thumb|Europa in 1941-1942 thumb|De nazioorlogsvlag Nazi-Duitsland, nationaalsocialistisch Duitsland en het Derde Rijk zijn informele benamingen voor het Duitsland van de periode 1933-1945, toen het werd geregeerd als een totalitaire dictatuur, onder het regime van dictator Adolf Hitler en diens Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). De propaganda van de nationaalsocialisten of nazi's noemde de Duitse staat ook wel het Duizendjarig Rijk. Officieel heette nazi-Duitsland het Duitse Rijk (Deutsches Reich), de naam die de staat al sinds 1871 had. Na 1943 werd het onofficieel het Großdeutsches Reich.Decreet RK 7669 E van 26 juni 1943 door Hans Heinrich Lammers, Reichsminister en Chef der Reichskanzlei, zie: Facsimile: Reichsarbeitsblatt 1943, Teil I, nr. 23 van 15 augustus 1943, p. 413.

De naziheerschappij duurde van het einde van de Weimarrepubliek op 30 januari 1933, tot de val van de Flensburgregering op 23 mei 1945. Kenmerkend voor deze periode in de Duitse geschiedenis waren politieke onderdrukking, racistische vervolging en de uiteindelijke uitmoording of Holocaust van het Joodse volksdeel in het door Duitsland bezette Europa. De buitenlandse politiek richtte zich op herbewapening, en vanaf 1938 op de annexatie van aangrenzende gebieden, wat leidde tot de Anschluss van Oostenrijk en de inlijving van Sudetenland. De Duitse aanval op Polen (1939) was de directe aanleiding voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Het begrip "Derde Rijk", Duits: Drittes Reich, was destijds populair in de Duitse media. Als eerste rijk gold in deze redenering het oude Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie (ca. 800-962 - 1806) en als tweede het Duitse Keizerrijk (1871 - 1918). De verwachting van de aanhangers van het Derde Rijk-concept was dat het 'Derde Rijk', evenals het 'Eerste Rijk', (minstens) duizend jaar zou bestaan. De nationaal-socialisten gebruikten de term zelf niet. Adolf Hitler vaardigde zelfs tweemaal, tevergeefs een edict uit dat de media opriep het begrip Derde Rijk niet meer te gebruiken.

Het ontstaan van nazi-Duitsland Voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, waren al diverse elementen van de ideologie van het latere nationaalsocialisme aanwezig in de Duitse, en de Oostenrijkse maatschappij, en in andere Europese landen. Deze elementen betroffen met name nationalisme, anti-marxisme, anti-liberalisme, biologisch antisemitisme, sociaal darwinisme, en eugenetica. In Duitsland en Oostenrijk ontwikkelden zich hiervan populaire, 'Teutoonse' varianten. Dit ging gepaard met een extreem, zogenaamd völkisch nationalisme, met zijn mystieke eigenschappen van een 'harmonische Duitse sociale en hiërarchische orde'. Alleen al in München bestonden in 1920 minstens 15, meest na de Eerste Wereldoorlog opgerichte, völkische verenigingen, waaronder het Thule-Gesellschaft of 'Nordische Vereinigung', en de Duitse Arbeiderspartij (DAP), die zou uitgroeien tot Hitlers Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Deze aanvankelijk meestal kleine groepjes, verspreidden bij elkaar opgeteld een grote hoeveelheid propagandamateriaal. Op nationaal niveau werd geprobeerd deze groepen te bundelen.

Na de Eerste Wereldoorlog, waarin het Duitse Keizerrijk een van de verliezers was, werd in Duitsland, na de Novemberrevolutie, de Weimarrepubliek gevormd. De oude macht van de Pruisische aristocratie en de militairen werd vervangen door een democratisch gekozen kabinet. Door de combinatie van een hoge inflatie, de harde vredesbepalingen van het Verdrag van Versailles, en politiek gestook vanuit de extreemlinkse Spartacusbond en de communisten, en vanuit de extreemrechtse DAP / NSDAP, had deze republiek met grote problemen te kampen. De regering kon weinig werkelijke macht uitoefenen, en moest voortdurend laveren tussen de links- en rechts-extremisten.

