thumb|Een ijzeren kruis uit het jaar 1813 Het IJzeren Kruis (Duits: Eisernes Kreuz) is een Duitse militaire onderscheiding van Pruisische oorsprong.
Achtergrond Het IJzeren Kruis werd op 10 maart 1813 door de Pruisische koning Frederik Willem III ingesteld. Het ontwerp van het IJzeren Kruis is, zo blijkt uit een potloodtekening "van Hoogstderzelven hand", van koning Frederik Willem III zelf. Oorspronkelijk werd de onderscheiding alleen aan Pruisische onderdanen verleend.Frank Wernitz: Das Eiserne Kreuz 1813–1870–1914. Geschichte und Bedeutung einer Auszeichnung. Kataloge des Bayerischen Armeemuseums Ingolstadt. Band 11. Verlag Militaria GmbH. Wien 2013. . S. 112.
Het IJzeren Kruis werd alleen in oorlogen met niet-Duitsers verleend. Het werd voor dat doel telkens vernieuwd, wat inhield dat de onderscheiding het monogram van de heersende Pruisische koning kreeg met daaronder het jaartal van de vernieuwing.
In de Eerste Duits-Deense Oorlog (1848-1851), de Tweede Duits-Deense Oorlog (1864) en de Duits-Oostenrijkse Oorlog, de zogeheten "brüderkrieg" van 1866, werden geen IJzeren Kruisen ingesteld. Verdienstelijke en dappere militairen werden daarom beloond met andere onderscheidingen zoals de kruisen "met de Zwaarden" van de Orde van de Rode Adelaar, de Kroonorde en de Huisorde van Hohenzollern.
De hoogste Pruisische onderscheiding voor dapperheid, de orde Pour le Mérite, werd daarentegen tijdens alle conflicten tussen 1813 en 1918 verleend.
Het zwarte lint met de twee smalle witte strepen langs de randen is geen lint dat specifiek bij het IJzeren Kruis hoorde. In Pruisen werden alle in de strijd en door oorlogsverdienste verworven militaire onderscheidingen, en ook de versierselen van ridderorden, aan dit lint gedragen. In 1939 koos Adolf Hitler voor een zwart-wit-rood lint.
In de jaren tot 1918 was het IJzeren Kruis een militaire onderscheiding. Toch werden ook personen die zich achter het front verdienstelijk hadden gemaakt met het IJzeren Kruis aan een wit lint met twee zwarte strepen gedecoreerd. Ook non-combattanten zoals verplegers en geestelijken aan het front kregen deze onderscheiding.
Vorm en herkomst Vorm en uiterlijk van de orde werden bewust gekozen aan de hand van het kruis van de Duitse Orde; een zwart kruis met de typische verbrede balken, zoals de Deutschritter al vanaf de 14e eeuw droegen. De koning ontwierp het kruis zelf. In tegenstelling tot veel van de andere militaire onderscheidingen in de wereld werd bewust afgezien van waardevolle materialen, wat het plichtsbesef van een militair moest weergeven. Het lint was tot 1918 zwart met twee witte strepen.
Gietijzer en sieraden van gietijzer waren in de eerste jaren van de 19e eeuw iets nieuws. In Pruisen hadden veel dames hun gouden en zilveren sieraden in 1813 verruild voor verfijnde ringen, colliers en broches van gietijzer, het "fer de Berlin". Het initiatief daartoe kwam van Marie Anne Amalie van Hessen-Homburg. Ook het IJzeren Kruis was van gietijzer, zij het met een bescheiden zilveren montuur rondom de ijzeren kern.
Ter gelegenheid van de 25e verjaardag van de overwinning op Frankrijk (1 september 1870) besloot Wilhelm II op 18 augustus 1895 dat een uit drie eikenbladeren bestaand zilveren blad (in werkelijkheid was het van wit metaal) met het jubileumnummer "25" mocht worden gedragen op het lint van het in 1870 toegekende IJzeren Kruis. Dit eikenloof was al eerder gebruikt op de versierselen van de orde Pour le Mérite en de Orde van de Rode Adelaar.
Hoewel Pruisen en Duitsland betrokken waren bij militaire conflicten in Oost-Azië en de opstanden in Duits-Zuidwest-Afrika, werd het IJzeren Kruis tot 1914 niet opnieuw toegekend. De tweede vernieuwing van het IJzeren Kruis vond plaats op 8 augustus 1914, tijdens de begindagen van de Eerste Wereldoorlog. De dragers van het IJzeren Kruis uit 1870 ontvingen, volgens een beschikking van 4 juni 1915, naast de zilveren eikenbladeren een zilveren gesp met een afbeelding van het IJzeren Kruis met het jaar 1914.
