Neovenator is een geslacht van theropode dinosauriërs uit de Neovenatoridae dat leefde tijdens het vroege Krijt. Vondsten van het geslacht werden opgegraven op het Engelse eiland Wight. Het is een van de best uit fossielen bekende vleesetende dinosauriërs uit het Onder-Krijt van Europa. Het dier was ongeveer 7,6 meter lang, woog tussen de 1000 en 3000 kilogram en was een carnivoor.

Vondst en naamgeving In de zomer van 1978 deed een zware storm op de zuidwestkust van Wight een deel van de Grange Chine instorten. De rotsen, met daarin duidelijk zichtbare beenderen, vielen op het strand van Brighstone Bay. De familie Henwood uit Basingstoke die toevallig haar vakantie hield op Wight, leende wat houwelen en spaden en nam de daarmee geborgen botten mee naar huis. In de weken daarna bezocht geologiestudent David Richards de locatie en stelde nog meer botten veilig. Die deed hij toekomen aan het Museum of Isle of Wight Geology en het British Museum of Natural History. Daar stelde paleontoloog Alan Jack Charig vast dat de fossielen aan twee soorten toebehoorden. Eén daarvan was een planteneter die indertijd werd geïdentificeerd als Iguanodon, later als Mantellisaurus maar tegenwoordig bekendstaat als Brighstoneus; de andere was een voorlopig niet te determineren theropode. Die laatste kregen het inventarisnummer BMNH R10001. left|thumb|upright|De Grange Chine Richards had aangegeven dat er nog meer materiaal te vinden was. De "Iguanodon" trok daarbij de meeste belangstelling en begin jaren tachtig stuurde het BMNH een team naar Wight om die verder op te graven. Bij die gelegenheid werd ook een theropode staartwervel gevonden. Die kreeg het nummer MIWG.6348. Wight telt veel amateurpaleontologen en die begonnen hierop onder leiding van het museum de rotsen bij de Grange Chine systematisch uit te kammen. Keith en Jenny Simmonds vonden daarbij delen van de schedel, een groot aantal wervels, ribben, haemaalbogen, buikribben, de linkerschoudergordel en delen van de ledematen. Mark Lumber lokaliseerde daarop het rechterdijbeen en Gabi Hulman elementen uit de linkervoet. Meer botten van de linkervoet werden hierop opgegraven door Rob en Tess George. Dit latere materiaal werd ondergebracht bij zowel BMNH R10001 als MIWG 6348.

Dergelijke uitgebreide vondsten van theropoden waren nooit eerder op Wight gedaan en inspireerden een intensievere speurtocht door de conservator van het MIWG, Steve Hutt. In 1985 groef hij samen met Martin Munt en Robin Reid op een halve kilometer van de oorspronkelijke locatie twee theropode wervels op, van een tweede individu. Deze kregen het nummer MIWG.5470.

In 1987 vond Jenny Simmonds resten van een derde individu, bestaande uit wervels en delen van het bekken, geïnventariseerd onder nummer MIWG.6352. Het MIWG vond hierop van dit exemplaar nog het schaambeen.

In 1990 beschreef Hutt de vondst voorlopig, nog zonder het te benoemen. Daarbij dacht hij dat MIWG 6352 een aparte soort vertegenwoordigde omdat hij het zitbeen voor een schaambeen met een afwijkende kleine voet aanzag. Informeel werd het dier toegewezen aan het geslacht Megalosaurus. Er werd een skeletmodel gemaakt waarvan afgietsels onder de naam "Megalosaurus" aan verschillende musea verkocht werden, wat tot veel verwarring zou leiden.

In 1996 benoemden en beschreven Steve Hutt, David Martill en Michael Barker de typesoort Neovenator salerii. De geslachtsnaam Neovenator betekent nieuwe jager, vanuit het Grieks neo~, "nieuw" en het Latijn venator, "jager". De naam beklemtoont dat het een duidelijk andere vorm was dan Megalosaurus en dat het om een verrassende nieuwe ontdekking gaat. De soortaanduiding eert de familie Salero, de grondeigenaren van de vondstlocatie. Gezien het grote aantal bij de vondst betrokken (amateur)paleontologen, vond men het oneerlijk één daarvan als vinder te eren.

