miniatuur|De hand van koning Leopold I rustend op de grondwet (detail van een standbeeld van Willem Geefs, ca. 1853). miniatuur|Nationale kokarde zoals gedragen tijdens de grondwetgevende bijeenkomsten. De Belgische Grondwet (Frans: Constitution belge, Duits: Verfassung Belgiens) werd aangenomen op 7 februari 1831. Ze organiseert België als een parlementaire, constitutionele monarchie, met ministeriële verantwoordelijkheid voor het regeringsbeleid en scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
Bij het opstellen van de Grondwet was België een unitaire staat, maar sinds 1970 is het land geleidelijk omgevormd tot een federale staat in het kader van opeenvolgende staatshervormingen. Naar aanleiding van deze ingrijpende wijzigingen werd besloten tot een herschikking, de Gecoördineerde Grondwet van 11 februari 1994.De gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, BS 17 februari 1994, 4054.
De Grondwet is mee geëvolueerd met de politieke geschiedenis, maar elementaire principes uit 1831 zijn vandaag nog steeds van toepassing. Exhaustief is de Grondwet niet: enkele grondrechten worden niet gewaarborgd en het verloop van de regeringsvorming, de rol van politieke partijen en de relatie met de Europese Unie worden niet of nauwelijks geregeld.
Men verwijst verkort naar de Belgische Grondwet met Gw. of GW.
Geschiedenis Totstandkoming Op 6 oktober 1830, twee dagen na het uitroepen van de onafhankelijkheid, stelde het Voorlopig Bewind een grondwetscommissie in die een ontwerp moest uitwerken.Deze commission de constitution bestond uit voorzitter Etienne de Gerlache (Luik), Pierre Van Meenen (Leuven), Jean-François Tielemans (Brussel), Paul Devaux (Brugge), Charles de Brouckère (Brussel), Jacques-Hyacinthe Fabry (Luik), Emmanuel Balliu (Gent), Charles Zoude (Namen) en Jean-Baptiste Thorn (Luxemburg). Zoals voorzien werden in de daarop volgende week nog bijkomende leden toegevoegd: Joseph Lebeau (Luik), François du Bus (Doornik), Isidore Jullien (Brugge), Charles Blargnies (Bergen) en Jean-Baptiste Nothomb. Fabry zag af van het mandaat wegens zijn leeftijd en Jullien liet zijn plaats aan Devaux. De uiteindelijke commissie telde dus twaalf leden. Dat er vrij grote eensgezindheid bestond, bleek al op de eerste bijeenkomst op 12 oktober, waar met 8 tegen 1 voor een monarchie gekozen werd. Jean-François Tielemans was de enige tegenstemmer. Op nauwelijks vijf dagen vergaderen waren alle grondlijnen uitgezet. Voor het uitschrijven van het uiteindelijke ontwerp hielden Nothomb en Devaux de pen vast. Het werd met enkele kleine wijzigingen goedgekeurd door de commissie en verscheen op 27 oktober. Vanaf 25 november werd het ontwerp besproken in het Nationaal Congres. Van de alternatieve voorstellen die circuleerden zijn er een twintigtal bewaard gebleven. Het belangrijkste was een ontwerp van Joseph Forgeur, Jean Barbanson, Joseph-Stanislas Fleussu en Charles Liedts, dat meer nadruk legde op provinciale autonomie en democratie. Op 7 februari 1831 sloot het Nationaal Congres de debatten en stemde voor de Belgische Grondwet.
Het resultaat was een evenwichtige synthese van de Franse, Nederlandse en Britse constituties. Zo'n 90% van de artikelen was min of meer verbatim terug te voeren op deze voorbeelden: een 40% was behouden uit de Grondwet van 1815, een 35% was afkomstig uit het Franse charter van 1814 (licht gewijzigd in 1830), 10% uit de Franse grondwet van 1791 en 5% uit de Engelse traditie., "La Constitution belge de 1831. Ses sources, son influence" in Res Publica. Revue de l'Institut belge de science politique, 1968, nr. 10, pp. 107–141. De Britse invloed was diepgaander dan de beperkte letterlijke ontlening suggereert. Er is zelfs beweerd dat de Belgische Grondwet "heel dicht komt bij een schriftelijke reproductie van de Engelse constitutie"., An Introduction to the Study of the Law of the Constitution, 1889, p. 85: "The Belgian constitution indeed comes very near to a written reproduction of the English constitution". Het nieuwe materiaal, ongeveer een tiende deel, ging over zaken als de macht van de koning, de verhouding tussen kerk en staat, de vrijheid van vereniging en de verkiezing van senatoren.