De laatste incarnatie van het IJzeren Kruis werd op 1 september 1939 gesticht, aan het begin van wat de Tweede Wereldoorlog zou worden.
Het grootkruis van het IJzeren Kruis was ongeveer tweemaal zo groot als de kruisen van de 2e en 1e klasse. Op de onderste kruisarm van het IJzeren Kruis werd altijd met reliëf de oprichtingsdatum (1813, 1870, 1914 en 1939) aangebracht. Het jaartal 1813 prijkt op kruisen van 1870 en 1914 op de bovenste arm. De initialen van koning Frederik Wilhelm III, FW, zijn te vinden op het middelste eikenblad. In 1870 en 1914 werden de monogrammen van Wilhelm I en Wilhelm II in het midden van het kruis, onder de gestileerde kroon van het Koninkrijk Pruisen die in de bovenbalk werd geplaatst, afgebeeld. Adolf Hitler plaatste daar een hakenkruis. De Pruisische koningskroon kwam uiteraard te vervallen en het jaartal 1813 verdween naar de keerzijde.
De vorm van het grootkruis werd in 1939 overgenomen voor de vier bij deze stichting behorende ridderkruisen. Qua formaat zaten deze ridderkruisen tussen het grootkruis en de kruisen van de 1e en de 2e klasse in.
De kruisen werden in de loop der eeuwen steeds "vetter". De armen, die in 1813 slank waren geweest, werden dikker. Toch werden ook in de Tweede Wereldoorlog nog IJzeren Kruisen in de zogeheten "Schinkelform" gefabriceerd.Nimmergut, No. 3822 en 3824
Draagwijze Het IJzeren Kruis werd ten tijde van de stichting gedragen in het tweede knoopsgat van de tuniek. Deze wijze van dragen raakte uit de mode en werd later alleen gezien bij speciale gelegenheden.
Aantal verleningen Grootkruis 1813/15 5 maal uitgereikt: aan Blücher, Bülow, kroonprins Karel Johan van Zweden, Tauentzien en aan Yorck von WartenburgAnsgar Reiß (Hrsg.), Frank Wernitz: Das Eiserne Kreuz 1813–1870–1914. Geschichte und Bedeutung einer Auszeichnung. Kataloge des Bayerischen Armeemuseums Ingolstadt. Band 11. Verlag Militaria GmbH. Wien 2013. . S. 166-167. 1870/71 8 maal uitgereikt: aan kroonprins Frederik van Pruisen, prins Karel van Pruisen, koning Albert van Saksen, Edwin von Manteuffel, Helmuth von Moltke, August von Goeben, August von Werder en aan groothertog Frederik Frans II van Mecklenburg-Schwerin 1914/18 4 maal uitgereikt: aan Von Hindenburg, von Mackensen, prins Leopold van Beieren en aan Ludendorff 1939/45 1 maal uitgereikt: aan rijksmaarschalk Göring Ridderkruis 1939/45 8.397 maal uitgereikt, daarbij inbegrepen de verschillende uitvoeringen met eikenloof en zwaarden. IJzeren Kruis 1e klasse 1813/15 668 maal uitgereikt 1870/71 1.302 maal uitgereiktVolgens opgave van de Verein für Deutsche Geschichte, zie Jörg Nimmergut: Deutsche Orden und Ehrenzeichen bis 1945, blz. 1043 1914/18 ca. 218 duizend maal uitgereikt 1939/45 ca. 300 duizend maal uitgereikt IJzeren Kruis 2e Klasse 1813/15 8.542 maal uitgereikt (plus ongeveer 7.000 kandidaten) plus 371 kruisen aan het wit-zwarte lint van de non-combattanten 1870/71 47.812 maal uitgereiktVolgens opgave van de Verein für Deutsche Geschichte, zie Jörg Nimmergut: Deutsche Orden und Ehrenzeichen bis 1945, blz. 1046, daarbij inbegrepen 4.084 kruisen aan het wit-zwarte lint 1914/18 Ongeveer 5.196.000 maal uitgereikt, waarvan 13.000 maal aan het witte lint van de non-combattanten 1939/45 ongeveer drie miljoen maal uitgereikt
1813
thumb|Monument op de Kreuzberg thumb|Blücher met grootkruis en Blücherster In december 1813 verleende de Pruisische koning aan duizenden Russische gardisten, overlevenden van de Slag bij Kulm, het zogenaamde Kruis van Kulm dat sterk op het latere IJzeren Kruis leek.
Het IJzeren Kruis werd als onderscheiding in de oorlog tegen Napoleon toegekend zonder onderscheid te maken in rang en stand. In 1815 werd vastgesteld dat de onderscheiding ook aan bondgenoten van Pruisen mocht worden verleend.
