thumb|eerste gedrukte editie van De vulgari eloquentia, 1577 De vulgari eloquentia (Kerklatijn: ; "Over de volkstalige welsprekendheid") is een werk geschreven door Dante Alighieri tussen 1302 en 1305, tijdens zijn ballingschap uit Firenze na beschuldiging van corruptie, afpersing en misbruik van overheidsmiddelen door de Zwarte Welfen. Het werk, geschreven in het Latijn, behandelt de mogelijkheid om een literaire eenheidstaal tot stand te brengen die alle Italiaanse dialecten overkoepelt. In deze context bespreekt Dante het statuut van de volkstalen (met inbegrip van de dialecten) in vergelijking met klassieke standaardtalen zoals het Latijn. De vulgari eloquentia zou aanvankelijk vier boeken omvatten, maar de tekst breekt abrupt af in het veertiende hoofdstuk van het tweede boek.

Dantes De vulgari eloquentia was op meerdere vlakken vernieuwend. Zoals hij zelf stelt in de eerste zin van het werk, had voor hem nog niemand een uiteenzetting geschreven over welsprekendheid in de Italiaanse volkstaal. Bovendien gaat hij in tegen de gangbare verheven status van het Latijn door te argumenteren dat de volkstaal ‘edeler’ is. Verder zijn verschillende taalopvattingen binnen het werk vernieuwend en invloedrijk geweest in de latere geschiedenis van taalbeschouwing. De vulgari eloquentia put tot op zekere hoogte uit meerdere tradities zoals literaire kritiek, poëtica, retoriek en speculatieve grammatica.

Opbouw en inhoud Boek 1 In het eerste hoofdstuk van De vulgari eloquentia definieert Dante ‘de taal van het gewone volk’ als het onderwerp van het werk. Hij omschrijft die volkstaal als de taal die men als kind verwerft in zijn omgeving. Deze oorspronkelijke, natuurlijke taalvorm wordt door middel van imitatie geleerd zonder enige formele instructie. Dante onderscheidt de volkstaal van de ‘gramatica’ (steeds gespeld met één ‘m’), een artificiële taalvorm die enkel weggelegd is voor wie zich toelegt op de langdurige studie ervan. Deze centrale tweedeling is niet zozeer een onderscheid tussen de twee specifieke talen Italiaans en Latijn, als wel tussen twee soorten van taal, namelijk een natuurlijke en een gekunstelde variant. Het cruciale en revolutionaire aspect van dit onderscheid is Dantes opwaardering van de volkstaal. Hij stelt dat de volkstaal, die het onderwerp vormt van zijn werk, door haar natuurlijke, oorspronkelijke, instinctieve en universele karakter superieur is aan de artificiële en voornamelijk geschreven gramatica, die traditioneel hoger in aanzien stond.

Het tweede hoofdstuk draait om de afbakening van taal als een exclusief menselijke eigenschap, die dieren noch engelen bezitten. Dante stelt dat enkel de mens taal nodig heeft, omdat het doel van taal is om aan anderen in de geest gevormde concepten uit te leggen. Uit dat perspectief vloeit voort dat taalgebruik voor Dante een essentieel kenmerk is van de menselijke natuur dat de overdracht van gedachten tussen individuen mogelijk maakt om zo een sociale gemeenschap te vormen.Botterill 1996, xix.

Vervolgens wordt in het derde hoofdstuk de aard van taal behandeld. Dante betoogt dat taal een tekensysteem is dat gebaseerd is op rationaliteit en perceptie. Het rationele karakter van het taalteken verwijst naar het mentale concept dat de spreker wil uitdrukken. De perceptie duidt op het conventionele klankbeeld (vooral in visuele betekenis) waarmee individuele mentale constructies overgebracht kunnen worden van de ene geest naar de andere. miniatuur|Pieter Bruegel de Oude, de Toren van Babel Van hoofdstuk vier tot zeven onderzoekt Dante hoe taal ontstaan is. Daarvoor biedt hij een overzicht van de Bijbelse herkomst van menselijke taal. Zoals gebruikelijk was in zijn tijd, baseert Dante zich daarvoor op de Bijbel en de geschriften van de Kerkvaders. Op basis van die bronnen stelt hij dat Adam de eerste taalgebruiker was toen hij bij zijn schepping אֵל (el), het Hebreeuwse woord voor God, uitsprak. Adam sprak dat woord uit in het Hebreeuws, een taal van goddelijke genade (Lat. gratia) die gesproken werd door al zijn afstammelingen tot aan de Babylonische spraakverwarring. Volledig in de lijn van de middeleeuwse traditie, wordt het Bijbelverhaal over de toren van Babel gebruikt om taaldiversificatie te verklaren. Na de Babylonische spraakverwarring verspreidden de mensen zich volgens Dante vanuit het Oosten naar de rest van de wereld.

