Het toneelstuk Adam in Ballingschap, of Aller treurspeelen treurspel is een treurspel van de Nederlandse toneelschrijver en dichter Joost van den Vondel, gepubliceerd in 1664. Op de trouwdag van Adam en Eva weten de gevallen engel Lucifer en zijn trawanten Eva te verleiden om te eten van de verboden vrucht uit de boom van kennis van goed en kwaad. Als vervolgens ook Adam ervan eet, verbant God het paar uit het paradijs. In 2015 nam het stuk plaats 31 in van de Nederlandse theatercanon.50 jaar theaterwetenschap, canon 2015. Literatuurhistorici zijn het er sinds decennia over eens dat Lucifer (1654), Adam in ballingschap en Noah (1667), in de bewoordingen van Gerard Knuvelder, de "meest karakteristieke, meest bewonderenswaardige hoogtepunten van Vondels verbeeldingskracht" vormen.Knuvelder (1971), p. 412. Bevestiging van Knuvelders opinie bieden Romein en Romein-Verschoor (1971), p. 320, en Calis (2008), p. 328.
Het treurspel is karakteristiek voor de laatste periode uit Vondels toneelwerk, waarin alles in het teken staat van de peripeteia, de lotswisseling die in een klassieke tragedie plaatsvindt, hier de zondeval, waarmee meteen de eenheid van handeling is gegeven. De eenheid van tijd is gewaarborgd doordat het stuk speelt op de trouwdag van Adam en Eva. Wel is de eenheid van handeling in zoverre flexibel gehanteerd, dat het bruiloftsfeest in het paradijs in volle gang is, terwijl de duivels elders in de hof hun plannen beramen om de mens ten val te brengen. Wel is dat binnen gehoorsafstand, wat het contrast tussen beide groepen benadrukt. Dit drama is geen oorspronkelijk stuk van Vondel, maar een proeve van translatio, imitatio en aemulatio, waarbij Hugo de Groots Latijnse tragedie Adamus exul het te overtreffen voorbeeld was. De Groots senecaans treurspel werd in Vondels bewerking een sophoclesiaanse tragedie.
Het stuk werd niet opgevoerd tijdens het leven van de dichter. De belangstelling voor Bijbelse toneelstukken was tanende. In 1746, ruim tachtig jaar na eerste publicatie, vond de première plaats in Brussel. Meer dan een eeuw later vond de eerste Nederlandse opvoering plaats. Aan het stuk zijn weinig diepgravende studies gewijd, tot 1945 zelfs nauwelijks. De lyrische taal van het stuk is een veelgeprezen aspect. Zo meende de dichter J.C. Bloem dat de reizang na het derde bedrijf – "misschien het schoonste, zeker van het schoonste, wat Vondel ooit geschreven heeft" – in geen bloemlezing van Vondels werk mocht ontbreken.Bloem (1995), p. 474; vgl. p.420. Voor W.A.P. Smit was Eva's monoloog tijdens het plukken van de appel "een van de aangrijpendste, die Vondel ooit geschreven heeft."Smit (1962), p. 404.
Voorwerk Opdracht De Opdracht is gericht aan de "Kunstbeminnende heeren vaders van het oudemannenhuis en weeshuis", die in de inkomsten van de opvoeringen zouden delen. De eerste van deze charitatieve instellingen kreeg twee derde van de winst, de andere de rest. Beide droegen ook bij aan de kosten van opvoeringen.Calis (2008), p. 328. In werkelijkheid richtte Vondel zich tot de toeschouwers, die worden voorbereid op het toneelstuk, met name op de peripeteia erin. In de opdracht worden alvast drie onderwerpen genoemd die later in het Berecht worden uitgewerkt. Het eerste is "het zuivere gewaet van onnozelheit en Erfrechtvaerdigheit" (r. 20) dat Adam en Eva voor de zondeval dragen, het tweede de leerzaamheid van de stof (al vermeldt Vondel tegen zijn gewoonte in niet van welke aard de les precies is), en ten slotte noemt hij nog het voorbeeld van Hugo de Groot en doelt dan op diens Latijnse tragedie Adamus exul uit 1601.Smit (1962), p. 347.
