thumb|Coenen beschreef en tekende de legendarische 'Haringkoning'.Visboeck. KB blz. 25r (Coenen fol. 15ro) Noordzeevisserij is het op commerciële wijze bedrijven van de vangst van vis op de Noordzee. Het betreft vooral platvis als schol, schar, tong en tarbot en rondvis als haring, kabeljauw, makreel, schelvis, koolvis en poon.

In het verleden was de vangst van haring veruit het belangrijkste.De Noordzeevisserij (1935) Dr. H.C. Redeke Het 'oogsten' van vis uit de Noordzee is in de 16e eeuw voor het eerst uitgebreid gedocumenteerd door Adriaen Coenen in zijn Visboeck.Visboeck van de Scheveninger Adriaen Coenen. Koninklijke Bibliotheek. Sign. Den Haag KB 78 E 54 - https://www.kb.nl/themas/middeleeuwen/visboek-van-adriaen-coenenFish abundance, fisheries, fish trade and consumption in sixteenth-century Netherlands as described by Adriaen Coenen (2015) Floris P. Bennema en Adriaan D. Rijnsdorp

De vleetvisserij op haring in de Noordzee De visserij op haring met de vleet op de Noordzee werd van oudsher door Holland, door Zeeland maar ook door Vlaanderen intensief bedreven.Vlaanderens haringbedrijf in de Middeleeuwen (1944) R. de Grijze De export van het uiteindelijke product pekelharing was daarvoor zowel omvangrijk als belangrijk.De zeevisserij van Holland in den tijd der Republiek (1946) Proefschrift. Hendrik Adriaan Henri Kranenburg Wat betreft het Hollandse Zuiderkwartier waren met name Maassluis, Vlaardingen, Delfshaven en Rotterdam prominente vissersplaatsen, in het Noorderkwartier gold dit voor plaatsen als Enkhuizen en Hoorn, zij het dat die stadjes vooral actief waren op de Zuiderzee, en het tegenwoordig nauwelijks meer bekende dorp De Rijp, waar ze hoofdzakelijk op walvisvaart gingen.Holland was destijds onderscheiden in een Noorder- en een Zuiderkwartier. De kuststrook werd aangeduid als de Zijde of Zijdkant Dit alles vond plaats onder gebruikmaking van vissersvaartuigen die buis werd genoemd. Deze werd opgevolgd door zogeheten hoekerbuizen en vervolgens door sloepen.

Voorts ging het om een reeks in zee uit te zetten staande netten, vleet genaamd. Kort toegelicht werd zo'n reeks van netten, zie voorbeeld onder, door het vissersschip, rustig achteruit varend, in zee gezet. Hierdoor ontstond er als het ware een in zee staande muur of wand. Vanaf het moment van zijn in zee gezette vleet, het zogenaamde 'schieten' ervan, bleef het schip, dat als het ware was verankerd aan zijn uitstaande vleet, een aantal uren stil in zee 'steken'. De haringen, zwemmend in scholen, zwommen zich vast in de netten; door hun kieuwen werden ze ervan weerhouden vanuit de mazen weer los te komen. Na een bepaalde tijd of na een aantal uur werd de vleet ingepalmd en de haring op het dek uit de netten geslagen.

thumb|850px|none|Hollandse vleet1: Water2: Reep3: Breels, later vervangen door 'blazen'4: Joon5: Breeltouw, 6m6: Seizing, 8m7: Speerreep met kurken vloten en stalen8: Zinkmateriaal, lood, onder de netten9: Netten, elk 15×30m (In zee hangend waren de afmetingen geringer)

Adriaen Coenen en de Noordzeevisserij thumb|Rechts, midden: tweetal mannen dat, zelf staand op het strand, een visnet – waaraan beiderzijds een lijn – vanuit de zee inpalmt. Dit singelen is mogelijk een der eerste vormen van Noordzeevisserij. thumb|Pinken in de branding, geschilderd door Mesdag Een van de betrouwbaarste bronnen inzake de vroege Noordzeevisserij – daarbij valt te denken aan het derde kwart van de 16e eeuw – is het Visboeck van de Scheveninger Adriaen Coenen (1514-1587). Er was in zijn tijd sprake van een vrij hoog aantal vissersdorpen langs de Noordzeekust, toen de Zijde genaamd. Hoe en wanneer de zeevisserij langs de Noordzeekust – en dit dan voorafgaand aan de jaren van Coenen – zich heeft ontwikkeld blijft diffuus.