Dante stelt in hoofdstuk acht dat wanneer deze mensen zich daarna op uiteenlopende plaatsen in Europa vestigden, een ydioma tripharium, een drievoudige volkstaal, ontstond. De drie taaltakken zijn vertegenwoordigd in Noord-, Zuid- en Oost-Europa. Binnen de variant die gesproken wordt in Zuid-Europa kan opnieuw een driedeling gemaakt worden op basis van het woord dat gebruikt wordt als bevestiging: oc, oïl of sì. Die verwante varianten kunnen volgens Dante geïdentificeerd worden met respectievelijk de taal van de Hispani, de Franci en de Latini of Italianen. Dit onderscheid is een van de vroegste uitspraken over een Romaanse taaleenheid.

Zijn observaties over taalvarianten en -verwantschap zetten Dante er vervolgens toe aan om in hoofdstuk negen op zoek te gaan naar de oorzaak van taalvariatie, die volgens hem niet alleen tot uiting komt op het niveau van naties, regio’s of steden maar zelfs binnen de muren van één enkele stad. Dante betoogt dat de talen van de mensheid na de Babylonische spraakverwarring inferieur waren aan het goddelijke Hebreeuws van Adam en zijn directe nakomelingen. Die imperfecte en inferieure toestand van de volkstaal resulteert, conform de middeleeuwse gedachte, in toenemende variatie doorheen tijd en ruimte.Botterill 1996, xxi. Dante vestigt de aandacht op het erg geleidelijke karakter van deze veranderingen, waardoor ze niet opvallen en sommige mensen zelfs niet geloven in taalverandering. Hij vergelijkt de verandering van een taal met het opgroeien van een jongeman. In tegenstelling tot de onveranderlijke gramatica, groeien volkstalen, passen ze zich aan en sterven ze uiteindelijk uit in een proces dat vergelijkbaar is met het opgroeien en ouder worden van de mens zelf. miniatuur|Postkaart uit het begin van de 20ste eeuw die de Italiaanse sì-taal looft met de afbeelding van Dante, vergezeld door de Italiaanse driekleur en een deel van zijn beroemde uitspraak "(van het mooie land) waar de 'sì' klinkt." (It. (del bel paese) là dove 'l sì suona)Inferno XXXIII, 80 In hoofdstuk tien neemt Dante de draad van de Zuid-Europese volkstalen weer op en classificeert hij de oïl-, oc-, en sì-talen enerzijds op basis van verwantschap met hun talige voorouder, het Latijn, en anderzijds op basis van het literaire genre waarvoor elke variant het beste geschikt is. De oïl-taal is met haar gemakkelijkere en aangename stijl het meest gepast voor volkstalig proza. De oc-taal daarentegen wordt door haar zoetere en meer afgewerkte vorm gebruikt door de Provençaalse troubadours voor volkstalige poëzie. Dantes voorkeur gaat echter uit naar de groep van de sì-taalvarianten omwille van twee redenen. Ten eerste zijn deze Italiaanse volkstalen volgens hem het best geschikt voor de compositie van zachtere en subtielere poëzie. Daarnaast zijn de sì-talen het nauwst verwant met de Latijnse gramatica, die aan de grondslag ligt van de drie Zuid-Europese volkstalen en het woord sic gebruikt als bevestiging. Hoewel dit argument de vraag oproept naar de oorsprong van de Latijnse gramatica, gaat Dante daar in De vulgari eloquentia niet verder op in.

