thumb|De branderaanval op het Franse vlaggenschip Soleil Royal De zeeslagen van Barfleur en La Hougue waren twee, elkaar kort opvolgende zeeslagen in de Negenjarige Oorlog tussen enerzijds de geallieerde vloten van het koninkrijk Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en anderzijds het koninkrijk Frankrijk. De eerste slag vond op 29 mei 1692 (gregoriaanse kalender) plaats in de buurt van Barfleur. De graaf van Tourville trad bij Barfleur de Engels-Nederlandse vloot van 82 schepen tegemoet. Na een felle maar onbesliste strijd, waarbij vele schepen van beide vechtende partijen beschadigd raakten, staakte Tourville het gevecht. In lichte mist ontglipt, probeerde hij gedurende meerdere dagen de in aantal schepen superieure Engels-Nederlandse vloot te ontlopen. Meer gevechten volgden tussen 2 en 4 juni 1692 bij Cherbourg en Saint-Vaast-la-Hougue nabij het Normandische schiereiland Cotentin. Daarbij gingen zestien Franse linieschepen verloren. Het was de beslissende zeeslag in de Negenjarige Oorlog. De overwinning ging naar de Engelsen en de Nederlanders die geen linieschepen verloren.
Achtergronden Lodewijk de Veertiende zag de katholieke koning Jacobus II van Engeland als een mogelijke bondgenoot tegen Stadhouder Willem III. Het was voor hem dan ook een grote tegenvaller dat Willem III in 1688 tijdens de Glorieuze Revolutie Engeland veroverde en zichzelf tot koning van Engeland liet kronen. Willem beheerste nu de Engelse vloot en kon door leningen van Londense zakenlieden, wat in 1694 de basis zou leggen voor de Bank of England, zijn in 1689 uitgebroken oorlog tegen Lodewijk veel ruimer financieren. Er was Lodewijk dan ook veel aan gelegen de naar hem gevluchte Jacobus weer aan de macht te brengen op de Britse eilanden. Eerst probeerde hij dat via een invasie van Ierland, wat leidde tot de Williamitische Oorlog in Ierland. Oktober 1691 werd het Frans-Ierse leger beslissend verslagen en de restanten van Jacobus' leger, zo'n twintigduizend man katholieke Ieren inclusief familie, werden geëvacueerd naar Frankrijk.
Juli 1690 werd de Engels-Nederlandse vloot zware schade toegebracht in de Slag bij Beachy Head. Frankrijk beheerste voor korte tijd Het Kanaal. De Franse minister van marine, markies Louis Phélypeaux, zag mogelijkheden voor een invasie over zee van Engeland. Jacobus maakte zichzelf wijs dat de onvrede die in veel kringen was ontstaan over het beleid van Willem zich vertaald had in een roep om zijn terugkeer en veel zeekapiteins als het er op aankwam naar hem zouden overlopen. Lodewijk liet zich graag hiervan overtuigen en besloot een landing met troepen te ondersteunen.
Frankrijk had in de voorafgaande jaren veel geïnvesteerd in de vlootopbouw. Het had nu een marine die op papier sterker was dan de Engelse. Men had echter niet de bedoeling het aan te laten komen op een enorme zeeslag omdat de uitkomst daarvan onzeker was. De opzet was om vroeg in het vaarseizoen, in april, een zo groot mogelijke eigen vloot te verzamelen en daarmee toe te slaan voordat de Engelsen en Nederlanders hun zeemachten konden verenigen. Dat leek doenlijk omdat de Republiek, met zijn vijf admiraliteiten, altijd moeite had zijn vloot te concentreren. Het Franse plan kreeg echter meteen ernstige tegenslagen te verduren. Een groot deel van de Franse vloot, de Flotte du Levant, had zijn basis in de Middellandse Zee, in Toulon, onder bevel van viceadmiraal Victor-Marie d'Estrées. Die vertrok op 21 maart met een eskader van zestien schepen uit het totaal van vijfendertig dat in Toulon aanwezig was. Door tegenwind en stormen, waardoor twee schepen vergingen, lukte het op 18 april echter niet de Straat van Gibraltar uit te komen. Na reparaties in Malaga slaagde een tweede poging op 25 april. Pas op 29 mei bereikte hij Brest, de dag van de slag. Een eskader uit Rochefort, het grote marine-arsenaal aan de westkust, onder bevel van vice-admiraal Philippe de Villette-Mursay, was vertraagd. In Brest lag onder commando van viceadmiraal Anne-Hilarion de Tourville het grootste deel van de Atlantische vloot, de Flotte du Ponant, dat oostelijker op de kust, bij Saint-Vaast-la-Hougue, het expeditieleger moest inladen voor de overtocht. In Le Havre stond Franse cavalerie klaar om in te schepen.
Toen de Comte de Tourville op 4 mei uitvoer, was het hem niet gelukt al zijn schepen te bemannen. Twintig moest hij in Brest achterlaten onder bevel van lieutenant général des armées navales François Louis Rousselet de Châteaurenault, die in 1689 de landing in, en in 1691 de evacuatie uit Ierland verzorgd had. Zijn sterkte was daardoor beperkt tot slechts zevenendertig linieschepen. Pas op 12 mei vertrok hij van de rede van Berteaume bij Camaret-sur-Mer. De vertraging had als voordeel dat de Villette hem op 15 mei voor Plymouth kon inhalen met zeven schepen, waaronder L'Ambitieux, Le Courageux, La Couronne, Le Maure, Le Henry en Le Fort, wat zijn sterkte op vierenveertig bracht.