Berecht Het Berecht betreffende den staet van den eersten mensche, voor en na den val, en eenige omstandigheden omtrent deze stof legt enige zaken uit die in de opdracht werden aangehaald. De term 'erfrechtvaardigheid' doelt op de bovennatuurlijke gave om de tegengestelde neigingen van lichaam en ziel in balans te houden en die door de kerkvaders veelal wordt beschreven als een kleed van deugd.Smit (1962), p. 348. Vondel heeft dit motief gebruikt om een oplossing te vinden voor de moeilijkheid dat Adam en Eva voor de zondeval natuurlijk naakt waren, maar niet naakt op het toneel konden worden vertoond. Daarom zette Vondel het figuurlijke kleed om in een echt gewaad van witte zijde. Voor dit leerstuk ging Vondel te rade bij Gregorius de Grote zoals becommentarieerd door de theoloog Salianus. Vondel volgt diens tekst zeer nauw. Zelfs de verwijzing naar de Ilias gaat op hem terug.Op p. 103 van de WB-editie. Parallelle passages in Smit (1962), p. 350. Verder steunt hij vooral op een studie van Vossius, met name op de samenvattende bovenschriften bij diens hoofdstukken.
De vaagheid waarmee Vondel de leerzaamheid aanduidt, vindt zijn verklaring in de gecompliceerde aard van de zondeval. Daarbij zijn volgens Salianus maar liefst zeven zonden voor allebei de hoofdpersonen betrokken, waarvan ze er maar vier gemeen hebben. Zowel Adam als Eva bezondigen zich aan hoogmoed, ongeloof aan Gods woord, ongehoorzaamheid en zelfverontschuldiging na de zonde. Exclusief voor Adam komen daar nog de volgende drie bij: te grote liefde voor zijn vrouw, nieuwsgierigheid naar het onbekende en verderf van zijn nageslacht. Exclusief voor Eva zijn deze drie: begeerte naar de verboden vrucht, verleiding van Adam en verderf van haar man en de volledige mensheid.Smit (1962), p. 351.
Personages Lucifer, Vorst des afgronds Adam Eva Rei van wachtengelen Gabriël, Rafaël en Michaël, Aartsengelen Asmodé en Belial, Helse geesten Uriël, Gerechtsengel
Synopsis
Eerste bedrijf Voor zonsopgang kondigt Lucifer zijn voornemen aan om Gods lievelingen in het paradijs schade te berokkenen. Hij relativeert de aan God toegeschreven Almacht, want God kan niet ongedaan maken wat eenmaal geschapen is, anders was het met Lucifer wel afgelopen. De opstand in de hemel is mislukt en dit keer dient er minder roekeloos te werk te worden gegaan, want God heeft Adams hof voorzien van een schildwacht van engelen.
Bij zonsopgang ontwaken Adam en Eva, die onder inspiratie van het gezang der vogels een lied aanheffen waarin zij beurtelings eerst de door God gegeven weelde van "vrije wil, onsterfelijkheid en rede" worden bezongen (Adam), dan de wijze waarop God de ongelijke delen ziel en lichaam heeft verbonden (Eva), de oorsprong van de prachtige hof (Adam), God die het paar alles ter beschikking heeft gesteld (Eva), waarna Adam Eva prijst en Eva haar trouw aan Adam betuigt. Als het lied uit is, draagt Adam de wachtengelen op om de schepping te bezingen. Hun rei beschrijft de zes scheppingsdagen.
Tweede bedrijf De aartsengelen Gabriël, Rafaël en Michaël bespreken de voorbereidingen voor de bruiloft van het mensenpaar. Gabriël verdeelt de taken: Michaël zal met zwaard en schild het paradijs bewaken, Rafaël zal het paar bekransen met eeuwig laurier, de rei zal met gewijde hand de dis voorzien van ooft van de boom des levens om zo de mens tegen het verval van de ouderdom te beschermen. Zelf zal Gabriël het paar Gods zegen ontvouwen in een boodschap. Na dit overleg bezoekt Gabriël het paar en biedt hen kronen aan. Als koning van Eden leidt Adam de aartsengel rond door de lusthof, terwijl de hen volgende rei wachtengelen eerst het hemelse gewaad waarmee het mensenpaar bekleed is bezingt (zang en tegenzang), de balans tussen de ziel en het lijf, want de rede onderwerpt zich aan God en het lichaam aan de ziel. Zo zijn lijf en ziel aaneengetrouwd en vanwege de onsterfelijkheid kan de bruiloft eeuwig duren (tweede zang en tegenzang). Toezang: God heeft het mensenpaar verrijkt met een handvest om het mengsel van engelsheid en dierlijkheid vreedzaam te houden. Geen vijand kan hen deren zolang het paar die wet eert.
