De missie van de jezuïeten in China maakt deel uit van de geschiedenis van de betrekkingen tussen Europa en China. De eerste poging van de jezuïeten om China te bereiken dateert van 1552 en werd ondernomen door Franciscus Xaverius. Hij slaagde er niet in verder te komen dan vestiging op een eiland voor de kust. De missie van de jezuïeten startte feitelijk in 1583 toen Michele Ruggieri en Matteo Ricci toestemming verkregen zich op het vasteland van China te vestigen. Vanaf 1601 verbleef Ricci in Peking. Tot 1630 waren de jezuïeten de enige missieorganisatie in China.

Het historisch beeld in Europa over de missie in China gedurende de zeventiende en achttiende eeuw wordt echter sterk bepaald door die van de jezuïeten als gevolg van hun unieke missiestrategie, hun contacten met de geletterde elite van het land en hun grote hoeveelheid publicaties die gedurende die periode schrijvers en denkers in Europa hebben beïnvloed. Een van de bekendere boeken die de grondslag hiervoor gaf was de China Illustrata van de jezuïet Athanasius Kircher.

Eerdere contacten met de Katholieke Kerk

Tijdens de periode van de Yuan-dynastie was Giovanni da Montecorvino de eerste prelaat van de Rooms-Katholieke Kerk die zich in 1294 daadwerkelijk in Peking vestigde en ook Chinees leerde. In 1307 werd hij door paus Clemens V tot aartsbisschop van Peking benoemd. Gelijktijdig werden er zeven suffragaanbisschoppen benoemd. Na de val van de Yuan-dynastie in 1386 was er echter sprake van het vrijwel volledig verdwijnen van iedere vorm van christendom in China.

Het patronagesysteem miniatuur|Eerste pagina van het verdrag van Tordesillas Dit systeem heeft de structuur van de rooms-katholieke missies in China sterk beïnvloed. In het verdrag van Tordesillas van 1494 was een demarcatielijn bepaald die nieuwe en later ontdekte gebieden tussen Spanje en Portugal verdeelde Het resultaat was dat Portugal Brazilië, de gebieden in Afrika en het Verre Oosten ( India, Japan, China en de Filipijnen) verkreeg. Spanje verkreeg de rest van het Amerikaanse continent maar veroverde in 1565, contrair aan de bepalingen van het verdrag, toch de Filipijnen.

Binnen die invloedssferen hadden de beide naties het exclusieve recht van verdere veroveringen en handel, maar accepteerden ze ook de plicht tot ondernemen van missieactiviteiten. De koningen van beide landen waren verantwoordelijk voor het missiewerk, die als het recht van patronage werd benoemd. In Portugal de Padroado, in Spanje de Patronato real. De koningen hadden de plicht in die invloedssferen kerken en kloosters te stichten. Zij konden aan de Heilige Stoel kandidaten voor bisschoppen in die gebieden voordragen en oefenden ook de kerkelijke jurisdictie uit. In de zestiende eeuw waren Madrid en Lissabon en niet Rome de centra voor de missie.

Structuur en ontwikkeling van de rooms-katholieke missie in het algemeen miniatuur|Boven: Franciscus Xaverius (links), Ignatius de Loyola (rechts) Onder:Johann Adam Schall von Bell (links),Matteo Ricci (rechts) overleggen over de evangelisatie van China. Voorblad van de China Illustrata uit 1667 van Athanasius Kircher In 1585 gaf Paus Gregorius XIII mer de bul Ex pastorali officio de jezuïeten het exclusieve recht voor missieactiviteiten in China en Japan onder auspiciën van de Portugese kroon. Dat betekende in principe dat alleen Portugese Jezuïeten naar China konden gaan. Jezuïeten uit andere landen met dezelfde wens moesten in Portugese dienst treden en ook altijd eerst via Portugal reizen.

