Het Estisch is de officiële taal van Estland. De grammatica van het Estisch beschrijft de klankleer, vormleer en zinsleer van deze Europese taal.

De grammatica van het Estisch wijkt sterk af van die van de meeste Europese talen, waaraan de Estische taal dan ook niet verwant is; het Estisch is geen Indo-Europese, maar een Finoegrische taal. De Estische grammatica heeft veel gemeen met die van het Fins en die van andere Finoegrische talen, zoals het Hongaars en het Samisch. Het Estisch maakt veel gebruik van achtervoegsels, die de rol van de Nederlandse voorzetsels hebben, en lijkt daarin dus ook veel op het Turks, ook al is het Estisch niet aan het Turks verwant.

Typologie Typologisch is het Estisch een agglutinerende taal: grammaticale informatie wordt door duidelijk herkenbare morfemen uitgedrukt en die morfemen hebben in principe steeds één betekenis. Het woord maja, “huis”, wordt zo in het meervoud majad (maja-d), en dit meervoudsmorfeem blijft herkenbaar in de naamvallen, bijvoorbeeld inessief majas, (“in het huis”, enkelvoud) naast majades (“in de huizen”, meervoud). De kenletter -s- van deze naamval is op zijn beurt ook in beide vormen herkenbaar. Dit is anders in het Lets, de Indo-Europese taal van Estlands zuidelijke buurland Letland, waar deze vier woorden achtereenvolgens als māja, mājā, mājas en mājās worden vertaald: de uitgangen verschillen ook hier, maar zijn moeilijker als opeenvolgingen van twee morfemen op te vatten. Het Letse woord is overigens wel aan een Finoegrische taal ontleend en dus uiterlijk aan het Estische gelijk.

Het Estisch wordt dus doorgaans getypeerd als een agglutinerende taal, hoewel het zich wel in de richting van een flecterende taal lijkt te ontwikkelen: uitgangen versmelten soms en stammen kunnen vrij radicaal van vorm veranderen (de genitief van tuba, “kamer”, is zo toa). Deze ontwikkeling zien we ook terug in het Fins en het Samisch, maar veel minder in het Hongaars en het (niet-verwante) Turks, andere Europese agglutinerende talen.

Het Estisch als Finoegrische taal Binnen zijn taalfamilie, die van de Fins-Oegrische talen, neemt het Estisch een eigen plaats in doordat het de klinkerharmonie, zo typisch voor het Hongaars, het Fins en de meeste andere verwante talen, heeft afgeschaft. Waar in het Fins alle klinkers in een zeker woord tot dezelfde klasse moeten horen (voorklinkers of achterklinkers), daar kunnen in Estische woorden beide soorten klinkers moeiteloos in hetzelfde woord voorkomen, net zoals in het Nederlands. De zuidelijke dialecten van het Estisch, die soms wel als een aparte taal worden gezien (Võro), hebben de klinkerharmonie wel bewaard.

Een eigenaardigheid van het Estisch die de taal niet alleen van de andere Finoegrische talen, maar ook van de andere Europese talen onderscheidt is het voorkomen van drie klinkerlengtes en, daarmee samenhangend, drie medeklinkerlengtes. Het Estisch onderscheidt dus behalve korte en lange klinkers ook overlange klinkers, en medeklinkers kunnen eveneens overlang zijn. Dit uitzonderlijke verschijnsel komt verder voor in een aantal Nederduitse dialecten en is mogelijk een gezamenlijke ontwikkeling van het Nederduits en het Estisch geweest, een gevolg van het intensieve taalcontact tussen deze twee talen.

Het Estisch is zeer nauw verwant aan het Fins, en dan met name aan de Finse spreektaal, met haar typische verkortingen en grammaticale vereenvoudigingen. Tot op zekere hoogte kunnen Esten Finnen dan ook verstaan. Dit is zeer zeker niet het geval bij het Hongaars, dat zich tot Estisch en Fins verhoudt als pakweg Roemeens tot Nederlands. Met een aantal kleinere Fins-Oegrische talen, zoals het Lijfs en het Wepsisch, is het Estisch nauwer verwant, het vormt met deze kleine talen en de Finse taal de groep van de Oostzeefinse talen. Het Estisch is, ondanks het kleine aantal sprekers (slechts 1,2 miljoen), overigens de op twee na grootste Fins-Oegrische taal, alleen het Fins en het Hongaars zijn groter.