Intussen was het verrassingseffect reeds verloren gegaan. Het paraat maken van de Ierse troepen had de Engelsen al gealarmeerd maar eerst dacht men dat een verovering van de Kanaaleilanden op het program stond. Dat veranderde toen een Franse sloep met postberichten op de Goodwin Sands liep, de zandbank voor de kust van Kent. In de brieven werd een plan vermeld om in Engeland te landen. Dit werd bevestigd toen schout-bij-nacht Richard Carter, die de westelijke ingang van Het Kanaal bewaakt had, bij het escorteren van een troepentransport naar Guernsey door de Alderney Race voer, de zeestraat tussen Alderney en Cap de la Hague, de noordwestpunt van Cotentin. Hij maakte een Frans schip buit waarvan een opvarende bij een verhoor doorsloeg en de invasieplannen verried alsmede het interessante gegeven dat Jacobus zich in Normandië bevond.
Besloten werd de Engels-Nederlandse vloot te concentreren voor St Helens, op de oostelijke punt van het Isle of Wight en van daaruit de Franse slagvloot te overvallen voordat die een konvooi kon vormen met een troepentransport. Dat werd vereenvoudigd doordat men al sinds de winter voorbereidingen getroffen had voor een expeditie naar St- Malo. Als eerste arriveerde op 8 mei de viceadmiraal van het Rode Eskader, Ralph Delaval. Op 9 mei kwam Richard Carter aan. Eind april had de nieuwe bevelhebber van 's-lands vloot (de opperbevelhebber van de Nederlandse marine), luitenant-admiraal Philips van Almonde "de Texel" (dus het Marsdiep) verlaten met de vloten van de Admiraliteit van Amsterdam (waaronder viceadmiraal Gilles Schey) en de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Hij voer naar de Rede van Duins (The Downs) voor Kent. Admiraal van het Blauwe Eskader John Ashby vertrok van The Nore, de ankerplaats in de monding van de Theems, op 27 april. Fleet Admiral Edward Russell, de opperbevelhebber van de geallieerde vloot, vertrok op 29 april/9 mei en voer door de Gull Stream, het gevaarlijk nauwe kanaal tussen de Goodwin Sands en de kust, om zich zo snel mogelijk bij Van Almonde te voegen. Bij kaap Dungeness verenigden zij zich met de vloten van de Admiraliteit van de Maze en de Admiraliteit van Zeeland. Op 14 mei was de geallieerde vloot van zo'n tachtig linieschepen volledig geconcentreerd en was de Franse opzet dus compleet mislukt. Een kaper uit Guernsey, John Tupper, waarschuwde dat de Franse vloot eraan kwam waarna de geallieerde vloot naar het zuiden wegvoer.
Zeeslagen
De nadering In de vroege ochtend van 19/29 mei 1692 begon de Franse vloot van 44 linieschepen en 3240 stukken geschut, onder commando van Anne-Hilarion de Tourville, kaap Barfleur te ronden, de noordoostelijke punt van het schiereiland Cotentin. Het doel was nu zuidoostwaarts te varen ter voorbereiding van het transport van het invasieleger van twintigduizend Franco-Ierse troepen om de voormalige koning Jacobus II op de Engelse troon te herstellen. Hoewel Tourville het operationeel bevel over de vloot voerde, werden de strategische beslissingen genomen door Jacobus II, François d'Usson de Bonrepaus en Bernardin Gigault de Bellefonds. Lodewijk had aangegeven dat Jacobus de locatie van de landing mocht bepalen; gedacht werd aan het Isle of Portland. De Bonrepaus was de Intendant général des armées navales et de la marine en had voor dit geval de speciale commissie gekregen voldoende matrozen te ronselen. Dat dit mislukt was, zou Lodewijk hem niet vergeven en hij werd afgeschoven naar de diplomatieke dienst. De Bellefonds was lieutenant général des armées du roi en maréchal de France. Hij kreeg het bevel over de troepen.
Lodewijk liet De Tourville op 26 maart per bode duidelijke instructies toekomen. Hij moest hoe dan ook uiterlijk op 25 april uit Brest vertrekken. Niet bemande schepen moest hij maar voorlopig achterlaten en hij mocht niet wachten op versterkingen. Mocht hij onverhoopt meteen met een vijandelijke vloot geconfronteerd worden, moest hij die direct aanvallen, ongeacht de sterkte van die vloot. Het inschepen van troepen mocht gerekt worden als nieuwe schepen aankwamen maar direct daarna moest men weer zee kiezen. Als dan een vijandelijke vloot verscheen, was opnieuw een aanval de enige toegestane strategie, zelfs indien de vijand sterker was. Bij een nederlaag mocht hij zo goed als hij kon de troepen in veiligheid brengen. Het was op 19/29 mei evident niet gelukt dit tijdschema aan te houden en ondertussen was het Lodewijk duidelijk dat een grote wanverhouding in krachten geen mogelijkheid was maar zekerheid. Een bericht werd De Tourville gezonden met het bevel langs een veel sterkere geallieerde vloot te glippen en na inscheping gunstiger ontwikkelingen af te wachten, zoals een massaal overlopen van Jacobitische kapiteins en het arriveren van vierendertig versterkende schepen. Deze nieuwe orders zouden De Tourville echter niet op tijd bereiken.