Van het Hongaarse werkwoord staat in het woordenboek de stam opgenomen. De stam van het werkwoord komt gewoonlijk overeen met de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd. Deze stam wordt gewoonlijk gebruikt in alle werkwoordstijden en wijzen. Een veel voorkomende bijzonderheid vormen de -ik werkwoorden, waar de uitgang -ik achter de stam staat. Bij onregelmatige werkwoorden kunnen er meer stammen zijn, zoals voor andere tijden en wijzen.

De vervoeging van de werkwoorden vindt plaats door uitgangen voor de personen. De persoonlijke voornaamwoorden (én = ik, te = jij, ő = hij/zij, maga/ön = U, mi = wij, ti = jullie, ők = zij, maguk/önök = U) worden in het Hongaars weinig gebruikt omdat de uitgang al duidelijk maakt over welke persoon het gaat. Het grammaticaal geslacht wordt daarbij niet aangegeven.

De meeste uitgangen zijn er in twee of drie harmonische vormen, waaruit dan een keuze gemaakt moet worden op grond van de regels van de klinkerharmonie. De keuze is daarbij afhankelijk van de (laatste) klinker in de stam van het werkwoord.

Er zijn twee reeksen van uitgangen, waaruit gekozen moet worden, afhankelijk van de aard van het lijdend voorwerp. Bij een afwezig lijdend voorwerp en bij onovergankelijke werkwoorden wordt de onbepaalde vervoeging gebruikt. Bij een bepaald lijdend voorwerp wordt de bepaalde vervoeging gebruikt.

Vervoeging Achter de stam van het werkwoord kunnen verschillende zaken worden toegevoegd. Het geheel van toevoegingen geeft verschillende zaken tegelijk weer, zoals wijs, werkwoordtijd, persoonsuitgang en de aard (bepaaldheid) van het lijdend voorwerp en is verder afhankelijk van de klinkers in de stam van het werkwoord.

Met een "teken" (zoals -t, -na, -j) worden de werkwoordstijden en de wijzen aangegeven. Bij de indicatief of aantonende wijs ontbreekt een teken bij de tegenwoordige tijd, maar bij de verleden tijd is het teken -t of -ott/-ett/-ött. Er worden drie regelmatige groepen onderscheiden. Bij de voorwaardelijke wijs is het teken -ná/-né en bij de aansporende (gebiedende) wijs is het teken -j.

Andere tijden en wijzen worden niet met een teken, maar anders aangegeven: zoals voor de toekomende tijd wordt het hulpwerkwoord fog (zullen) of het bijwoord majd (dan) gebruikt en voor de verleden tijd van de voorwaardelijke wijs wordt het woord volna (zou zijn) achter de verleden tijd geplaatst.

Met de "persoonsuitgang" wordt aangegeven de persoon (de 1, 2 of 3 persoon) en het getal (enkelvoud: ik, jij, hij/zij of meervoud: wij, jullie, zij) en de aard van het lijdend voorwerp. De keuze van de "persoonsuitgang" is daarbij vaak afhankelijk van de regels van de klinkerharmonie.

Klinkerharmonie Bij de werkwoordvervoeging speelt de klinkerharmonie een grote rol. Dat houdt in dat de tekens en de uitgangen moeten worden gekozen op grond van de klinker in de stam van het (enkelvoudige) werkwoord. Er worden twee of drie groepen van klinkers onderscheiden: Klinkercategorieën en klinkerharmonie Bij het gebruik van tekens en uitgangen worden achter- en voorklinkers onderscheiden; de voorklinkers kunnen weer gesplitst worden op grond van lipronding.1. achterklinkers (lage klinkers):  ↓ kort: a, o, u, lang: á, ó, ú2. voorklinkers (hoge klinkers)2a. zonder lipronding: ("neutrale" klinkers) kort: e, i, lang: é, í2b. met lipronding: kort: ö, ü, lang: ő, ű

Bij de vervoeging van werkwoorden worden de volgende typen tekens en uitgangen onderscheiden : niet-harmonisch, dat wil zeggen dat er slechts een vorm is van de uitgang. Voorbeelden: -ik bij de zogenaamde "ik-werkwoorden".

twee-harmonisch, dat wil zeggen dat er twee vormen zijn van de uitgang of het teken. Voorbeelden: het teken voor de voorwaardelijke wijs is -ná, -né.

drie-harmonisch, dat wil zeggen dat er drie vormen zijn van de uitgang of het teken. Voorbeelden: de persoons-uitgang voor de 1 persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: -ok/-ek/-ök; het teken voor de verleden tijd is in veel gevallen -ott, -ett of -ött (maar vaak is het slechts één vorm: -t). Op het teken voor de verleden tijd volgt gewoonlijk nog een persoonsuitgang.

