thumb|Een skeletmodel van Mymoorapelta; de schedel is een afgietsel van Gargoyleosaurus Mymoorapelta maysi is een plantenetende ornithischische dinosauriër, behorend tot de Ankylosauria, die tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Vondst en naamgeving In maart 1981 ontdekten Peter en Marilyn Mygatt samen met John D. en Vanetta Moore tijdens een trektocht in de woestijn van West-Colorado in Mesa County nabij de grens met Utah een locatie waar op honderdvijftig vierkante meter talrijke dinosauriërbotten uit de grond staken, een concentratie die verklaard is door het opdrogen van een modderpoel. Ze meldden deze ontdekking aan Lance Erikson, een paleontoloog van het Museum of Western Colorado. In 1982 begonnen de eerste opgravingen in wat de Mygatt-Moore Quarry genoemd werd. Daarbij kwamen beenderen van Apatosaurus, Camarasaurus en Allosaurus aan het licht. De vindplaats ligt op staatsgrond en in die tijd was het nog niet zo gebruikelijk dat particuliere instellingen met staatsinstituties samenwerkten bij paleontologische opgravingen. Om dit beter te regelen werd een bestuursovereenkomst gesloten, de eerste van zijn soort in de Verenigde Staten van Amerika, tussen het museum en het Bureau of Land Management waarbij het gebied tot de Rabbit Valley Research Natural Area benoemd werd. De eerste vondsten waren niet zo spectaculair geweest en het belang van het gebied zag men vooral in het aanleggen van een educatieve route, de Trail through Time. Dat veranderde eind jaren tachtig toen de opgravingen hervat werden onder Harley Armstrong en de door de Dinamation International Society gefinancierde James Kirkland. In die periode werd een ankylosauriërskelet aangetroffen van een nog onbekende soort. De resten ervan werden geprepareerd door Harold Bollan.

In 1994 benoemden en beschreven Kirkland en Kenneth Carpenter de typesoort Mymoorapelta maysi. De geslachtsnaam verbindt de eerste stukken van de achternamen van de oorspronkelijke ontdekkers met een Oudgrieks πέλτη, peltè, "klein schild", een gebruikelijk element in de namen van de gepantserde ankylosauriërs. De soortaanduiding eert Chris Mays, de directeur van de Dinamation International Corporation die onder andere dinosauriërrobotten bouwde en via de DIS onderzoek financieel ondersteunde.

Het holotype, MWC 1815, is gevonden in een laag van de middelste Brushy Basin Member, een afzetting van de Morrisonformatie die dateert uit het Kimmeridgien. Het bestaat uit een volledig linkerdarmbeen, met daarop nog de bijtsporen van een allosaurus. De paratypen zijn de specimina MWC 1800-1803: vier ruggenwervels; MWC 1804-1808, 1839a: zeven staartwervels; MWC 1809-1813, 1840: ribben; MWC 1814: een rechterellepijp; MWC 1816: een derde of vierde middenhandsbeen; MWC 1817: een teenkootje; MWC 939: een klauw, vermoedelijk van de voet; MWC 1818: een kiel van een halsberg; MWC 1819-1824, 2677, 2678: acht vermoedelijke staartstekels; MWC 1825: een stekel; MWC 1826-1830: vijf ovale osteodermen; MWC 1831: een brede osteoderm; MWC 1832-1833: twee rechthoekige platen; MWC 1834: een grote beenplaat; MWC 1835-1837: drie grote asymmetrische osteodermen; en MWC 1838: een groot heupschild. Al deze elementen zijn vermoedelijk afkomstig van één individu en waren verspreid over een oppervlakte van twintig vierkante meter. Daarnaast werd nog één ei van tien centimeter lengte aangetroffen waarvan men vermoedde dat het van dit individu afkomstig was, wellicht uitgedreven tijdens het stervensproces. Behalve het holotype zijn er verschillende andere elementen die beschadigd zijn door aaseters, vermoedelijk opnieuw Allosaurus. Van wervels zijn soms de doornuitsteeksels en zijuitsteeksels afgebeten. Ondanks deze schade was het holotype in 1994 het meest volledige bekende ankylosauriërskelet uit het Jura met mogelijke uitzondering van Tianchisaurus. Daarnaast was het de eerste benoemde Jurassische ankylosauriërsoort uit Noord-Amerika. Het was ook het kleinste bekende viervoetige dinosauriërskelet uit de hele Morrisonformatie. Desalniettemin gaat het vermoedelijk om een volwassen exemplaar.