Het holotype is gevonden in een laag van de Wessexformatie die dateert uit het Barremien. Het betreft een gedeeltelijk skelet met schedel en onderkaak. Door de ingewikkelde vondstomstandigheden is het individu, vermoedelijk een jongvolwassen of volwassen exemplaar, verdeeld geraakt over twee collecties. BMNH R10001 omvat tanden, de vijfde en zevende halswervel, de eerste, tweede, vierde tot en met achtste en twaalfde en dertiende ruggenwervel, drie of vier sacrale wervels, staartwervels, delen van de darmbeenderen, het bovenstuk van een schaambeen, stukken van schaambeenschachten, stukken van zitbeenschachten en de onderste uiteinden van de zitbeenderen. MIWG 6348 omvat van de schedel de praemaxillae, een stuk bovenkaaksbeen, een stuk neusbeen, een stuk gehemelte, de voorkant van een dentarium van de onderkaak, de zesde, achtste en negende halswervel, nekribben, de negende, tiende en veertiende ruggenwervel, twee ribben, ribfragmenten, tien tot vijftien buikribben, de eerste tot en met zevende staartwervel, de negende, veertiende, zeventiende, achttiende, eenentwintigste, tweeëntwintigste, vijfentwintigste tot en met achtentwintigste staarwervel, zes achterste staartwervels, vijf chevrons, een schouderblad, een ravenbeksbeen, de bovenkant van een zitbeen, beide dijbeenderen, beide scheenbeenderen, een kuitbeen, een tweede middenvoetsbeen, het eerste en tweede kootje van een tweede teen, een derde middenvoetsbeen, beide derde voetklauwen, een vierde middenvoetsbeen met vierde teen en een vijfde middenvoetsbeen. De gevonden beenderen vertegenwoordigen ongeveer 70% van de skeletelementen.

Het paratype is MIWG 6352, een jongvolwassen dier waarvan bewaard zijn gebleven de tweede, vijfde en zevende ruggenwervel, ribfragmenten, vier sacrale wervels, een sacrale wervelboog, een chevron, wervelfragmenten, een stuk darmbeen, beide schaambeenderen en de bovenkant van een zitbeen.

In 1999 wijdde Hutt zijn proefschrift aan Neovenator.

Na 1987 werden nog meer botten van het holotype gevonden die niet in de beschrijving van 1996 konden worden meegenomen. David Cooper vond een voorste staartwervel die bij MIWG 6348 werd ondergebracht. In 1998 vonden Hutt and Penny Newbery het linkerdijbeen en het rechterscheenbeen. Nick Oliver ontdekte een vierde individu nabij de eerste vindplaats, omvattende een onderkaak, halswervels, stukken van het zitbeen en stukken van de ledematen, geïnventariseerd als IWCMS 2002.186. Andere mogelijke vondsten omvatten de specimina MIWG 4199: een teenkootje van een zeer groot individu geschat op tien meter lengte; MIWG 5121: een tand; en MIWG 5470: een achtste en negende ruggenwervel met een eerste kootje van een derde teen.

In 2008 beschreef Stephen Louis Brusatte de soort in groot detail. Hierna werd het botmateriaal van het holotype verwerkt in een tweede skeletopstelling in het MIWG.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|De grootte van Neovenator vergeleken met een mens; in de voorgrond het ruim zeven meter lange holotype, erachter het tien meter lange exemplaar waaraan specimen MIWG 4199 wellicht toebehoorde Neovenator is een middelgrote theropode. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op zeven meter, het gewicht op één ton. Specimen MIWG 4199 suggereert het bestaan van individuen met een lengte van zo'n tien meter die rond de drie ton zouden hebben gewogen. left|thumb|Een uitbeelding door Fred Wierum Hutt stelde in 1996 verschillende onderscheidende kenmerken vast. Het neusgat is zeer groot. Het neusgat is tweemaal zo lang als hoog. De praemaxilla bevat vijf tanden. Het bovenkaaksbeen heeft een grote fenestra maxillaris welke opening een zesde van de lengte van de tandrij beslaat. De tandkroon beslaat een kwart van de totale tandlengte, dus inclusief wortel. De achterste ruggenwervels hebben pleurocoelen en zijn dus gepneumatiseerd. De voetklauwen hebben bovenop een groeve. Brusatte merkte in 2008 op dat het neusgat in feite niet bijzonder groot is. Het kenmerk van vijf premaxillaire tanden wordt gedeeld met Allosaurus. Gepneumatiseerde achterste ruggenwervels zijn normaal voor Carcharodontosauridae.

