Marie-José Van Hee (Gent, 21 mei 1950) is een Belgisch architecte, meubelontwerpster en docente. In 2017 ontving ze de prestigieuze British International Fellowship van het Royal Institute of British Architects (RIBA) voor haar bijdragen aan de architectuur.
Biografie Marie-José Van Hee groeide op in Bachte-Maria-Leerne, een deelgemeente van Deinze, Oost-Vlaanderen.
Studies en loopbaan Van Hee studeerde architectuur aan het Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas in Gent. Ze maakt deel uit van de zogenaamde 'Generatie van 1974', een groep architecten die in 1974 afstudeerden aan het Architectuurinstituut Sint-Lucas en een ontwerpattitude ontwikkelden die gekenmerkt wordt door een focus op de autonome logica van architectuur en de relatie met kunst en ambachtelijkheid. Naast Van Hee behoren onder meer Paul Robbrecht, Marc Dubois, Jan Maenhout, Luc Devos, Francis Glorieux en Martin Herman tot de Generatie van 1974. Van Hee wordt voorts met Robbrecht & Daem, Marc Dubois en Christian Kieckens tot de Silencieux gerekend, een groep van vijf Gentse architecten die na hun afstuderen in de jaren zeventig reageerden op de falende sociale idealen van de jaren zestig door hun ontwerptechniek te verfijnen richting een meer introspectieve ervaring van het architecturaal ontwerp.
Tussen 1976 en 1986 werkte Van Hee op freelance basis voor het multidisciplinair consultancy bureau Groep Planning in Brugge. Ze was hier onder meer betrokken bij de verbouwing van het Concert Noble in Brussel. Van 1986 tot 1990 werkte ze met Johan Van Dessel samen onder de naam V.D.V.H. In 1990 richtte ze haar eigen architectenbureau Marie-José Van Hee Architecten op in Gent. Sinds de oprichting van Marie-José Van Hee Architecten heeft het bureau verschillende malen nauw samengewerkt met Robbrecht & Daem, met wie Van Hee een kantoor deelt in de Lieremanstraat in Gent. De Stadshal op het Emile Braunplein in Gent geldt als een belangrijk voorbeeld van de samenwerking tussen de drie architecten.
Van 1991 tot 2015 was Marie-José Van Hee als docent verbonden aan de afdeling Architectuur van het Sint-Lucas Instituut in Gent. Van 2016 tot 2017 gaf Van Hee les als gastdocent aan ETH Zürich en tussen 2016 en 2019 was de architecte verbonden aan de Sir John Cass Faculty of Architecture aan London Metropolitan University als external examiner.
Dertig jaar na de eerste overzichtstentoonstelling van haar werk, ging er in het voorjaar 2023 nogmaals een expositie over haar werk door in de Antwerpse Singel. Emmanuel van der Beek, Gebouwen met een goed plan gaan eeuwen mee, in: De Standaard, 12 januari 2023.
Stijl Doorheen haar carrière heeft Van Hee ervoor gekozen haar aandacht te richten op het vormgeven van de Belgische architecturale ruimte, in plaats van internationale erkenning na te jagen. Het oeuvre van Van Hee omvat een brede reeks aan verschillende typologieën, maar bestaat voornamelijk uit woningen en renovaties in en rond Gent. Haar werk richt zich op de ruimtelijke en zintuiglijke beleving van architectuur, met bijzondere aandacht voor de drempel als overgangsplaats tussen de private en de publieke sfeer, tussen binnen en buiten, en tussen dag- en nachtzones. Haar ontwerpen zijn eenvoudig maar sensueel en streven naar een herassemblage van de basiselementen van architectuur. Van Hee benadrukt het karakter en de schaal van ruimten om een serene en gebruiksvriendelijke architectuur te creëren die moet worden ervaren om de subtiliteit en essentie ervan aan het licht te brengen. De architecte incorporeert vaak open binnenplaatsen en patio's in haar ontwerpen. Deze vormen een organiserende, multifunctionele basis voor haar architectuur, waarin privacy gevrijwaard wordt zonder tot volledige afsluiting van de buitenwereld te leiden. Ze wordt onder meer geïnspireerd door de werken van Luis Barragán, Dom Hans van der Laan. en het Cisterciënserklooster Le Thoronet in de Franse Provence.