Derde bedrijf Beschut door de schaduw van de boom van kennis van goed en kwaad ontwikkelen Lucifer en Asmodé een plan om de mens in het verderf te storten. Omdat de ervaring heeft geleerd dat Michaël en zijn manschappen te sterk zijn, moet de confrontatie niet openlijk worden aangegaan maar dient er heimelijk en met list en bedrog te werk te worden gegaan. Asmodé stelt voor om de mens ertoe te brengen van het verboden fruit te eten, want "Gy weet hoe hun dit ooft zo scherp verboden is,/ Geraeckt de zoon 't verbodt des vaders t'overtreden,/ Zoo steeckt hy zich in schult'. Om de wachtengelen om de tuin te leiden, besluiten ze zich als een dier te vermommen, en wel een slang, "schalck en koen". Ook meent Asmodé dat het beter is het mensenpaar niet tegelijk, maar een voor een te bewerken, omdat het mensenpaar één lijn trekt en dus de ander wel zal volgen als er eenmaal één is verleid. Lucifer meent dat het beste met de man kan worden begonnen, aangezien de vrouw een volgzame aard heeft, maar Asmodé ziet risico dat de man niet te vermurwen zal zijn, zodat de beste kans van slagen om bij de vrouw te beginnen en moet men "door de vrou den man zien om te zetten." Hij dicht de vrouw een grotere "snoeplust" toe en ziet haar als "de zwackste van hun beide". Lucifer is er niet van overtuigd dat de man daarna ook toe zal happen, maar Asmodé meent dat "zoo zy 't verzoeckt met traenen", Adam daar niet tegen bestand zal zijn. Bovendien is daar nog de verleiding die van het verbod zelf uitgaat: "Oock terght verbodt de lust. het dreigen van de straf/ Ontvonckt de lust". Ten slotte acht hij Adam ook nog "te bijster op meer wetenschap belust' om de verleiding te kunnen weerstaan. Desondanks draagt Lucifer Asmodé op met Belial bij de man te beginnen het plan uit te voeren.
Asmodé ontbiedt Belial, die onder de indruk is van het paradijs, met de blijde geluiden van de bruiloft. Asmodé legt uit dat "het leven wordt gehanthaeft door het eeten:/ Maer tegens déerste wet iet eeten baert de doot." Belial zal de gedaante van een slang aannemen en "de bruiloftsschael vermengen met venijn." De verleiding dient stapje voor stapje voltrokken te worden, zodat "de doot onweetende gekust" wordt. Op die manier "zal 't vernederen kort volgen op 't verheffen." Belial meent echter dat het verderf beter niet bij de man begonnen kan worden, want die is te scherpzinnig, maar "de vrouwekunne is zwack/ En simpel, als een duif". Bovendien is hij het met Asmodé eens dat de man geen weerstand zal kunnen bieden aan zijn vrouw. Asmodé wijst Belials voorstel om zich als een engel te vermommen echter af, omdat het niet als overtreding zal gelden als Eva de raad van een engel navolgt: "zy kan niet onderscheiden/ Dat uw begeerte met de wet des hemels strijt,/ En wort ontschuldight". En dat is niet de bedoeling. Wel zal Belial als slang de zangerige stem van een engel nadoen. Asmodé verheugt zich er al op dat de bruiloftsgasten en met name de gehate Gabriël met een onheilstijding naar de hemel zullen terugkeren. Maar ook beseft hij dat enig geluk voor het welslagen van de opzet onontbeerlijk is: er moet zich maar net een gelegenheid voordoen om Eva even alleen te spreken en bovendien moet er tussen haar en de slang even een band van sympathie ontstaan, wil zij iets van hem aannemen.
Dan zet de rei het bruiloftslied in door het paar te begroeten en hen te vragen voor te gaan in gezang. Adam bezingt de sterrenhemel en beeldt zelf de zon uit, waarna Eva als maan de zon bezingt, die haar beschijnt. Ook stelt zij voor om even te scheiden en elkaar weer te ontmoeten op de plek waar ze elkaar voor het eerst zagen. In de toezang zingt de rei over de planeten, waarna men aan de dis gaat liggen.
Vierde bedrijf Aangedaan door het bruiloftslied raakt Eva in extase en voelt de band tussen ziel en lichaam verslappen, want Gabriël heeft in zijn rede het hemelse Jeruzalem beschreven. Haar ziel verlangt naar de hemel en nauwelijks nog voelt ze haar lichamelijkheid. Eva prijst de stad, Adam wijst erop dat de grondslag voor die stad de kerk is. Vervolgens prijst hij het paradijs op aarde en benadrukt de taak van de mens om voor nageslacht te zorgen. Adam zondert zich af om met God te spreken.