In 2001 stelde Darren Naish aanvullende onderscheidende kenmerken vast. De praemaxillae zijn verbonden door een extra penverbinding. Er zijn hoge neuskammen. De kartelingen lopen door over de tandspitsen. Brusatte wees erop dat de neuskammen ook bij Allosaurus voorkomen en dat zulke kartelingen sinds 2001 ook van andere soorten bekend zijn geworden.

De herbeschrijving in 2008 leverde veel extra autapomorfieën op. Het voorste gewrichtsvlak van het intercentrum van de draaier is overdwars verbreed. Het tandvormig uitsteeksel van de draaier heeft foramina langs de zijranden van het voorvlak. Het doornuitsteeksel van de draaier heeft een enkel klein foramen in de zijkant. Bij de achterste halswervels zijn de nekribben vergroeid. Mogelijkerwijs door een vergroeiing met de nekribben zijn bij de achtste en negende halswervel op het facet van de parapofyse de interne luchtkamertjes van de wervel zichtbaar. Bij de voorste ruggenwervels hebben de onderzijden de vorm van scherpe kielen die niet ingesprongen zijn ten opzichte van de zijkanten. Bij de voorste ruggenwervels hebben de hypapofysen, de verdikkingen van de voorste onderranden, de vorm van lage verheffingen. Bij de achterste ruggenwervels worden de facetten van de gewrichtsuitsteeksels zijdelings voortgezet als gebogen beenplaten. Het schoudergewricht is breder overdwars dan lang in de lengterichting van het lichaam. Bij de inkeping onder het voorblad van het darmbeen bevindt zich aan de binnenkant een beenplateau. De zitbeenderen zijn aan hun voorste "voeten" verbonden maar de achterkant van de voeten wijken naar buiten uiteen. De kop van het dijbeen is schuin naar voren, binnen en omhoog gericht. De trochanter minor heeft een robuuste richel op de buitenkant lopen. Aan de buitenkant van het boveneinde van de vierde trochanter toont de achterkant van de dijbeenschacht een verdieping in de vorm van een duimafdruk. De voorste onderkant van het dijbeen is vrijwel plat, slechts ingekeept door een verticaal korte groeve tussen de onderste gewrichtsknobbels. Het onderste scheenbeen heeft aan de binnenkant een ovale verruwing. Het buitenste enkelvlak van het onderste scheenbeen is bovenaan van voor naar achter versmald. De verbreding naar voren en bezijden van het bovenvlak van het scheenbeen heeft een naar beneden gerichte spoor. Het tweede middenvoetsbeen heeft een holle buitenste zijkant voor het contact met het derde middenvoetsbeen.

Skelet Schedel thumb|Model van de schedel De schedel van Neovenator is relatief laag en langwerpig. De praemaxilla is tamelijk kort en draagt vijf tanden in plaats van de meer gebruikelijke vier. Siamraptor, die er vier heeft maar tussen beiden in de stamboom staat, wijst erop dat dit wel eens een geval van convergente evolutie zou kunnen zijn met Allosaurus. Boven de tandrij bevinden zich talrijke aderkanalen. Een studie uit 2015 meldde dat via een CAT-scan een uitgebreid systeem van neurovasculaire kanalen ontdekt was. Dit moest onderscheiden worden van de eveneens aanwezig pneumatische uithollingen. De gezamenlijke foramina zijn gelijkmatig over het buitenste oppervlak verdeeld. In 2017 werden de zenuwkanalen in detail beschreven als uitlopers van de nervus trigeminus. Bij Spinosauridae is dit wel gezien als een aanwijzing voor elektrische organen die gebruikt werden om in het water naar prooi te zoeken maar zo'n functie werd voor Neovenator onwaarschijnlijk geacht. De snuitpunt is vrij spits, een afgeleid kenmerk: de basale toestand is dat het onderste stuk verticaal loopt. De beennaad tussen praemaxilla en bovenkaaksbeen loopt vrijwel verticaal maar steekt bovenaan wat naar achteren uit, zodat de maxillaire tak iets schuin naar boven loopt met een wat driehoekig profiel. Uitsteeksels die de binnenkant van de voorste tak van het bovenkaaksbeen overlappen, liggen vrij laag. Onderaan is er tussen beide elementen een lichte inkeping.