De vishandelaar en -afslager Coenen schreef niet slechts de tekst van het Visboeck maar voorzag dit bovendien van kleurrijke illustraties. Een daarvan toont een tweetal mannen dat, zelf staand op het strand, een visnet – waaraan beiderzijds een lijn – vanuit de zee inpalmt.Visboeck. KB blz. 41ro. (Coenen fol. 32ro) Coenen geeft aan dat het hier ging om singelen, mogelijk een der eerste vormen van Noordzeevisserij. De vissers bleven op het droge. Op een andere, dubbele illustratie van Coenen ziet men in de Noordzee vissende schepen en scheepjes.Visboeck. KB blz. 28vo/29ro. (Coenen fol. 18vo/19ro) Het belangrijkste is dat de soorten toegepaste visserijen herkenbaar zijn weergegeven. De buizen waarmee door de haringsteden op haring werd gevist liggen duidelijk zichtbaar 'aan de vleet'. Men treft ook schepen aan waarmee de beugvisserij werd uitgeoefend. Enkele van de toen in gebruik zijnde vaartuigjes van de Zijde, zullen – met hun opvolgende tussenvormen – ten slotte zijn uitgekomen bij de pink en vervolgens bij de bomschuit.De Bomschuit, een verdwenen scheepstype (1954) E.W. Petrejus van waaraf in zee werd gevist.

Coenen over zalm en haring thumb|Adolf van der Laan: Een Hoeker op de nering circa 1720 Ín het Visboeck leest men naast over vissen ook over de visserijen daarop. De vissers van de dorpen van de Zijde oefenden op de Noordzee, dicht onder de kust, hoofdzakelijk de sleepnetvisserij uit. Coenen noemt de schol- en scharvisserij en de netten die daarvoor werden gebruikt, maar óók de verkoop van de vis na aanvoer ervan. Hij beschrijft verder de tongvisserij met haar speciale netten evenals de zalmvisserij waarbij Coenen een ruime kanttekening plaatst: alleen vissers/eigenaars die vermogend waren bleken in staat de destijds in de Noordzee voorkomende zalm te kunnen vangen. De vissers moesten voor de vangst van zalm kunnen beschikken over sterkere en dus duurdere netten. Een pas gevangen zalm bleek namelijk in staat een dusdanig krachtige sprong te ontwikkelen dat een minder goed net scheurde waarna de zalm kon ontsnappen. De eerdere aanwezigheid van de zalm in de Noordzee en de visserij daarop is opmerkelijk, aangezien men in latere jaren geen literatuur van belang daarover aantreft.

De aanwezigheid van haring in de Noordzee, de vangsten erop en de verkoop ervan is door Coenen breedvoerig beschreven.Opmerkelijk omdat hij er generlei handel in bedreef. De kustvisserij beperkte zich namelijk goeddeels tot plat- en rondvis welke op het strand werd geveild. Haring is daarbij ongenoemd gebleven. Wanneer de haring in een bepaalde periode dicht onder de Hollandse kust zwom zal daarop door 'Zijdelingen' zijn gevist, althans die schijn wordt gewekt, uitgaande van wat literatuur daarover aangeeft.Geschiedenis van Scheveningen (1926) J.C. Vermaas. Deel I blz. 66. Maar de werkelijke vangsten en de aanvoer van haring waren een monopolie van vissersplaatsen als Maassluis, Rotterdam en Vlaardingen in het Zuiderkwartier naast haringsteden als Enkhuizen en Hoorn in het Noorderkwartier van het toenmalige Holland. Coenen tipt ook de zogenaamde Haringkoning aan. Achtergrond daarvan was een sage die inhield dat, wanneer haringvissers een dergelijke rood- tot oranjekleurige vis tussen hun haring aantroffen, zij zich verzekerd konden zien van een goed haringseizoen.