In de finale analyse was de tekst van 1831 geen juridisch amalgaam, maar een originele creatie. Liberaal-pluralistische staatsinstellingen van Engelse snit werden gecombineerd met een Franse visie op de volkssoevereiniteit en het (atomistische) kiezerskorps, onder weglating van het holistische natiebegrip uit de buitenlandse modellen., Eclectisch en toch nieuw. De uitvinding van het Belgisch parlement in 1830-1831 (pdf), Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 2005, nr. 3, pp. 415-416. Het land was geen dynastiek bezit meer van een absoluut vorstenhuis,, "Mille huit cent trente dans l'évolution constitutionnelle de l'Europe" in Revue d'histoire moderne, 1931, nr. 34, pp. 241-256. en zelfs geen gematigde monarchie waar de koning een aantal rechten had afgestaan. Alle macht ging uit van de natie, terwijl de koning geen andere macht bezat dan wat hem uitdrukkelijk was toegekend. Dit constitutionele regime moest een 'besluitenregering' zoals die van Willem I der Nederlanden onmogelijk maken. en , De maat van de monarchie. Macht en middelen van het Belgisch koningshuis, 2016, p. 25. Tegelijk waren de grondwetgevers beducht voor een monolithische opvatting van de volkssoevereiniteit. Ze aanvaardden de burgers als bron van legitimiteit, maar hadden oog voor hun pluraliteit en wensten geen gestalte te geven aan een supra-individuele collectieve actor, zoals de algemene wil., Sovereignty without sovereignty. The Belgian solution, in: Sovereignty, Civic Participation, and Constitutional Law. The People versus the Nation in Belgium, eds. en , 2021, p. 276, 281, Daarom bleef de notie soevereiniteit op de achtergrond en komt de term zelfs niet voor in de grondwet. De grondwetgever van 1831 schuwde abstracte en theoretische principes. Bekende concepten als de scheiding der machten, de rechtsstaat of de scheiding van kerk en staat zijn zeker aanwezig, maar worden niet in alle consequenties doorgetrokken.
Het originele exemplaar heeft verschillende branden overleefd en bevindt zich vandaag nog steeds in het Paleis der Natie in Brussel, waar de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat gevestigd zijn. Daar wordt het bewaard in een kluis van de archiefdienst. Tijdens speciale evenementen kunnen bepaalde stukken van de Grondwet tentoongesteld worden, maar dat is eerder uitzonderlijk.Bron: gids in het Paleis der Natie, gesprek op 16 juli 2014.
Kenmerken De Grondwet markeerde een overgang van verlicht despotisme naar een constitutionele en parlementaire monarchie. De rol van de koning was constitutioneel omschreven en de ministers waren tegenover het parlement verantwoordelijk voor zijn daden. Dat parlement, door cijnskiesrecht voorbehouden aan de vermogende klasse, was georganiseerd in een tweekamerstelsel: de Kamer van volksvertegenwoordigers zou gedomineerd worden door de hoge burgerij en de Senaat door de hoge grondadel. Naar Zuid-Nederlandse traditie was er ruimte gemaakt voor een vrij grote provinciale autonomie, al gingen deze entiteiten terug op een door de Fransen ingevoerde hervorming. De uitgebreide catalogus van grondrechten kreeg een prominente plaats.
Invloed Overal in Europa waar een liberale monarchie werd opgericht, kende het Belgische model navolging., An Historical Introduction to Western Constitutional Law, 2008, p. 237 De Grondwet was niet alleen aantrekkelijk omwille van haar inhoud, maar ook dankzij de beknopte en heldere formulering. De voornaamste imitaties werden aangenomen in Spanje (1837), Griekenland (1844 en 1864), Piëmont-Sardinië (1848), Luxemburg (1848), Bulgarije (1864) en Roemenië (1866). In Nederland (1848), Pruisen (1850) en Iran (1906) vormde zij een gewichtige inspiratiebron, en nog na de Eerste Wereldoorlog kende zij navolging in Polen, Hongarije en Tsjecho-Slowakije.