In 1998 werd een jukbeen aan de soort toegewezen, specimen MWC 2843, afkomstig uit de oorspronkelijke groeve en het eerste daar gevonden schedelelement van de soort. Verder is in 1998 nog een halswervel gemeld. Daarnaast is een gedeeltelijk in verband liggend skelet toegewezen, specimen MWC 2610, gevonden in de nabijgelegen Hups Cactus Park Quarry, in een laag die misschien iets jonger is. Dit skelet was in 1998 nog niet volledig geprepareerd maar verschafte al belangrijke informatie over de structuur van het romppantser. In 2015 werd gemeld dat het aantal gevonden individuen was opgelopen tot acht na de vondst van een skelet in de zomer van 2014.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken De beschrijvers leidden in 1994 uit de lengte van het darmbeen van het holotype, 495 millimeter, een lichaamslengte van 2,7 meter af. Gregory S. Paul schatte in 2010 het gewicht op driehonderd kilogram. Specimen MWC 2610 werd in 1998 beschreven als iets groter dan het holotype en ongeveer drie meter lang. Mymoorapelta is daarmee een van de kleinere ankylosauriërs, samen met Gargoyleosaurus, Minmi, Tianchisaurus en Dracopelta.

Carpenter en Kirkland stelden in 1994 een diagnose op. Hierin beklemtoonden zij, geïnspireerd door de hoge ouderdom van de vondst, het basale karakter van de soort en gaven allerlei kenmerken waarin zij dichter bij de Stegosauria staat, de zustergroep waarvan de Ankylosauria zich hebben afgesplitst. De ruggenwervels hebben cilindervormige wervellichamen die niet overdwars afgeplat zijn zoals bij de meeste latere vormen. Tussen de voorste gewrichtsuitsteeksels van de ruggenwervels bevindt zich een driehoekige uitholling. De zijuitsteeksels van de ruggenwervels zijn niet sterk omhoog gericht; een zeer basaal kenmerk want zelfs bij stegosauriërs is dat wel het geval. De voorste staartwervels hebben kleine voorste gewrichtsuitsteeksels die van voor naar achteren verlengd zijn, ver uit elkaar staan en naar voren uitwaaieren, anders dan de nauw evenwijdige lopende uitsteeksels van andere soorten. De ribben hebben een driehoekige doorsnede terwijl die bij andere ankylosauriërs T-vormig of L-vormig is. Bij de ellepijp is de processus olecrani, het uitsteeksel van de bovenste achterkant, breed en massief gebouwd, niet overdwars afgeplat zoals bij sommige verwanten. Het voorblad van het darmbeen buigt naar bezijden en beneden, niet slechts horizontaal zoals bij andere ankylosauriërs. Het steekt daarbij ver naar beneden uit, tweemaal verder dan het aanhangsel voor het schaambeen. Beide voorbladen wijken naar voren toe niet uiteen. Het heupgewricht is gedeeltelijk gesloten in plaats van bijna helemaal. Bij het heupgewricht ontbreekt de antitrochanter, de overkappende richel aan de buitenste bovenkant, anders dan bij stegosauriërs. De kiel van de halsbergsegmenten heeft een groeve die van de basis helemaal tot aan de punt loopt, niet over driekwart van de lengte zoals bij Polacanthus. De driehoekige stekels van de staart zijn zeer lang met een basis die korter is dan de hoogte.

Op grond van de informatie verkregen door het bestuderen van specimen MWC 2610 werd de diagnose in 1998 met twee kenmerken aangevuld. De lendenwervels hebben doornuitsteeksels waarlangs aan beide zijden verbeende pezen lopen. Er is een vergroeid heupschild aanwezig opgebouwd uit meer langgerekte beenschubben die in de lengterichting liggen.

Skelet Het jukbeen draagt een spitse wanghoorn die gebogen ver naar beneden loopt zoals bij ankylosauriden. De hoorn bedekt vrijwel de hele achterzijde van het jukbeen en is van de oogkas gescheiden door een ondiepe groeve.

