De Estische Onafhankelijkheidsoorlog (ook wel bekend als Estische Bevrijdingsoorlog, Estisch: Vabadussõda, ofwel ‘Vrijheidsoorlog’) was een conflict tussen Esten die een onafhankelijk Estland wilden, en de bolsjewieken, die van Estland een socialistische sovjetrepubliek wilden maken als onderdeel van de Sovjet-Unie.

De oorlog kan worden gezien als een van de fronten van de Russische Burgeroorlog. De Estische Onafhankelijkheidsoorlog werd uitgevochten in de jaren 1918-1920 en eindigde met een onafhankelijke republiek Estland. De Russische Burgeroorlog ging daarna nog twee jaar door.

Voorgeschiedenis Op 28 juli 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Aan het Oostfront ging de strijd tussen de Centrale mogendheden (met een hoofdrol voor het Duitse Keizerrijk en een bescheiden bijrolletje voor Oostenrijk-Hongarije) en het keizerrijk Rusland. Al vroeg in de oorlog bezette Duitsland het Russische deel van Polen, het huidige Litouwen en delen van de huidige staten Letland en Wit-Rusland. Daarna ontstond een soort patstelling. Duitsland rukte niet verder op en Rusland deed geen moeite om het verloren gegane gebied te heroveren.

Het gebied dat nu Estland is, was al sinds de middeleeuwen verdeeld over twee bestuurlijke eenheden. In de tijd dat het gebied onder Russisch bestuur stond, waren dat het gouvernement Estland (nu Noord-Estland) en het gouvernement Lijfland. Van Lijfland werd alleen het noordelijk deel (nu Zuid-Estland) bevolkt door Esten, in het zuidelijk deel woonden Letten.

In februari 1917Volgens de gregoriaanse kalender in maart. Rusland gebruikte op dat moment nog de juliaanse kalender, die in de 20e eeuw dertien dagen achterliep op de gregoriaanse. brak in Rusland de Februarirevolutie uit, die een eind maakte aan het bewind van tsaar Nicolaas II. De nieuwe regering onder Aleksandr Kerenski stond minder negatief tegenover meer autonomie voor minderheden dan de tsaar. De Esten kregen voor elkaar dat Estland en Noord-Lijfland werden samengevoegd tot een autonoom gouvernement Estland (dat zou bestaan tussen 30 maart 191712 april volgens de gregoriaanse kalender. en februari 1918) en kozen een voorlopig parlement, Maapäev geheten. De Maapäev radicaliseerde al snel; binnen korte tijd was het doel al niet meer autonomie, maar onafhankelijkheid.

In oktober 1917November volgens de gregoriaanse kalender. werd de Februarirevolutie gevolgd door de Oktoberrevolutie, die de bolsjewieken aan de macht bracht. Ook in Estland waren bolsjewieken actief, die in contact stonden met hun Russische geestverwanten. Zij hadden geen bezwaar tegen een zekere mate van autonomie, maar zagen niets in een onafhankelijke staat. Al op 23 oktober 1917,Gregoriaanse datum: 5 november 1917. twee dagen voor de Oktoberrevolutie, pleegden de bolsjewieken onder Jaan Anvelt een staatsgreep. Vanaf dat moment hadden ze de hoofdstad Tallinn in handen; de rest van het land bleef trouw aan de Maapäev.

De Maapäev benoemde een Bevrijdings- en Reddingscomité, bestaande uit Konstantin Päts, Jüri Vilms en Konstantin Konik, verklaarde zich onafhankelijk van alle Russische staatsorganen en ging ondergronds. Er dreigde een burgeroorlog, maar inmiddels hadden de Duitsers besloten gebruik te maken van de verzwakking van Rusland en rukten ze vanuit het deel van Letland dat in hun handen was, op naar het noorden. De bolsjewieken weken uit naar Petrograd en lieten Tallinn aan hun tegenstanders. Op 24 februari 1918Ditmaal de gregoriaanse datum; Rusland had inmiddels de gregoriaanse kalender ingevoerd. riep het Bevrijdings- en Reddingscomité in Tallinn de onafhankelijke Republiek Estland uit. Tegelijk werd een voorlopige regering gevormd. De volgende dag marcheerden de Duitsers de stad binnen.

De Duitsers negeerden de onafhankelijkheidsverklaring; een aantal vooraanstaande voorvechters van de Estische onafhankelijkheid werd gevangengezet. Pas nadat Duitsland op 11 november 1918 had gecapituleerd, droeg het de macht over Estland over aan de voorlopige regering.