Al aan het begin van de zeventiende eeuw was het duidelijk, dat Portugal niet kon voldoen aan de missieverplichtingen in China. Er was een gebrek aan Portugese priesters dat ook niet opgelost werd door jezuïeten afkomstig uit andere landen. In 1600 vaardigde Paus Clemens VIII de apostolische constitutie Onorosa pastoralis officii uit. Hierin ontvingen franciscanen, dominicanen, kapucijnen, augustijnen en karmelieten toestemming tot missieactiviteiten in China ongeacht de nationaliteit van de missionaris, maar nog wel onder uitdrukkelijk auspiciën van de Portugese kroon.

In 1633 vaardigde Paus Urbanus VIII de apostolische constitutie Ex debito pastoralis officii. Hierin gaf gaf hij ook andere naties dan de Portugese en andere ordes toestemming tot het bedrijven van missie in China. Het primaat van de Portugese kroon was hiermee beëindigd. In 1673 vaardigde Paus Clemens X de bul Injunctio nobis uit waarin het ook voor seculiere geestelijken mogelijk werd naar China te gaan. Vanaf ca. 1680 ging de Propagande Fide dit soort geestelijken en geestelijken van andere ordes, zoals de Missions étrangères de Paris uitzenden. Vanaf 1687 was er sprake van een relatief grote instroom van Franse jezuïeten.

Deze ontwikkelingen leidden tot een aanzienlijke variëteit in vertegenwoordigde naties in de Chinese missies. Vaak leidde dat ook tot verschillende loyaliteiten onder de missionarissen. Het leidde vooral tot verschillen in strategie ten aanzien van de missie. De rivaliteit leidde ook tot verschillende houdingen en opvattingen ten aanzien van Chinese riten en uiteindelijk tot de ritenstrijd.

Missiestrategie van de jezuïeten miniatuur|Door de missie gemaakte wereldkaart voor het Chinese hof De missie van de jezuïeten startte in 1583 toen Michele Ruggieri en Matteo Ricci toestemming verkregen zich op het vasteland van China te vestigen. Vanaf 1601 verbleef Ricci in Peking.

De door Matteo Ricci uitgewerkte strategie was sterk beïnvloed door Alessandro Valignano (1539-1606) de grondlegger van het beleid van de orde inzake het accommoderen van opvattingen, rituelen en gebruiken in missiegebieden in de uitoefening van het christendom daar. Valignano had dat beleid met succes geïmplementeerd in Japan. De op basis van de opvattingen van Valignano door Rucci uitgewerkte strategie had vier pijlers: Een beleid gericht op aanpassing aan de Chinese cultuur. In tegenstelling tot andere missies leerden de jezuïeten de Chinese taal en adopteerden de leefstijl van de personen die deel hadden genomen aan het Chinees examenstelsel en de daarbij behorende etiquette. Er was sprake van een strategie voor bekering die aan de top van de samenleving begon. De jezuïeten richtten zich op de geletterde elite. De gedachte daarachter was dat als deze bekeerd was, de gehele bevolking dit voorbeeld zou volgen. Er was sprake van een meer indirecte poging tot verbreiding van het geloof door het gebruik van Europese technologie en wetenschap om de aandacht te krijgen van intellectuele Chinezen. De belangrijkste terreinen waren astronomie, mathematica en cartografie. De jezuïeten boden uurwerken aan de keizer en de elite aan en introduceerden een schilderwijze die de Chinezen verbaasde door het gebruik van perspectief. Zij vertaalden wiskundige werken van onder meer Euclides en werkten aan het Astronomisch Bureau in Peking, waar zij publiceerden over de kalenderrekening. Een tolerantie ten opzichte van bepaalde Chinese opvattingen en waarden. Het belangrijkste deel van die tolerantie lag in in hun opvatting, dat de verering van Confucius en voorouderverering een Chinese cultureel gebruik, een rite, was dat niet strijdig was met het christendom.