De Pruisische generaal-veldmaarschalk Blücher ontving na de slag bij Waterloo, die dankzij zijn ingrijpen door de geallieerden werd gewonnen, een IJzeren Kruis op een gouden ster. Men noemt deze onderscheiding, die alleen hem ten deel viel, daarom de Blücherster.
De vorm van het nieuwe ereteken was symbolisch. De Pruisische koning haakte aan bij de middeleeuwse Duitse Orde. De ridders van die orde droegen een zwart kruis met breed uitlopende armen op een witte mantel. Zo werd het zegeteken uit de Duitse bevrijdingsoorlog in de traditie van de kruistochten en de Duitse gotiek geplaatst. Het herrijzende Duitsland van de vroege romantiek idealiseerde de Middeleeuwen en de gotiek, die als een puur "Duits" cultuurgoed werd beschouwd. Het werd afgezet tegen het "Latijnse", en dus ook Franse, classicisme.
Om de naaste bondgenoten van Pruisen, het Slavische Rusland, niet te bruuskeren werd de focus van de symboliek rond het IJzeren Kruis op de indertijd mateloos populaire koningin Louise, de in 1810 gestorven vrouw van Frederik Willem III, gelegd. Na haar dood werd zij in de propaganda van de Pruisische regering geroemd als de ideale vorstin, vrouw en liefhebbende moeder, gepresenteerd als "Pruisische Madonna" en martelaar.
Op wat haar 37e verjaardag zou zijn geweest, 10 maart 1813, werd zij postuum met het eerste IJzeren Kruis gedecoreerd. De bladeren op het IJzeren Kruis verwijzen naar haar en haar kinderen. Frederik Wilhelm hechtte groot belang aan de propaganda rond zijn overleden vrouw en bekritiseerde hofprediker Rulemann Friedrich Eylert (1770 1852), die in zijn preek in de Potsdamse Garnizoenskerk te weinig aandacht aan haar en haar symbolische verbinding met het IJzeren Kruis had besteed.
De naam van de na 1821 door Schinkel ontworpen en gebouwde Berlijnse wijk Kreuzberg verwijst naar het IJzeren Kruis, in de plattegrond van deze wijk vindt men de vorm van een kruis terug. Op een hoge heuvel buiten Kreuzberg is een neogotisch monument van gietijzer opgericht. In de decoratie van dit bouwwerk speelt het IJzeren Kruis een prominente rol.
Hoewel Frederik Willem III ten tijde van de stichting van de Orde expliciet had vastgesteld dat het om een onderscheiding in een bevrijdingsoorlog ging, werd ook in de twee latere oorlogen tegen Frankrijk een IJzeren Kruis ingesteld.
De 1e klasse, het Ridderkruis en het Grootkruis werden altijd in de oorspronkelijke uit 1813 stammende vorm op de linkerborst of om de hals gedragen.
Het Duitse Keizerrijk, dat in 1871 werd gesticht, was een federatieve staat. De keizer was de "eerste onder de bondsvorsten". Deze vorsten en de regeringen van de drie hanzesteden hadden het recht hun eigen orden en eretekens in te stellen. De onderdanen van de andere Duitse landen droegen soms de hoge onderscheidingen voor moed die zij van hun eigen "landesherr" hadden gekregen vóór of boven het IJzeren Kruis van de Pruisische koning. Meestal kreeg het IJzeren Kruis echter voorrang op alle andere onderscheidingen.
IJzeren onderscheidingen hebben weinig navolging gevonden. Er zijn een paar ijzeren medailles geslagen en Hessen-Kassel kwam in 1813 met de door het Pruisische IJzeren Kruis geïnspireerde Orde van de IJzeren Helm. In 1830 stichtten de muitende Belgen een eigen IJzeren Kruis, dat weliswaar van gietijzer was, maar verder niet op de Pruisische variant leek.
IJzeren Kruis van 1813 100px 100px 100px 200px 180px Kulmer Kruis Grootkruis Blücherster
1870
Aan het begin van de Frans-Duitse Oorlog in 1870 werd het kruis door de Pruisische koning Wilhelm I heringevoerd, maar dat besluit gold slechts tot het einde van de oorlog.
In de Frans-Duitse oorlog bestond een speciale uitvoering voor verpleegsters. Dit Kruis van Verdienste voor Vrouwen en Maagden (Duits: Ehrenkreuz für Frauen und Jungfrauen) was een apart ereteken dat in vorm gelijk was aan het IJzeren Kruis. Anders dan het IJzeren Kruis, dat uiteraard van gietijzer is, was deze onderscheiding van zilver met een opgelegd rood kruis. Het werd gedragen aan een wit lint met twee smalle zwarte strepen, het spiegelbeeld van het door de soldaten aan het front gedragen lint. Dit gebruik werd in Pruisen vaker gezien.