren dat de analoge techniek waarmee putjes van verschillende grootte in de optische schijf waren aangebracht te veel ruis veroorzaakte om te kunnen concurreren met de grammofoonplaat. Ottens en zijn team besloten dat er geen andere weg was dan over te stappen naar digitale technieken.

thumb|Logo van de compact disc