In het voorbeeld van Nederland ging het om een grondwetsherziening die het parlementarisme en de ministeriële verantwoordelijkheid invoerde, zoals bepleit door Johan Rudolph Thorbecke. Van de achttien nieuwe artikelen waren er tien letterlijk bij de zuiderburen geleend.
Taal De Grondwet was oorspronkelijk in het Frans opgesteld. De Nederlandse vertaling die in het Bulletin officiel des lois et arrêtés royaux de la Belgique verscheen, bleef officieus. Een officiële vertaling werd in 1925 vastgesteld bij koninklijk besluit na voorbereidend werk van de Centrale Commissie voor de Nederlandse Rechtstaal en Bestuurstaal in België, zij het nog steeds zonder rechtskracht. De authentieke Nederlandstalige versie van de grondwet dateert van 1967.Grondwetswijziging van 10 april 1967, BS 3 mei 1967, 4771. In 1991 werd ook een Duitse versie officieel aangenomen.Grondwetswijziging van 23 oktober 1991, BS 31 oktober 1991, 24464.
Herzieningen
Aanvankelijk was de Grondwet uitermate stabiel: bij de afloop van de Eerste Wereldoorlog had maar één grondwetsherziening plaatsgevonden (1893). Ze had gezorgd voor een democratisering van het kiesstelsel, wat ook een thema was van de tweede reeks grondwetsherzieningen (1920-21). Vervolgens kende de Grondwet een nieuwe periode van stabiliteit. Na bijna een halve eeuw werd die doorbroken om een begin te maken met de federalisering van het land. Een tweede staatshervorming volgde in 1980 en vanaf dan zou er bijna geen jaar meer voorbij gaan zonder grondwetsherziening.
De doorgevoerde grondwetswijzigingen zijn (chronologisch volgens afkondigingsdatum): 7 september 1893: invoering van het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen en van de stemplicht, verkrijging van koloniale bezittingen door België, vastlegging van de troonopvolging 15 november 1920: versoepeling van de voorwaarden tot verkiesbaarheid, bezoldiging van volksvertegenwoordigers 7 februari 1921: invoering van het enkelvoudig stemrecht (nadat de verkiezingen van 1919 reeds op die – nog ongrondwettelijke – manier verlopen waren) en van het vrouwenkiesrecht (mits een met 2/3-meerderheid aangenomen wet)Pas 27 jaar later aangenomen: Wet van 27 maart 1948 waarbij stemrecht voor de Wetgevende Kamers aan de vrouwen wordt verleend, BS 22 april 1948. 24 augustus 1921: hervorming van provincies en gemeenten en van de burgerwacht 15 oktober 1921: hervorming van de Senaat (gelijkstelling aan kamer qua initiatiefrecht en termijn, samenstelling, voorwaarden voor verkiesbaarheid, invoering van een onkostenvergoeding) 10 april 1967: invoering Nederlandse grondwettekst 15 januari 1968: verbod op grondwetsherzieningen in oorlogstijd 21 april 1970: opheffing van een overgangsbepaling 20 juli 1970: wijziging van belastingregels 24 december 1970: oprichting van drie cultuurgemeenschappen in het kader van de eerste staatshervorming, mogelijkheid om bevoegdheden af te staan aan internationale organisaties 28 juli 1971: verdeling van Kamerzetels per kiesarrondissement op basis van tienjarige volkstellingen 17 juli 1980: de tweede staatshervorming voorziet in de vorming van drie gemeenschappen en drie gewesten (Brussel bleef nog onuitgevoerd) 29 juli 1980: aanvulling en herschikking van de belastingregels 23 januari 1981: opruststelling van rechters 28 juli 1981: verlaging stemleeftijd naar achttien jaar 1 juni 1983: organisatie van de Duitstalige Gemeenschap 31 juli 1984: verbod op grondwetsherzieningen over de koning tijdens een regentschap, wijze van stemming in het Parlement 3 juni 1985: opheffing van verkiesbaarheidsvoorwaarden 15 juli 1988: derde staatshervorming en grondwetstoetsing door Arbitragehof 20 juni 1989: hervorming van de Duitstalige Gemeenschap 1 februari 1991: versoepeling van verkiesbaarheidsvoorwaarden 17 april 1991: opheffing overgangsbepaling 21 juni 1991: openstelling van troonopvolging voor vrouwen 15 juli 1991: opheffing overgangsbepaling i.v.m. Grondwet van 1815 23 oktober 1991: invoering Duitse grondwettekst