Bij de later gevonden achterste halswervel is het achterste facet breder dan hoog en hartvormig. Het wervellichaam is kort, ongeveer even lang als breed. Het ruggenmergkanaal is rond en het doornuitsteeksel kort en dik. Een druppelvormige uitholling is aanwezig tussen de achterste gewrichtsuitsteeksels.

De enig bewaarde voorste ruggenwervel van het holotype heeft geen uitsteeksels onder het ruggenmergkanaal. Het wervellichaam is langgerekt waarbij de lengte 123% bedraagt van de achterste hoogte. Het achterste facet is cirkelvormig, alsmede het ruggenmergkanaal. Beide zijn basale kenmerken. Tussen de voorste gewrichtsuitsteeksels bevindt zich een driehoekige uitholling die door richels gescheiden wordt van evenwijdig verticaal lopende groeven aan beide zijden. De zijuitsteeksels steken maar onder een hoek van 20° omhoog, minder dan bij enige andere bekende ankylosauriër. Bij de middelste ruggenwervels raken de achterste gewrichtsuitsteeksels elkaar niet met hun bases maar zijn daar gescheiden door een groeve. Ze steken voor de helft uit over de achterliggende wervel. Van een andere wervel wordt vermoed dat die van de achterste rug is. Hier is het ruggenmergkanaal wat hoger en bevindt zich een zwakke kiel op de onderkant. De wervelboog van deze wervel is schuin naar voren gericht zodanig dat er de voorste gewrichtsuitsteeksels over de rand van de voorgaande wervel reiken terwijl de achterste uitsteeksels niet verder komen dan de rand van het facet.

Bij de wervels van de staartbasis zijn de centra wat wigvormig en ligt het achterste facet lager dan het voorste zodat de hele staart hier wat naar beneden kromt. Hier bevindt zich wel een verheffing bij de achterste uitgang van het ronde ruggenmergkanaal. De eerste drie wervels zijn zwak gekield en hebben lange zijuitsteeksels met een afgeplatte smalle basis die zijwaarts en naar beneden gericht zijn. De achterste gewrichtsuitsteeksels staan wijd uiteen onder een hoek van 60°, opnieuw een basaal kenmerk. De doornuitsteeksels zijn bovenaan gezwollen met een in bovenaanzicht ronde bovenkant. De middelste en achterste staartwervels zijn relatief lang. Er is achteraan een zekere verlenging van de nu wel evenwijdige lopende gewrichtsuitsteeksels, waarvan de achterste uiteindelijk versmelten, maar niet zo sterk dat van een verstijfde hendel van een staartknots kan worden gesproken die dan ook niet is aangetroffen. De staart versmalt naar achteren toe ook niet snel. De chevrons lopen hier evenwijdig aan de staart waarbij hun voorste uitsteeksels langer zijn dan de achterste zodanig dat een doorlopende beenbrug aan de onderkant wordt gevormd. Specimen MWC 2610 omvat voorliggende staartwervels waarvan de chevrons eerst naar achteren lopen om uiteindelijk naar beneden te buigen. Bij dit exemplaar is ook te zien dat de laatste drie of vier staartwervels helemaal met elkaar en met hun chevrons vergroeid zijn.

Doordat ze verbonden zijn aan niet zo omhoog stekende zijuitsteeksels van de wervels, stonden de ribben bij Mymoorapelta niet zo zijwaarts uit als bij andere ankylosauriërs en was de romp daardoor smaller. Ze zijn daarom ook minder gekromd omdat ze geen enorme bocht hoefden te maken teneinde onder het lichaam uit te komen. Doordat de binnengroeve van de rib minder diep is, hebben de ribben, uniek in de Ankylosauria, een driehoekige in plaats van L-vormige doorsnede. Specimen MWC 1840 is opvallend korter, rechter en wijder en werd vermoed een sacrale rib te zijn die tussen het heiligbeen en het darmbeen liep.

De ellepijp, 197,1 millimeter lang, is recht, onderaan opvallend smal maar bovenaan breed. De processus coronoides, het scherpe uitsteeksel aan de voorkant, ligt op een derde van de schachtlengte van de bovenkant, een relatief lage positie.