Al vanaf de stichting van de Weimarrepubliek werden pogingen ondernomen tot een rechtse staatsgreep, met als hoogtepunten de Kapp-putsch van Walther von Lüttwitz in 1920 en de Bierkellerputsch van Adolf Hitler in 1923. De aanstichters van dergelijke coups werden door het gerecht opvallend mild behandeld, zeker in vergelijking met extreemlinkse revolutionairen zoals de leiders van de Münchense Radenrepubliek.Introduction: the Collapse of the Weimar Republic, par. 5: The Counter-Revolution in Franz Neumann, Behemoth: The Structure and Practice of National Socialism Victor Gollancz Ltd 1942.

Diverse rechtse groeperingen, waarvan de NSDAP weldra de sterkste werd, terroriseerden het land. Langzaam verkregen zij meer macht onder het volk, dat maar al te graag een zondebok, in de vorm van de Joden, het kapitalisme en het communisme, aanwees voor hun eigen problemen; zie ook het lemma dolkstootlegende. In de loop van 1932 bereikten de economische en politieke problemen een dieptepunt, en de ene regering na de andere volgde elkaar op. Met de telkens daarop uitgeschreven verkiezingen groeide het zetelaantal van de NSDAP in het parlement. De nazi's zetten voor die tijd ongekend veel en moderne middelen tot propaganda in; zo reisde Adolf Hitler per vliegtuig van stad naar stad, en bereikte met opzwepende toespraken soms honderdduizenden mensen per dag. Eind 1932 ging het evenwel mis voor de nazi's, bij de vierde landelijke verkiezingen van dat jaar. Gebrek aan financiële middelen, in combinatie met een verkiezingsmoe electoraat, pakten voor de NSDAP slecht uit: het stemresultaat zakte van 37% naar 31% van het aantal uitgebrachte stemmen. Hitler, hoewel in zak en as, bleef echter onverzettelijk tegen pogingen tot samenwerking met de andere partijen en bleef opteren voor slechts één post: die van rijkskanselier − zitting in een coalitiekabinet zonder deze post was voor hem onbespreekbaar. Hierdoor ontstond eind 1932 tweespalt in de NSDAP, en meer "gematigde" partijbonzen zochten, buiten Hitler om, contact met de conservatieven. Hitler zou het hen nooit vergeven en elimineerde in de "Nacht van de Lange Messen" de meesten van hen.

Evenwel kon de zittende regering van kanselier Kurt von Schleicher geen vuist maken. Op de achtergrond dreigde verder nog altijd het 'communistische gevaar': de linkse partijen, met name de socialisten (SPD) en de radicalere communisten (KPD), kregen samen zoveel stemmen dat ze in theorie een 'linkse' coalitie-regering konden vormen. Conservatieve kringen, met inbegrip van kapitalistische ondernemers, begonnen een lobby bij de Rijkspresident om Hitler toch een rechts kabinet te laten samenstellen. Het alternatief, een socialistische regering, wilden zij vermijden, om hun economische belangen veilig te stellen. Ten slotte werd in januari 1933 de NSDAP door Rijkspresident Paul von Hindenburg verzocht tot een nieuw kabinet toe te treden, met Hitler als rijkskanselier. Hindenburg had dit een half jaar tevoren nog afgehouden, maar gaf nu gevolg aan het advies van Franz von Papen, voormalig kanselier en DNVP-lid. De laatste dacht hiermee de macht te kunnen overnemen van Kurt von Schleicher; Von Papen zag verder niet veel heil in de nazi-ideologie, maar dacht hen door Hitler's benoeming tot rijkskanselier, en met slechts twee NSDAP-ministers in een coalitiekabinet, in de tang te kunnen houden. Het overige kabinet zou namelijk bestaan uit een meerderheid van NDVP-ers, plus enkele partijloze ministers. President Hindenburg, bang voor een communistische coup, gaf uiteindelijk toe, hoewel hij Hitler niet vertrouwde.