Klankleer Het Estisch heeft een relatief klein aantal basisklanken, waarmee echter een zeer groot aantal morfemen kan worden gevormd, en wel door drie processen toe te passen:

Verlenging (bij klinkers en medeklinkers) Diftongering (bij klinkers) Palatalisering (bij sommige medeklinkers)

Op deze manier kunnen er op basis van negen basisklinkers uiteindelijk 99 verschillende klinkerfonemen worden gevormd (hoewel die niet allemaal gebruikelijk zijn). De vele diftongen en de mogelijkheid, gewone klinkers op drie lengtes uit te spreken (kort, lang, overlang) en de diftongen met twee (lang en overlang) maakt een dergelijke klinkerrijkdom mogelijk. Ook bij de medeklinkers is de rijkdom groot.

Klinkers Het Estisch heeft negen basisklinkers, te weten < a > (fonetisch /a/), < e > (/e/), < i > (/i/), < o > (/o/), < u > (/u/), < õ > (/ɤ/), < ö > (/ø/) en < ü > (/y/). Van deze klanken komt alleen de õ niet in het Nederlands voor, deze klank wordt uitgesproken als een “glimlachende oo”, dus een o zonder lipronding.

Elke basisklinker kan kort, lang en overlang kunnen zijn, zodat er dus 27 fonemen kunnen worden gevormd. Let wel dat deze lange klanken steeds met dezelfde basisklinker worden gevormd, een lange ee is dus weliswaar langer dan de korte e, de articulatie verschilt niet. In het Nederlands is de korte < e > van “schep” ook echt een andere klank dan de lange van “schepen”, dat verschil moet in het Estisch niet worden gemaakt.

Naast deze basisklinkers staan 36 tweeklanken die lang of overlang kunnen zijn (niet kort), waarmee het aantal mogelijke klinkerfonemen als gezegd op 99 zou komen, hoewel een aantal van deze diftongen erg ongebruikelijk zijn, of bijvoorbeeld alleen in een aantal dialecten voorkomen.

In een tabel weergegeven zien de lange klinkers en diftongen er zo uit:

+ Lange klinkers a e i o u õ ä ö ü a aa ae ai ao au e ea ee ei eo (eu) i (ia) (ie) ii (io) iu o oa oe oi oo ou u (ua) (ue) ui (uo) uu õ õa õe õi õo õu õõ ä äe äi äo äu ää ö öa öe öi öö ü (üa) (üe) üi (üo) üü

Een aantal opmerkingen:

De diftongen die tussen haakjes zijn weergegeven worden meestal niet tot de standaardtaal gerekend, ze komen in een aantal dialecten voor. De klanken õ, ä, ö en ü kunnen niet het tweede deel van een diftong zijn. De klinkers in een diftong worden steeds vol uitgesproken, de diftong ei is dus echt een overgang van /e/ naar /i/, het is geen ei zoals in het Nederlands.

Deze lange klinkers en diftongen kunnen ook overlang worden uitgesproken. Dit wordt in de spelling niet aangegeven.

Medeklinkers De Estische medeklinkers kunnen net als de klinkers kort, lang of overlang zijn, met uitzondering van de halfklinker v. Daarnaast kunnen de tandmedeklinkers t, l, n en s ook palataal uitgesproken worden, dus tegen het verhemelte, zodat er een j-klank te horen is (“tj”, “lj”, “nj”, “sj”). Er zijn maar vier echte stemhebbende medeklinkers, namelijk r, l, j en v; verder komen in leenwoorden ook z en ž voor. De overige medeklinkers zijn ofwel stemloos, of nasaal.

In onderstaande tabel zijn de korte medeklinkers weergegeven (met tussen de < haakjes > de gebruikte spelling, dus het grafeem).

+ Korte medeklinkers Labiaal Alveolaar Velaar Glottaal hard zacht Nasaal m < m > n < n > nʲ < n > ŋ < n > Occlusief p < b > t < d > tʲ < d > k < g > Fricatief s < s > sʲ < s > h < h > Approximant ʋ < v > l < l > lʲ < l > j < j > Vibrant r

In onderstaande tabel zijn de lange medeklinkers weergegeven. Alleen deze medeklinkers kunnen ook overlang worden uitgesproken.