Bepaaldheid van de vervoeging BepaaldheidWerkwoordvervoegingen zijn mede afhankelijk van de aard van het lijdend voorwerp. Alle tijden en wijzen zijn er in twee vormen:I. de onbepaalde vervoeging:  als er geen lijdend voorwerp is, of als er een 'onbepaald' lijdend voorwerp is.II. de bepaalde vervoeging:  als er een 'bepaald' lijdend voorwerp is.

Er zijn voor alle tijden en wijzen twee belangrijke typen werkwoordvervoegingen die afhangt van de bepaaldheid van het lijdend voorwerp. De vervoeging van het werkwoord (de werkwoordsvorm) is mede afhankelijk van de aard van het lijdend voorwerp. Er wordt onderscheid gemaakt tussen "onbepaalde" werkwoordvervoeging en "bepaalde" werkwoordvervoeging.

Onbepaalde vervoeging De subjectieve, eerste of onbepaalde vervoeging bij onovergankelijke werkwoorden of bij afwezigheid van een lijdend voorwerp of bij een onbepaald lijdend voorwerp. Een lijdend voorwerp wordt onbepaald genoemd onder andere als deze wordt voorafgegaan door een telwoord of een onbepaald lidwoord of als het ontbreekt.

De onbepaalde, eerste of subjectieve vervoeging wordt gebruikt als er geen lijdend voorwerp is, als het werkwoord onovergankelijk is, of als het lijdend voorwerp onbepaald is. Het lijdend voorwerp is "onbepaald" als het in de eerste of tweede persoon is ("mij" of "jou"), als het geen bezitsaanduiding heeft, als er geen aanwijzend voornaamwoord voor staat, en als er geen impliciete verwijzing is naar een al eerder genoemd lijdend voorwerp.

Bepaalde vervoeging De bepaalde, tweede of objectieve vervoeging wordt gebruikt als het lijdend voorwerp bepaald is; het is dan specifiek en (soms impliciet) duidelijk waarover het gaat.

Voorbeeld van een impliciet bepaald lijdend voorwerp: azt nem értem! = ik begrijp dat niet! Het is niet nodig azt = dat te zeggen, omdat uit het zinsverband het wel duidelijk wordt waarover het gaat. Het lijdend voorwerp is ook "bepaald" als er een bepaald lidwoord voor staat (a, az = de, het), als er een aanwijzend voornaamwoord staat voor het lijdend voorwerp (ezt = dit/deze, azt = dat/die, ezeket = deze, azokat = die), als er een bezitsuitgang achter het lijdend voorwerp staat (mijn, jouw, ...), als het het lijdend voorwerp al eerder ter sprake is geweest en het bekend wordt verondersteld, als het lijdend voorwerp een 3de persoon betreft (őt = hem, haar, Önt = u, őket = hen, ...), als het lijdend voorwerp gaat om een eigennaam, zoals van een persoon of plaats (Pétert, Budapestet), en als er verwezen wordt naar iets/iemand die al eerder genoemd is.

Derde type vervoeging Een aparte veelvoorkomende derde type vervoeging bestaat er bij de 1ste persoon enkelvoud (ik) als het lijdend voorwerp 2de persoon (téged = jou - wordt niet genoemd!, benneteket = jullie) is. Voorbeeld: Szeretlek = Ik houd van jou; Látlak beneteket = Ik zie jullie. Vergelijk látok = ik zie met een onbepaald lijdend voorwerp; látom = ik zie (→ hem/haar/het) met een bepaald lijdend voorwerp.

De derde vervoeging komt voor bij de gecombineerde persoon: eerste persoon inclusief (spreker, 1 persoon enkelvoud) met aangesprokene (2 persoon enkelvoud of meervoud, 4 naamval).

Tijden en wijzen Overzicht Werkwoordstijden en wijzenDe volgende enkelvoudige tijden en wijzen komen voor in het Hongaars: tegenwoordige tijd van de aantonende wijs. verleden tijd van de aantonende wijs. aansporende = gebiedende wijs. voorwaardelijke = aanvoegende wijs. In het Hongaars zijn er drie wijzen: de aantonende wijs of indicatie, de aanvoegende of voorwaardelijke wijs en de aansporende of gebiedende wijs. Alleen de aantonende wijs kent twee werkwoordstijden: een tegenwoordige en een verleden tijd.

De werkwoordvervoeging is in schema: stam van het werkwoord + teken + persoonsuitgang. De stam van het werkwoord is de vorm die gevonden wordt in het woordenboek: 3 persoon enkelvoud (zonder de eventuele -ik uitgang). Het teken geeft de tijd en de wijs aan. De persoonsuitgang geeft de persoon, het getal en de aard van het lijdend voorwerp aan.

De belangrijkste wijs is de aantonende wijs (kijelentő mód), die voorkomt in 2 tijden: de tegenwoordige tijd (jelen idő) en de verleden tijd (múlt idő), de -t is het teken voor de verleden tijd en staat voor de uitgangen, in sommige gevallen is het -ott/-ett/-ött.