Hitler kreeg aldus de positie van rijkskanselier en − in weerwil van de verwachting van Von Papen − wist hij in relatief korte tijd alle macht in Duitsland naar zich toe te trekken. Vanaf het moment van aantreden als kanselier zocht Hitler een manier om de algehele macht te veroveren. Aanvankelijk kon hij dat niet met bruut geweld voor elkaar krijgen, want in het parlement zaten nog te veel tegenstanders die zijn kabinet naar huis konden sturen, als hij buiten zijn wettelijke bevoegdheden ging werken. Dus deze tegenstanders: communisten, socialisten en andere parlementariërs die zich niet door de NSDAP lieten controleren, moesten eerst verwijderd of monddood gemaakt worden. Een belangrijke gebeurtenis was in dat verband de Rijksdagbrand, die Hitler de gedroomde aanleiding gaf; alle propaganda werd ingezet om de communisten hiervan de schuld te geven. Hitler kreeg ten slotte speciale bevoegdheden van de Rijkspresident om "de orde te herstellen". Door de politie, maar ook met hulp van Hitler's eigen militie, de SA en de SS, werden eerst zogenaamde "verdachten" opgepakt: 'toevalligerwijze' waren dit ook de politieke en/of andere tegenstanders die Hitler in de weg stonden of konden staan. Deze werden opgesloten of eenvoudigweg vermoord. Hitler schreef hierop nieuwe verkiezingen uit, die de NSDAP op dubieuze wijze een absolute meerderheid opleverden. Het door de nazi's gedomineerde parlement nam vlak daarna een machtigingswet aan waarmee dit parlement werd gleichgeschaltet oftewel uitgeschakeld. Snel na elkaar volgden nu wetten die een eind maakten aan de mensenrechten en de scheiding der machten in het staatsbestel. Tegelijkertijd werd een rigide controlesysteem, waaronder de beruchte Gestapo, opgezet om alle mogelijke binnenlandse tegenstand op te sporen en in de kiem te smoren.

Zo vestigde Hitler in minder dan een jaar een totalitaire dictatuur waarin de NSDAP de alleenheerschappij had. Deze dictatuur begon meteen na aantreden met het discrimineren van Joden en andere 'niet-Ariërs' en het opvoeren van de bewapening, in weerwil van de in het Verdrag van Versailles aan Duitsland opgelegde beperkingen.

Politieke macht Officieel berustte alle macht in het Derde Rijk bij Hitler die zich Führer (gids, leider, aanvoerder) liet noemen. In de praktijk liet hij veel aan zijn ondergeschikten over. Hun bevoegdheden waren echter niet duidelijk vastgelegd en overlapten elkaar vaak. Er wordt weleens gesteld dat Hitler dit doelbewust deed, om met deze verdeel-en-heerspolitiek eventuele concurrenten in de partij elkaar dwars te laten zitten, in plaats van dat ze hun pijlen op hem zouden richten. Zo hield Hitler iedereen van hemzelf afhankelijk. Als gevolg daarvan was het Derde Rijk geen voorbeeld van een goed georganiseerde staat.De Zwarte kameraden, een geïllustreerde geschiedenis van de N.S.B., uitg. Van Holkeman & Warendorf, Weesp (1984) /UGI 510, p. 98 Vaak ontstonden er conflicten, zoals tussen de minister van Economische Zaken Hjalmar Schacht en Hermann Göring

Schacht had veel vindingrijkheid aan de dag gelegd om de herbewapening van de landmacht, de zeemacht en de luchtmacht te bekostigen, waaronder het gebruik van de gelddrukpers; tegen 1936 geloofde hij echter dat Duitsland daarvan de grens had bereikt, als het geen bankroet wilde riskeren. Hij waarschuwde Hitler, Göring en minister van Oorlog Blomberg, zonder gevolg, hoewel Blomberg een tijdje aan zijn kant stond. Göring werd in september 1936 gevolmachtigd beheerder van een onrealistisch vierjarenplan om de Duitse economie zelfbedruipend te maken, wat van hem in feite een economische dictator maakte. Na een toenemend conflict bood Schacht in augustus 1937 zijn ontslag aan als minister van Economie. Hitler aanvaardde dit ontslag pas in december en hield hem aan als minister zonder portefeuille en voorzitter van de Rijksbank. Hierdoor straalde nog een deel van het morele gezag van Schacht af op het regime, hoewel hij niet langer in staat was de oorlogsdrift van Hitler te beteugelen.Strange, Fateful Interlude: the Fall of Blomberg, Fritsch, Neurath and Schacht, hoofdstuk 10 in William L. Shirer, "The Rise & Fall of the Third Reich," Rosetta Books 1961, elektronische heruitgave 2011.

De SS, onder leiding van Heinrich Himmler, breidde haar macht uit ten koste van andere instellingen en kreeg op den duur zoveel macht, dat je zou kunnen zeggen dat de SS 'een staat in een staat' werd: bijna allen die een functie hadden in het bestuur van het Derde Rijk, merkten dat op hun terrein de SS ook veel en soms meer te zeggen had.