Van Hee geeft de voorkeur aan ontwerpen met de vrije hand, daar de begrensde mogelijkheden van computers volgens haar de creativiteit belemmeren. In dit verband stelt ze dat als je op papier tekent, vrijer bent. Je kan de druk op je potlood variëren en de lijnen stilaan verschuiven.
Woning Van Hee, Gent 1990-97 Verborgen in de historische Prinsenhofwijk van Gent bevindt zich een van de meest bijzondere hedendaagse woningen van de stad: de eigen woning van architecte Marie-José Van Hee. De woning aan de Varkensstraat werd ontworpen in de jaren 1990 en in 1997 opgeleverd. Ze is vandaag uitgegroeid tot een belangrijk voorbeeld van de Vlaamse hedendaagse architectuur en werd in 2026 officieel als monument beschermd. Dat is niet verwonderlijk: het huis is een uitzonderlijk zorgvuldig samenspel van architectuur, licht, materiaal, privacy, tuin en stedelijke context.
De woning ontstond op een plek waar oorspronkelijk drie kleine arbeiderswoningen stonden. Van Hee verving deze door een nieuw, L-vormig volume dat zich rond een beschutte patio plooit. Daarmee koos ze niet voor een spectaculair gebouw dat zich van zijn omgeving afkeert, maar juist voor een woning die zich subtiel in het bestaande Gentse stadsweefsel nestelt. De gevel sluit qua schaal en hoogte nauw aan bij de omliggende bebouwing, terwijl de architectuur tegelijkertijd duidelijk eigentijds is. Het is precies deze combinatie van terughoudendheid en eigenzinnigheid die de woning zo karakteristiek maakt voor Van Hees architectuur.
Aan de straatzijde valt vooral de sobere, grijs gekaleide gevel op. Op het eerste gezicht lijkt die bijna streng, maar wie beter kijkt ontdekt een opmerkelijke verfijning in de verhoudingen en details. De hoog geplaatste ramen zorgen voor daglicht zonder de privacy van de bewoners op te offeren. Tegelijkertijd zorgen ze ervoor dat de woning 's avonds een zachte aanwezigheid krijgt in de straat. De diepe kroonlijst loopt over de gevel en zet de bouwhoogte van de aangrenzende woningen voort. Daardoor wordt het brede bandraam eronder visueel teruggebracht tot een smalle strook van licht en schaduw. De gevel lijkt daardoor tegelijkertijd gesloten én open, massief én licht.
Die bijzondere omgang met licht en privacy is geen toevallig detail. Ze is kenmerkend voor het werk van Marie-José Van Hee. Haar architectuur draait vaak rond de manier waarop mensen een ruimte ervaren: hoe men door een huis beweegt, hoe daglicht verandert gedurende de dag en hoe binnen- en buitenruimtes in elkaar overvloeien. De jury van de prestigieuze Alvar Aalto Medal, die Van Hee in 2024 ontving, benadrukte precies haar gevoel voor natuurlijke materialen, licht, verhoudingen en de manier waarop haar gebouwen zich verankeren in hun omgeving.
Achter de gevel ontvouwt zich een veel complexere wereld. Het L-vormige grondplan omsluit een patio met een overdekte gaanderij. Deze patio vormt als het ware het stille hart van de woning. De gaanderij functioneert tegelijk als overgangszone tussen binnen en buiten, als circulatieruimte en als veranda. De kolommen zijn zorgvuldig geplaatst en veranderen van ritme wanneer de gaanderij de hoek omgaat. Daardoor ontstaat een subtiel architecturaal spel dat doet denken aan de kruisgangen van een klooster. De patio is dus niet zomaar een tuin, maar een ruimte die de verschillende delen van het huis met elkaar verbindt.
Ook de indeling van het huis is bijzonder doordacht. Op het gelijkvloers bevindt zich aan de straatzijde de woonkamer, terwijl in het andere deel van het L-vormige volume onder meer de keuken en badkamer zijn ondergebracht. Op de verdieping bevinden zich onder andere de slaapkamer en bibliotheek. Verschillende gangen en vijf trappen verbinden de ruimtes met elkaar. Daardoor ontstaat geen klassieke woning met één dominante centrale gang, maar een netwerk van looplijnen waarbij telkens nieuwe zichten en ruimtelijke relaties ontstaan.