Sovjetoffensief thumb|‘Broeders, schrijf je snel in bij het volksleger’: Affiche om soldaten te werven voor het Estische leger, 1918 Al op 22 november 1918 viel de Zesde Divisie Tirailleurs van het Rode Leger Estland binnen. Op 29 november veroverde ze na zware bombardementen Narva op de Kaitseliit, een paramilitaire organisatie die de orde moest bewaken in het net beginnende land, en het Infanterieregiment nr. 405, een Duitse eenheid die was achtergebleven.Von Rauch, blz. 49-50.

Op 6 december viel de Tweede Novgorod-Divisie Estland binnen ten zuiden van het Peipusmeer. Het Estische leger telde op dat moment 2.000 man. Daar kwam de Kaitseliit bij met 14.500 man. Beide hadden een tekort aan wapens. De Kaitseliit bestond voor een groot deel uit scholieren. Wel kreeg het leger al in november 1918 versterking van het Baltische Bataljon, bestaande uit bewapende vrijwilligers, sommigen met machinegeweren. Een deel bestond uit Baltische Duitsers. De Estische Baltische Duitsers toonden zich daarmee aanzienlijk loyaler dan de Letse.Von Rauch, blz. 53.

De Sovjettroepen bestonden voor een klein deel uit Esten, maar voor het overgrote deel uit Russen. Volgens een rapport van de Estische legerleiding uit februari 1919 hadden tot op dat moment 35 Sovjetregimenten in Estland gevochten, waarvan er vier grotendeels uit Esten bestonden.Von Rauch, blz. 55-56. Deze invasietroepen boekten in eerste instantie veel terreinwinst. Op 18 december kregen ze het spoorwegknooppunt Valga en op 24 december 1918 het spoorwegknooppunt Tapa op 34 km afstand van Tallinn in handen. Daarvoor hadden ze op 21 december Tartu al veroverd, waar ze een bloedbad aanrichtten.Von Rauch, blz. 50. In Narva zetten Estische sympathisanten van de Sovjet-Unie een soort bestuur op, de Gemeenschap van Arbeiders van Estland, weer onder voorzitterschap van Jaan Anvelt.Page, blz. 126-128.

Konstantin Päts, minister-president en tevens minister van Defensie in de voorlopige regering, benoemde Johan Laidoner tot opperbevelhebber en kondigde een algehele mobilisatie af.Logistical Aspects of the Estonian War of Independence, 1918-1920. Gearchiveerd op 15 januari 2015. Laidoner begon direct zo veel mogelijk mensen te rekruteren voor het leger. Op 5 januari 1919 had hij al 14.000 nieuwe soldaten geworven. Uit het bestaande leger en de rekruten vormde hij nieuwe legeronderdelen, zoals de Tweede Divisie voor Zuid-Estland.

Estland kreeg ook steun uit het buitenland. Finland, dat zelf net een jaar onafhankelijk was, leverde wapens en munitie, net als het Verenigd Koninkrijk. Het Britse eskader dat de wapens kwam brengen, maakte ook twee Russische oorlogsschepen buit, de Spartak en de Avtroil. De schepen werden overgedragen aan de Esten, en kregen nieuwe namen: Vambola en Lennuk. Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten leverden voedsel.

Op 31 december kwamen 2000 Finse vrijwilligers in Estland aan om mee te vechten tegen het Rode Leger. Uiteindelijk zou Finland 3500 vrijwilligers leveren. Laidoner liet in Tallinn pantsertreinen bouwen. Ook vrachtwagens werden voorzien van pantserplaten en in de strijd tegen de Rode troepen ingezet.

Estisch tegenoffensief thumb|De viering van één jaar onafhankelijkheid op het Vrijheidsplein in Tallinn op 24 februari 1919 Tussen 2 en 5 januari 1919 wist het Estische leger, dat nu 16.000 man telde, tegenover het invasieleger van 12.000 man,Aantallen ontleend aan de website van het Estische Oorlogsmuseum. de opmars van het Sovjetleger te stoppen. Op 7 januari zetten de Esten een tegenoffensief in. Op die dag heroverden de Esten Tapa, mede door de inzet van soomusrongid (pantsertreinen). Op 12 januari viel Rakvere in hun handen.