De voorwaardelijke wijs (feltételes mód) wordt onder andere gebruikt voor (zeer) beleefde verzoeken.

De gebiedende/aansporende wijs (parancsoló mód, felszólító mód) in de tegenwoordige tijd kan gebruikt worden voor alle personen, bijvoorbeeld írjak? = zal/moet ik schrijven?, írj(ál) = schrijf, írjunk = laten we schrijven. +Enkele voorbeelden met het werkwoord vár = wachten "persoonsvorm" : "werkwoordstam + "teken" + "persoonsuitgang" várok : vár + -ok ik wacht vártam : vár + -t + -am ik wachtte várnám : vár + -ná + -m ik zou wachten várj! várjál! : vár + -j + -(ál) wacht! +wijs of tijd:

tegenwoordige tijd verleden wijs voorwaardelijke wijs aansporende wijs

De verleden tijd van de voorwaardelijke wijs (irrealis van het verleden) wordt gevormd met de verleden tijd plus het hulpwoord volna. Voorbeeld: írtam volna = ik zou geschreven hebben.

Er is geen aparte toekomende tijd. De toekomst wordt met een hulpwerkwoord (fog = zullen) aangegeven, maar daarvoor wordt ook een bijwoord gebruikt: majd = dan. Ook worden wel werkwoorden gebruikt die een beweging aangeven zoals jön = komen; megy = gaan gebruikt, bijvoorbeeld: megyek vásárolni = ik ga boodschappen doen, jövünk takarítani = wij komen schoonmaken.

Voltooide tijden ontbreken. Voltooide handelingen uit het verleden kunnen worden aangegeven met voorvoegsels als meg- of el- voor de werkwoorden, of de verleden tijd wordt gebruikt.Voorbeeld: csinált = hij maakte ↔ megcsinálta = hij heeft het gemaakt; olvasta = hij las het ↔ elolvasta = hij heeft het (uit)gelezen.

+ Vereenvoudigd schema van wijzen en tijdenwijs    mód →aantonende wijskijelentő módvoorwaardelijke wijsaanvoegende wijsfeltételes módgebiedende wijsparancsoló mód =aansporende wijsfelszólító módtijd    idő →tegenwoordige tijdjelen időverleden tijdmúlt időteken jel →ø-t; -ott/-ett/-ött-ná/-né-j  1.  2.  3. 11. 22. 33. ik jij hij/zij, U wij jullie zij, U (mv.) (én) (te) (ő), Ön, Maga (mi) (ti) (ők), Önök, Maguk -ok/-ek/-ök -om/-em/-öm -sz, -ol/-el/-öl -od/-ed/-öd ø -ja/-i -unk/-ünk -juk/-jük -tok/-tek/-tök -játok/-itek -nak/-nek -ják/-ik -tam/-tem -tam/-tem -tál/-tél -tod/-ted -ott/-ett/-ött -ta/-te -tunk/-tünk -tuk/-tük -tatok/-tetek -tátok/-tétek -tak/-tek -ták/-ték -nék -ném -nál/-nél -nád/-néd -na/-ne -ná/-né -nánk/-nénk -nátok/-nétek -nának/-nének -nák/-nék -jak/-jek -jam/-jem -j(ál)/-j(él) -jod/-jed -jon/-jen/-jön -ja/-je -junk/-jünk -juk/-jük -jatok/-jetek -játok/-jétek -janak/-jenek -ják/-jék 1→2ik→jou/jullie(én→téged)/titeket-lak/-lek-talak/-telek-nálak/-nélek-jalak/-jelek

Tegenwoordige tijd Tegenwoordige tijdAfhankelijk van de werkwoordstam worden er naast de standaard regelmatige vervoeging nog drie regelmatig vervoegde groepen van werkwoorden onderscheiden: hoofdgroep met de regelmatige vervoeging. stam krijgt -ik in de 3 persoon: de ik-werkwoorden. stam eindigt op een sisklank (-s, -sz, -z). stam eindigt op twee medeklinkers of . De tegenwoordige tijd wordt gebruikt voor gebeurtenissen en handelingen die in het heden van de spreker plaatsvinden. Voorbeeld: Olvasok.=Ik lees.Daarnaast wordt de tegenwoordige tijd wel gebruikt voor de toekomst met behulp van het bijwoord majd=dan. Voorbeeld: Majd megyek.=Ik zal gaan, letterlijk: Dan ik ga.

Er is een standaard werkwoordvervoeging voor de tegenwoordige tijd en drie regelmatige varianten op grond van het eind van de stam: de werkwoorden waarvan de stam eindigt op een sisklank (sibilant) (voorbeelden: olvas = lezen, néz = kijken),