+ Lange medeklinkers Labiaal Alveolaar Palataal Velaar Glottaal hard zacht Nasaal mː < mm > nː < nn > nːʲ < nn > Occlusief p: < p > t: < t > tʲ: < t > k: < k > Fricatief sː < ss > sːʲ < ss > h. < hh > Approximant lː < ll > lːʲ < ll > jː < jj > Vibrant rː < rr >

Een aantal zaken dienen te worden opgemerkt:

De medeklinkers f, š, z en ž komen alleen in leenwoorden voor. Ze ontbreken in dit overzicht derhalve. De stemloze medeklinkers /p/, /t/ en /k/ worden op twee manieren gespeld, namelijk als < b >, < d > en < g > als ze kort zijn en als < p >, < t > en < k > als ze lang zijn. Hierdoor is het mogelijk de overlengte aan te geven door verdubbeling, nl. < pp >, < tt > en < kk >, wat bij de andere overlange medeklinkers niet gebeurt. De lengte van een dubbele < mm > (lang of overlang) is dus niet noodzakelijk gelijk aan die van < tt > (altijd overlang). De spelling < b >, < d > en < g > betekent dus niet dat /p/, /t/ en /k/ hier stemhebbend zijn. Alleen in leenwoorden is een stemhebbende uitspraak mogelijk. De palatale uitspraak van < d >, < t >, < s >, < ss >, < l > en < ll > wordt niet in de spelling aangegeven en kan ook niet worden voorspeld. Deze uitspraak komt in een klein aantal woorden voor die apart moeten worden geleerd.

Al bij al komt de spelling van de medeklinkers dus slechts gedeeltelijk met de uitspraak overeen, net als bij de klinkers is het weergeven van overlengte meestal niet mogelijk. Verder wordt ook de palatale uitspraak niet in de spelling weergegeven. Het gaat hier om zaken die voor moedertaalsprekers ook zonder zo'n weergave al duidelijk zijn, maar die het leren van de Estische taal voor buitenstaanders wel bemoeilijken.

Klemtoon Het Estisch heeft, net als de naaste verwanten, een regelmatige klemtoon op de eerste lettergreep. Leenwoorden zijn vaak uitzonderingen, die behouden de oorspronkelijke klemtoon (zoals dat ook in het Nederlands zo is). Verder trekt het morfeem -anna (om iets vrouwelijk te maken, zoals ons “-in” in “vriendin”) de klemtoon naar achteren: sõber – sõbranna (\sɤ.ˈprɑ.nˑɑ\). Sõber betekent hier vriend, sõbranna vriendin.

De Estische klemtoon wordt gerealiseerd door een lichte nadruk, niet door het langer maken van de lettergreep. Dit is wel wat Nederlanders doen als ze ergens de klemtoon op leggen. In het Estisch, waar de lengte van de klinker betekenisverschil maakt, zou deze “Nederlandse” uitspraak tot verwarring kunnen leiden.

Kwantiteit In het Estisch is de zogenoemde kwantiteit van klanken van groot belang, hiermee worden immers betekenisverschillen uitgedrukt. In het Nederlands letten we vooral op de kwaliteit van klanken, een p is bijvoorbeeld stemloos, een b is stemhebbend. De duur van een klank is eigenlijk nooit van belang, ook klinkers die we “lang” noemen (en vaak ook wel iets langer worden aangehouden) hebben in de eerste plaats een afwijkende klank (de a van man en de aa van maan worden echt op een andere manier uitgesproken). In het Estisch is dit dus anders.

In Estische grammatica's worden drie kwantiteiten onderscheiden: kort, lang en overlang. Vanouds kan alleen de beklemtoonde lettergreep deze drie kwantiteiten bezitten, dat is dus meestal de eerste lettergreep; sommige leenwoorden of samenstellingen kunnen van deze regel afwijken. Een korte lettergreep (I) eindigt op een korte klinker, een lange lettergreep (II) eindigt op een lange klinker, een diftong of op een korte medeklinker en een overlange lettergreep (III) eindigt op een overlange klinker, een lange diftong of een lange medeklinker. De drie trappen zien er met voorbeelden zo uit:

eerste trap (kort): ka-la (“vis”) tweede trap (lang): kal-las (“strand”), võõ-ras (“vreemd”) derde trap (overlang): laul (“lied”), maa (land), sepp (smid)

Alleen de spelling < pp > geeft de overlengte goed aan, uit < au > en < aa > in resp. laul en maa blijkt niet dat de klinker overlang is.

Bij de naamwoordelijke verbuiging en de vervoeging van werkwoorden speelt de kwantiteit, en de eventuele verlenging of verkorting daarvan, een rol van betekenis.

Vormleer De vormleer van het Estisch wordt door twee processen gekenmerkt:

Aan de stam van het woord worden morfemen toegevoegd De stam van het woord verandert, er zijn twee “gradaties”

Samen zorgen deze processen voor een grote vormenrijkdom, waardoor met één Estisch woord veel nuances kunnen worden uitgedrukt.

Gradatie