In hoofdstuk elf van De vulgari eloquentia begint Dantes zoektocht naar de meest voortreffelijke variant van de Italiaanse volkstaal. Hij beschrijft die zoektocht als de jacht op een panter wiens geur men kan ruiken. Daarmee verwijst naar een ‘illustere’ volkstaalvariant, die zowel tegemoet komt aan de eisen van de poëzie als aan de culturele leemte op het Italiaanse schiereiland die veroorzaakt wordt door het gebrek aan één centrale zetel van politiek en cultureel gezag.Botterill 1996, xxiii. Die politieke verdeeldheid ligt volgens Dante aan de basis van de socio-economische, culturele, intellectuele en morele crisis van zijn tijd, die opgelost moet worden door een revitalisatie van de poëtische tradities door middel van één volmaakte volkstaal. Bij die jacht moeten eerst ‘het verwarde struikgewas en de braamstruiken uit het bos weggesnoeid worden’(Lat. perplexos frutices atque sentes prius eiciamus de silva), waarmee Dante verwijst naar het selectieproces tussen de regionale volkstalen, waarbij de ongeschikte varianten afgewezen worden. In hoofdstukken elf tot vijftien wordt echter duidelijk dat geen enkele van de bestaande Italiaanse volkstaalvarianten voldoet aan Dantes poëtische en cultureel-politieke vereisten voor de volmaakte, ‘illustere’ volkstaal.

Hoofdstuk zestien beschrijft de volgende stap in de jacht op de ‘panter’, die volgens Dante zijn geur heeft achtergelaten in elke Italiaanse stad maar in geen enkele zijn thuis heeft gevonden. Als de geschikte ‘illustere’ volkstaal niet op één plaats gevonden kan worden, moet Dante haar zelf samenstellen op basis van de elementaire kenmerken van de verschillende taalvarianten in de Italiaanse steden, om zo vorm te geven aan één Italiaanse standaardvolkstaal die toebehoort aan heel Italië en waarmee alle regionale varianten vergeleken en overkoepeld kunnen worden.

Die standaardvolkstaal heeft volgens Dante vier kenmerken, die hij in politieke termen toelicht in hoofdstukken zeventien en achttien. Ten eerste moet de volmaakte volkstaal ‘illuster’ zijn. Daarmee bedoelt Dante dat ze onovertroffen moet zijn in kennis en kracht en in staat om taalgebruikers te verheffen in eer en glorie. Ten tweede is ze ‘kardinaal’, een term die Dante gebruikt om de vergelijking te maken met de functie van een deurhengsel (Lat. cardo). Een deur gehoorzaamt immers in het geheel aan haar hengsel en beweegt mee in de richting die het scharnier bepaalt. Op dezelfde manier staat de ‘kardinale’ volkstaal aan het hoofd van de bonte verzameling van Italiaanse volkstaalvarianten en bepaalt ze hun evolutie. Ten derde is ze ‘hoofs’, omdat indien Italië een koninkrijk zou zijn, ze aan het koninklijke hof gesproken zou worden, aangezien ze gemeenschappelijk is voor alle Italianen maar eigendom is van niemand. Tot slot is de ideale volkstaal ook ‘curiaal’, omdat ze –gesteld dat Italië een centraal tribunaal (Lat. curia) zou hebben– bekrachtigd zou worden voor het hoogste gerechtshof. In deze beschrijving van de illustere, kardinale, hoofse en curiale Italiaanse volkstaal wordt verder duidelijk dat Dante zich om meer bekommert dan enkel taal en literatuur: een geschikte standaardvolkstaal is niet alleen nodig voor een herleving van de Italiaanse cultuur en poëzie, maar ook voor een herstel van de politieke macht.

In het laatste hoofdstuk van het eerste boek omschrijft Dante de ‘illustere’ Italiaanse volkstaal ten slotte als de volkstaal die niet vereenzelvigd kan worden met het –lager aangeschreven– dialect van één stad of regio, maar toegankelijk is voor alle Italianen en toebehoort aan het Italiaanse schiereiland in zijn geheel. Deze standaardvolkstaal is de taal die gebruikt wordt door de vooraanstaande Italiaanse dichters, ongeacht of ze afkomstig zijn uit Sicilië, Apulië, Toscane, Romagna, Lombardije, of de Marken. Tot slot kondigt Dante aan dat hij in de volgende onderdelen van het werk zal ingaan op de vraag wie waardig is om deze taal te gebruiken, voor welk doel, op welke manier, waar, wanneer en voor welk publiek, alsook op de kwestie van de inferieure volkstaalvarianten. Deze programmatische ‘inhoudstafel’ bevestigt dat de De vulgari eloquentia, dat afbreekt in het veertiende hoofdstuk van het tweede boek, onafgewerkt is gebleven.

Boek 2