De Zijde: schepen afgaand vanaf het strand thumb|Bomschuiten (kleine vissersschepen) in 1900 De reeds genoemde bomschuit, ook wel bom of schuit genoemd, was de opvolgster van de pink. Zij was vele jaren het bekendste vissersvaartuig dat voor de Noordzeevisserij langs De Zijde, de zandkust van Noord- en Zuid-Holland, in gebruik was. Geen van de kustdorpen beschikte over een zeehaven; daarom hadden de schuiten als het meest kenmerkende een platte bodem. Door die platte onderzijde van het vaartuig kon dit vanaf het strand zee kiezen. Door afwisselend gebruik te maken van de hoogte van de zeespiegel bij eb of bij vloed, kon een schuit landen en/of afvaren, in beide gevallen rekening houdend met het getij. De levensduur van dergelijke vaartuigen was echter door hun wijze van aanlanden niet al te lang. De schepen beoefenden de visserij met sleepnetten en bedreven daarbij de dagvisserij. Een zeehaven, in 1896 te IJmuiden operationeel geworden, tastte het bestaan van de kustdorpen aan. Toen Scheveningen in 1904 zijn haven had verkregen was hun strijd gestreden.De visschershaven te Scheveningen (1917) J.C. VermaasDe geschiedenis van de Scheveningse haven (1962) C.M. Zoetmulder. Reeks Zo werkt Den Haag. Zesde deelScheveningen zeehaven (± 1973) Gemeentelijke Dienst van haven- en marktwezen. Den Haag. De aanwezige visserij bood aan de wal allerlei arbeid aan neringdoenden. De werfjes bouwden en repareerden de platboomde schuiten. Zeilmakers waren benodigd om de bezeilde schuiten te voorzien van hun zeilen en het herstellen daarvan. Het breien van netten ontstond uit het opzetten van lijnbanen van de touwslagerijen. Voorts waren daar de leveranciers voor de mondkost van de vissers en de herbergiers voor het aan te leveren bier aangezien destijds het water ondrinkbaar was. De aangevoerde vis deed drogerijen ontstaan voor de te drogen schollen en scharren.

Ook de aanwezigheid van viskopers in de kustdorpen bracht bedrijvigheid met zich mee. Die moesten de aangevoerde vis, geveild bij afslag, op het strand kopen. Doordat de afslag van vis over ten minste twee dagdelen was verdeeld waren de viskopers gedwongen 's ochtends na de afslag in de dorpen achter te blijven in afwachting van de volgende afslag. Voor verblijf waren ze vaak aangewezen op de herberg. Dat het verblijven van viskopers daar te langdurig kon zijn blijkt uit een artikel in een plaatselijke verordening dat aangeeft dat het viskopers niet was toegestaan in de herberg achter te blijven wanneer de visafslag op het strand was aangevangen.Ordonnantie 1571 Haags Gemeentearchief (HGA) nr. P 1399 Hun knechts of hulpjes brachten tussentijds de gekochte vis naar de locaties vanwaar hun bazen, de viskopers, afkomstig waren.

De Maassteden en de beugvisserij thumb|Vistuig voor de beugvisserij thumb|Zwevende trawls en bodemtrawls Belangrijke vissersplaatsen van de Maas voor wat betreft de beugvisserij zijn, naast Rotterdam, Vlaardingen en Maassluis, ook de plaatsen Pernis en Middelharnis. De eerstgenoemde vissersplaatsen hielden zich bezig met tweeërlei vormen van visserij. De haringvisserij stond naast de zogeheten beugvisserij. De beugvisserij viel onder de hoekwantvisserij. Een andere daartoe behorende visserij was de kolvisserij en de traapvisserij waarbij elk bemanningslid vanuit zijn hand een lijn met een geaasde haak in het zeewater neer liet. De beugvisserij was vermoedelijk een verbeterde uitvoering daarvan. Niet elk vissersvaartuig was voor de kol- of beugvisserij geschikt. Een opmerkelijke bijkomstigheid is dat de toenmalige kolvissers een zestal haringnetten meevoerden. De 's nachts gevangen haringen werden gebruikt als aas voor het koltuig.Onze Zeilvischsloepen (1920) 3e druk. Frans Bly

De samenstelling van het vistuig van een beugschip was naar huidige maatstaven een zeer gecompliceerd geheel. Nog los daarvan viel de beugvisserij ook nog eens uiteen in een beugvaart 'te verse' en een beugvaart 'te zoute'. In het eerste geval waren aan boord van het schip zogeheten bunnen aangebracht, bakken met vers zeewater waarin de vis levend kon worden bewaard en aangevoerd. In het andere geval werd de gevangen vis aan boord bewerkt, gezouten en in tonnen opgeslagen. De periode van de beugvisserij gold in feite als een aansluiting op het tijdstip waarop de haringvisserij voor een bepaald jaar werd afgesloten; men noemde daarom de beugvisserij ook wel een wintervisserij. Het ging evenals bij de visserij met de vleet om een passieve vorm van visserij. Zoals de buizen hun netten in zee neer lieten en dan een periode van afwachting in acht namen, zo gold voor het vissen met de beug een wachttijd gedurende de avond en een deel van de nacht. 's Morgens om 3 uur werd de beug visklaar gemaakt, ongeveer om 7 uur werd ze in zee gezet en rond 5 uur in de namiddag vervolgens ingehaald.