Financiën miniatuur|Aankomst van een Portugese kraak vanuit China in Japan De jezuïeten verdeelden hun missiegebieden in geografische eenheden die provincies werden genoemd. Het missiegebied China maakte aanvankelijk deel uit van de provincie Japan. De missie van de jezuïeten in Japan werd tot begin zeventiende eeuw ook als aanzienlijk belangrijker gezien. Het was in die periode de meest prestigieuze onderneming van de orde. In 1618 werd besloten tot een administratieve scheiding van de twee missiegebieden en werd ondanks hevige oppositie van de jezuïeten in Japan een aparte viceprovincie China gecreëerd. De viceprovincie had – verschillend van volwaardige provincies – geen eigen seminaries en colleges in het land, geen permanent aanwezige opleidingen voor novicen. Het was begin zeventiende eeuw slechts een verzameling missieposten. De enige feitelijke onafhankelijkheid van de provincie Japan was het aanwezig zijn van een viceprovinciaal die zijn eigen beslissingen kon nemen ten aanzien van inzet van mensen en middelen in het land.

De missie in China steunde voor een deel in financiële zin op de Portugese kroon, die jaarlijks een bedrag overmaakte via de provinciaal in Japan. Die werd verondersteld dit aan te vullen met een bedrag uit middelen vanuit Japan zelf. Een andere bron van inkomsten voor de jezuïeten in China was de zijdehandel met Japan. Die was lucratief, maar geen stabiele inkomstenbron. De rivaliteit met de missie in Japan gaf belemmeringen in het verkrijgen van concessies om havens te kunnen aandoen. Ongeveer een derde van de schepen bereikte door piraterij en schipbreuk nooit hun bestemming. Er werd tevens belegd in onroerend goed. Er is geen enkel bewijs dat er door jezuïeten ooit geld is geleend aan Chinezen. (gebruikelijke rentepercentages van omstreeks 35% per jaar)

De viceprovincie China was dan ook niet rijk. Het had vrijwel voortdurend schulden aan de provincie Japan. Het arriveren van geld uit Europa was vaak onzeker. De missionarissen ontvingen een jaarlijkse bijdrage die meestal nog niet de helft van hun noodzakelijke uitgaven dekte. Met uitzondering van de situatie in grote steden als Nanking en Peking leefden veel missionarissen in andere residenties in armoede. Hun inkomsten werden soms aangevuld door giften van Chinese christenen. De uitzondering hierop waren de Franse jezuïeten die sinds 1687 in China aanwezig waren en aanzienlijke bijdragen ontvingen van de Franse koning en die op grote schaal in onroerend goed konden beleggen en dat verhuren.

Spanningen en belangrijkste gebeurtenissen miniatuur|Voorpagina van Tianzhu jiangsheng chuxiang jingjie (Het geïllustreerde leven van Jezus Christus) uit 1635 van Giulio Aleni. Een van de vele Chinese vertalingen die door de jezuïeten werden gemaakt De oppositie tegen het christendom in China bij met name de meeste literaten was gebaseerd op noties ontleend aan de Confucianistische Klassieken. Ieder geloof en beweging die afweek van deze ideologie kon als heterodox beschouwd worden en als een bedreiging voor de bestaande morele, culturele en politieke orde worden gezien. Godsdiensten als boeddhisme en taoïsme dienden de confucianistische moraal en politieke orthodoxie te onderschrijven. De jezuïeten trachtten dan ook altijd aan te tonen dat het christendom aan de kant van de orthodoxie stond en het boeddhisme en taoïsme aan de kant van de heterodoxie.

De tegenstand tegen het christendom in China was vooral aanwezig op momenten dat het gezien werd als een bedreiging van de bestaande orde. De missionarissen claimden voor hun religie een afwijkende positie dan die van het boeddhisme en taoïsme en predikten ook dat de morele waarden van het christendom op zijn minst gelijkwaardig waren aan die van het confucianisme. Dat kon geïnterpreteerd worden als een bedreiging van de gewenste ordening.

In de periode tot aan ongeveer 1635 was de belangstelling van literaten voor de opvattingen en de wetenschappelijke inzichten van de jezuïeten het grootst. Voor zover er bekeringen onder de elite voorkwamen waren die in deze periode het grootst in aantal. Na 1635 werd het land getroffen door een reeks van misoogsten met hongersnood en epidemieën als gevolg. Rebellie en muiterij waren het gevolg. Groeperingen die geassocieerd werden met de Witte Lotus veroorzaken chaos. Als gevolg daarvan vermindert de motivatie bij de literaten kennis te nemen van een overtuiging die ook als heterodox kan worden geïnterpreteerd.