De berijpte russula (Russula parazurea) is een paddenstoel uit de familie Russulaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en groeit vooral bij loofbomen, met name eik en beuk. Minder vaak wordt hij bij naaldbomen zoals fijnspar en douglasspar gevonden. In Nederland groeit de soort onder andere in lanen en bossen op al dan niet leemhoudende zandgronden. De wetenschappelijke naam werd in 1931 gepubliceerd door de Duitse mycoloog Julius Schäffer.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed is doorgaans ongeveer 4–9 cm breed. Hij is aanvankelijk gewelfd en wordt later vlak tot enigszins ingedeukt. De kleur is variabel en bestaat meestal uit grijs-, blauwgroene of groenblauwe tinten, soms met violette, roze of bruinachtige schakeringen. Jonge, verse exemplaren hebben vaak een karakteristieke fijn berijpte, matte hoed. Deze berijping kan bij oudere exemplaren of na regen verdwijnen.
Op zonnige of open standplaatsen kan de hoed sterk verbleken en grijsroze, vleeskleurig of grijzig oranje worden. De hoedhuid kan bij oudere exemplaren bovendien gebarsten of craquelé zijn.
Lamellen De lamellen zijn aanvankelijk bleek en worden later crème- tot lichtgeelachtig. Ze staan vrij dicht opeen en kunnen gevorkt zijn. Zoals bij de meeste russula's zijn ze betrekkelijk bros.
Steel De steel is wit, cilindrisch of naar de voet enigszins versmald en kan bij oudere exemplaren bruine of roestkleurige vlekjes krijgen. Een reactie met ijzer(II)sulfaat is middelmatig en vuilroze.
Geur en smaak De geur is weinig opvallend en de smaak is mild.
Sporenprint De sporenprint is bleek crème tot crèmegeel. Volgens de kleurenschaal van Romagnesi valt deze ongeveer in categorie IIa(-b).
Microscopische kenmerken De sporen zijn ellipsoïdaal en meten ongeveer 5,7–8,5 × 5–6,5 µm. Het oppervlak is bezet met lage wratten die door talrijke verbindingslijntjes met elkaar verbonden zijn. Hierdoor ontstaat een gedeeltelijk tot vrijwel volledig netvormig patroon.
De basidia zijn viersporig. Op de vlakken van de lamellen komen pleurocystidia voor. Deze zijn niet talrijk en meten volgens een beschrijving 45–61 × 9–12 µm. Ze zijn buikig tot spoelvormig en hebben een toegespitste, mucronate of soms kort aangehechte top. De cheilocystidia aan de lamelsnede zijn schaars, ongeveer 36–42 × 7–10 µm groot en buikig tot knotsvormig, eveneens vaak met een toegespitste of aangehechte top. In een andere beschrijving worden de hymeniale cystiden opgegeven als 42–78 × 9–12 µm; ze zijn daar beschreven als dunwandig, spoelvormig en gevuld met amorfe inhoud.
De hoedhuid bevat talrijke dermatocystiden (pileocystiden). Deze zijn 4–10 µm breed en meestal knotsvormig; sommige hebben een ingesnoerde, versmalde top. De breedte van deze dermatocystiden kan bij de determinatie van belang zijn. Exemplaren met dermatocystiden breder dan 8 µm passen volgens Kaufmann bij R. parazurea, terwijl die van de gelijkende Russula aeruginea niet breder dan 7 µm zijn.
Levenswijze De berijpte russula is een ectomycorrhizavormende schimmel. In Nederland is hij vooral verbonden met loofbomen, voornamelijk eik en beuk, en minder vaak met spar en douglasspar. Hij groeit onder andere in loof- en gemengde bossen, langs bospaden, in lanen, wegbermen en parken.
De vruchtlichamen verschijnen hoofdzakelijk van de zomer tot in de herfst. In Groot-Brittannië en Ierland worden ze vooral van juli tot oktober gevonden; in Zuid-Europa kunnen vruchtlichamen later in het jaar verschijnen.
Gelijkende soorten De berijpte russula behoort tot een groep russula's die macroscopisch sterk op elkaar kunnen lijken. Vooral de violetgroene russula (Russula ionochlora), duifrussula (Russula grisea) en groene berkenrussula (Russula aeruginea) kunnen voor verwarring zorgen.
Russula parazurea onderscheidt zich onder andere door de combinatie van een vaak berijpte blauw- tot grijsgroene hoed, een bleke crèmekleurige sporenprint en sporen waarvan de wratten door lijntjes met elkaar zijn verbonden. Bij R. ionochlora zijn de wratten daarentegen grotendeels geïsoleerd.
Ook de regenboogrussula (Russula cyanoxantha) kan een vergelijkbare hoedkleur hebben. Deze soort heeft echter opvallend buigzame, minder brosse lamellen en een witte sporenprint.
Verspreiding thumb|right|Europees verspreidingsgebied De berijpte russula komt wijdverbreid voor in Europa, waaronder Groot-Brittannië, Ierland en grote delen van het Europese vasteland.
In Nederland is de soort 'algemeen'. Hij wordt vooral veel aangetroffen op de zandgronden. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas behoort hij tot de niet-bedreigde soorten. Waarnemingen zonder voldoende onderscheidende kenmerken kunnen worden geregistreerd als Russula grisea sensu lato, een verzamelgroep waarin onder andere R. anatina, R. ionochlora en R. parazurea worden opgenomen.
Eetbaarheid De berijpte russula wordt als eetbaar beschouwd, maar staat niet bekend als een bijzonder gewaardeerde eetpaddenstoel.
Foto's
Categorie:Russula Categorie:Eetbare paddenstoel Categorie:Schimmelsoort