Op 17 januari landde een Fins-Estische eenheid van 1.000 man op het strand van Udria ten noorden van Narva. Een paar plaatsjes in de omgeving vielen dezelfde dag nog in Estische handen. Een tegenoffensief van de Sovjettroepen bij Laagna in de ochtend van 18 januari werd afgeslagen. Dezelfde dag nog werd het offensief tegen Narva ingezet. In de ochtend van 19 januari hadden de Esten en de Finnen Narva veroverd.The Utria Landing January 1919. Gearchiveerd op 3 juli 2023. Jaan Anvelt en Lev Trotski, de Volkscommissaris voor het Leger en Maritieme Aangelegenheden, die persoonlijk aanwezig was in Narva, ontsnapten ternauwernood aan gevangenneming.Tuomas Tepora en Aapo Roselius, The Finnish Civil War 1918: History, Memory, Legacy, Brill, Leiden, 2014, blz. 140.Finnish Volunteers in the Estonian War of Independence. Vanaf dat moment was de rivier Narva de noordelijke frontlijn.

Pantsertreinen speelden ook een belangrijke rol aan het zuidelijke front. Dankzij de inzet van een pantsertrein viel Tartu op 14 januari weer in Estische handen.Von Rauch, blz. 54. Op 31 januari 1919 werd bij Paju een slag uitgevochten tussen het Partizanenbataljon van Tartumaa en Finse vrijwilligers tegen de Letse Schutters. Daarna was ook Valga weer in Estische handen en was het Rode Leger geheel van Estisch grondgebied verdreven.

De oorlog ging nu verder in Noord-Letland. In februari werden Salacgrīva en Alūksne veroverd. In de tweede helft van februari begon het Rode Leger echter een nieuw offensief. Daartoe waren ca. 80.000 nieuwe rekruten gemobiliseerd. De nieuwe invasiemacht noemde zich het Estische Rode Leger, hoewel ze voor het overgrote deel uit Russen bestond.

Bij de rivier Narva wisten de Esten samen met het Noordwestelijke Witte Leger, waarmee ze een bondgenootschap waren aangegaan, de aanval van het Rode Leger af te slaan. In het zuiden boekte het Rode Leger aanvankelijk successen. Alūksne viel weer in hun handen, en zelfs een paar plaatsen in Zuid-Estland, zoals Vastseliina en Räpina.

Nadat versterkingen waren gearriveerd, viel de Estische Tweede Divisie opnieuw aan en werd het ‘Estische’ Rode Leger teruggedreven. Op 29 maart viel Petseri. Het Rode Leger trok zich terug achter de rivier Optjok, ten oosten van Petseri.

Inmiddels had Estland ook een Derde Divisie. Die vocht bij Võru en sloeg daar op 22 april onder het commando van generaal-majoor Ernst Põdder een aanval van het Estische Rode Leger af.

Bondgenootschappen thumb|Finse vrijwilligers komen in Tallinn aan Van 5 t/m 7 april 1919 werden verkiezingen gehouden voor de Estische Constituerende Assemblee, het eerste parlement, dat een grondwet moest opstellen. Op 23 april kwam het parlement voor het eerst bij elkaar en koos het de sociaaldemocraat August Rei tot voorzitter. De voorlopige regering werd vervangen door een definitieve onder Otto Strandman, ook een sociaaldemocraat. Op 4 juni nam het parlement een voorlopige grondwet aan en op 10 oktober een wet op de landhervorming, waarbij de Baltisch-Duitse grootgrondbezitters deels werden onteigend en grote delen van hun land werden verdeeld onder Esten. Estische militairen kwamen als eersten in aanmerking voor een stuk grond.Page, blz. 142.

Estland steunde de Witte legers die tegen het Rode Leger streden, en ook de Letten, die hun eigen onafhankelijkheidsoorlog voerden. Die verliep aanzienlijk minder voorspoedig dan de Estische. Estland stond toe dat Letten die voor het Rode Leger waren gevlucht een eigen Noord-Letse Brigade oprichtten onder leiding van Jorģis Zemitāns. Ze vochten mee aan het zuidelijke front. Ook Ingriërs mochten een eigen leger opzetten. Ze vochten aan de zijde van de Esten en een deel van hen nam deel aan de expeditie van Nikolaj Joedenitsj tegen Petrograd.Kari Alenius, ‘Ingrians in the Estonian War of Independence: Between Estonia, Russia and Finland’, Baltic Security & Defence Review, Vol 15, Issue 2 (2013), blz. 5-32. Op het internet hier te vinden.

De Finnen die samen met de Esten hadden gevochten, gingen in maart en april 1919 weer naar huis. Er waren 150 Finnen gesneuveld. Behalve Finnen vochten ook enkele tientallen Denen en Zweden met de Esten mee.

Operaties in Rusland thumb|De Estische bemanning van het oorlogsschip Vambola