Een van de mooiste aspecten van het ontwerp is misschien wel dat de woning zich niet beperkt tot de patio. Wie verder kijkt, ontdekt achter de achterste tuinmuur een tweede, totaal andere buitenwereld. Daar bevindt zich een veel groenere en informelere tuin met fruit, groenten, bloemen en kruiden. Tegenover de geometrische en bijna mediterrane beslotenheid van de patio staat deze tuin als een meer natuurlijke, weelderige buitenruimte. De twee tuinen vormen samen een prachtig contrast: de ene is architecturaal geordend, de andere lijkt zich steeds meer aan de natuur over te geven.
Die relatie tussen architectuur en tuin is essentieel om de woning volledig te begrijpen. Van Hee beschouwt de buitenruimte niet als een restgebied rond het gebouw, maar als een volwaardig onderdeel van de architectuur. De patio fungeert als een soort buitenkamer en brengt licht, lucht en groen diep in het bouwvolume. De tuin wordt zo een verlengstuk van het interieur. Dat principe van de besloten buitenruimte komt in verschillende projecten van Van Hee terug en vormt een belangrijke constante in haar oeuvre.
Ook het vakmanschap van de woning verdient bijzondere aandacht. Het huis werd niet alleen als een volume ontworpen; veel onderdelen werden specifiek voor de woning ontworpen en uitgevoerd. Het beschermingsdossier vermeldt onder meer het maatwerk van ramen, luiken en deuren, maar ook talrijke ingemaakte kasten, meubels, wandafwerkingen en de binnentuin. Hierdoor vormt het geheel een uitzonderlijk sterk architecturaal ensemble: de afzonderlijke onderdelen lijken niet los van elkaar te bestaan, maar zijn allemaal onderdeel van één zorgvuldig ontworpen woonomgeving.
De woning is bovendien van grote betekenis binnen het oeuvre van Van Hee. Haar eigen huis is geen losstaand experiment, maar een soort manifest van haar architectuur. Veel thema's die haar werk kenmerken komen hier samen: de aandacht voor menselijke schaal, tactiele materialen, natuurlijke elementen, besloten buitenruimtes, zorgvuldig gecomponeerde zichten en een subtiele omgang met de bestaande stad. De woning laat zien dat hedendaagse architectuur niet luid of monumentaal hoeft te zijn om indrukwekkend te worden.
Dat wordt ook weerspiegeld in de internationale erkenning die het project kreeg. De woning werd onder meer genomineerd voor de 6th European Union Prize for Contemporary Architecture – Mies van der Rohe Award. In 1997 ontving Van Hee samen met Robbrecht & Daem de tweejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Architectuur en Vormgeving. De woning verscheen daarnaast in talrijke architectuurpublicaties en tentoonstellingen.
Dat de woning vandaag beschermd is als monument, bevestigt haar bijzondere positie binnen de Belgische architectuurgeschiedenis. De Vlaamse erfgoedinventaris noemt onder meer de hoge architecturale waarde, de uitzonderlijke ensemblewaarde en het feit dat de woning opmerkelijk goed bewaard is gebleven. Ook de relatie met de omliggende arbeiderswoningen en met de ruimere Prinsenhofwijk wordt als waardevol beschouwd.
De ligging maakt het project bovendien extra interessant. De Prinsenhofwijk is een plek waar Van Hee gedurende haar carrière verschillende projecten realiseerde. In de onmiddellijke omgeving bevindt zich bijvoorbeeld ook de woning Derks-Lowie, een van haar vroegere Gentse stadswoningen, en achter de architectenwoning werd later het architectenbureau aan de Pluimstraat gerealiseerd. Wie door deze buurt wandelt, krijgt daardoor niet alleen één woning te zien, maar kan een stukje van Van Hees architecturale ontwikkeling in Gent ontdekken.
Voor bezoekers die geïnteresseerd zijn in architectuur is de woning dan ook zeker een aanrader om tijdens een bezoek aan Gent op te nemen in een wandeling door het Prinsenhof. Ze is een mooi voorbeeld van hoe hedendaagse architectuur zich kan verweven met een historische stad zonder de bestaande omgeving te overschreeuwen. Integendeel: juist door haar ingetogen gevel, verrassende ruimtelijkheid en sterke relatie met patio en tuin wordt de woning pas echt zichtbaar wanneer men aandachtig kijkt.