De Duitse taal is nauw verwant aan het Nederlands, wat ook blijkt uit de Duitse grammatica: de woordvorming, de woordvolgorde en de structuur van de werkwoorden vertonen grote gelijkenissen met die van het Nederlands, hoewel er tegelijkertijd verschillen zijn. Vooral bij de naamwoorden zijn de verschillen groot; daar waar het Duits nog naamvallen kent en een erg onregelmatige meervoudsvorming heeft, heeft het Nederlands zijn naamvallen verloren en is de meervoudsvorming veel regelmatiger geworden.
Dit artikel beschrijft de grammatica van het moderne Duits, maar gaat hier en daar in op historische ontwikkelingen en op de overeenkomsten en verschillen met het Nederlands.
Typologie De taaltypologie beschrijft de kenmerken van talen op een systematische manier.
Het Duits is een flecterende taal, wat betekent dat veelal korte morfemen meerdere betekenissen in één keer kunnen uitdrukken. Duitse woorden zijn opgedeeld in drie verschillende klassen, naar woordgeslacht: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.
Het Duits is een accusatieftaal: in zinnen met overgankelijke werkwoorden wordt het lijdend voorwerp morfologisch gemarkeerd, hoewel dit in de praktijk alleen bij mannelijke woorden zichtbaar is. Bijvoeglijke naamwoorden staan voor zelfstandige naamwoorden, en genitiefvormen staan meestal achter datgene waarmee ze een bezitsrelatie uitdrukken. Opmerkelijk is de woordvolgorde (zie zinsleer), die wel als V2 wordt beschreven.
Voor al deze typologische verschijnselen geldt dat ze ook in het Nederlands voorkomen.
Klankleer Het Duits kent een relatief grote verscheidenheid aan klanken, waarmee relatief veel verschillende clusters gemaakt kunnen worden. Woorden worden duidelijk afzonderlijk uitgesproken, er is weinig assimilatie. De zinsmelodie is afwisselend en afhankelijk van de nadruk die de spreker ergens op wil leggen.
Klinkers Het Duits heeft zowel monoftongen (eenvoudige klinkers) als diftongen (tweeklanken).
+Monoftongen in de Duitse standaardtaal voor midden achter ongerond gerond ongerond gerond kort lang kort lang kort lang kort lang Gesloten Halfgesloten () Halfopen () Open
Een aantal opmerkingen:
De volgende klinkers kunnen zowel lang als kort zijn: /a/, /ɛ/. Niet alle sprekers gebruiken echter de lange /ɛː/ (zie onder), voor veel sprekers kan dus alleen de /a/ lang én kort zijn (“Jan ist ein Mann”). De volgende klinkers kunnen alleen kort zijn: /ɪ/, /ʏ/, /ʊ/, /œ/, /ɔ/. De volgende klinkers kunnen alleen lang zijn: /i:/, /y:/, /uː/, /eː/, /øː/, /oː/. De volgende klinkers komen alleen in onbeklemtoonde lettergrepen voor: /ə/, /ɐ/. De /ɛː/ (lange è) komt voor in woorden als Käse, Porträt, maar wordt door veel sprekers niet zo uitgesproken, zij laten hier de gewone lange ee horen (/ke:zə/). Voor deze sprekers is een korte e dus altijd /ɛ/, de lange e altijd /e:/.
Naast deze monoftongen zijn er drie diftongen, te weten /aɪ̯/, /aʊ̯/ en /ɔʏ̯/.
De klinkerlengte wordt in de spelling weergegeven door een onderscheid tussen open lettergrepen (die eindigen op een klinker of een enkele medeklinker) en gesloten lettergrepen (die eindigen op meerdere medeklinkers). De korte klinkers /a/, /ɛ/, /ɪ/, /ʏ/, /ʊ/, /œ/, /ɔ/ worden in gesloten lettergrepen respectievelijk als < a >, < e >/<ä >, < i >, < ü >, < u >, < ö >, < o > weergegeven, de lange medeklinkers /a:/, /ɛ:/, /i:/, /y:/, /uː/, /eː/, /øː/, /oː/ in open lettergrepen respectievelijk als < a >, <ä >, < ie >, < ü >, < e >, < ö >, < o >. De onbeklemtoonde klinkers /ə/ en /ɐ/ worden meestal als <e> en <er> gespeld, de diftongen /aɪ̯/, /aʊ̯/ en /ɔʏ̯/ in principe als < ei >, < au > en < eu >/< äu >.
Medeklinkers Het Duits heeft 25 medeklinkers, 26 als de glottisslag wordt meegeteld (in onderstaande tabel is deze klank opgenomen).
+ Medeklinkers in de Duitse standaardtaal bilabiaal labiodentaal alveolaar postalveolaar palataal velaar uvulaar glottaal steml. stemh. steml. stemh. steml. stemh. steml. stemh. steml. stemh. steml. stemh. steml. stemh. steml. stemh. Occlusief nasaal fricatief approximant affricaat
Bij de medeklinkers vallen een aantal zaken op:
Tegenover de stemloze occlusieven p, t k staan de stemhebbende occlusieven b, d g, maar stem is niet het enige verschil: p, t en k worden, als zij voor een klinker staan, geaspireerd, ze klinken dan als ph, th, kh. In clusters (bv. st-, sp-) blijft de aspiratie achterwege. De stemhebbende medeklinkers worden vaak nauwelijks stemhebbend uitgesproken, het onderscheid wordt ook wel als fortis-lenis beschreven. De /ç/ en de /x/ zouden ook als allofonen van eenzelfde foneem kunnen worden gezien, gespeld als <ch>: de /ç/ komt na voorklinkers voor, de /x/ na achterklinkers. De r heeft verschillende realisaties. Na klinkers is het meestal een halfklinker (bier → “bie-a”), voor klinkers komen zowel de huig-r als de tongpunt-r voor. De huig-r is in Duitsland wel het meest algemeen, de tongpunt-r is vooral een zuidelijk verschijnsel. In de tabel is voor de huig-r gekozen. De affricaat pf- is een zeer zeldzame klank, vooral bekend uit het Duits en de Duitse dialecten, maar ook opgetekend voor een dialect van het Tsonga. De glottisslag (keelsluiting) komt voor klinkers als die aan het begin van een woord staan, bv. [ʔɪç] ich (“ik”), [aɪ̯nˈʔafə] ein Affe (“een aap). Door de glottisslag kan de grens tussen woorden en lettergrepen worden verduidelijkt. In het Nederlands komen deze glottisslagen ook voor, maar ze zijn vooral typisch voor het Nederlands in Nederland.
De spelling van de medeklinkers is lang niet altijd geregeld volgens het principe één klank, één letter, vaak zijn meerdere tekens nodig om één klank weer te geven. Te denken valt aan digrafen als < ch >, < ng > en < pf >, naast de bekende dubbele medeklinkers als < nn >, < ll >, waarmee de geslotenheid van een lettergreep wordt uitgedrukt. Voor de /ʃ/ zijn drie letters nodig: < sch >; voor de /t͡ʃ/ zelfs vier: < tsch >.
Lettergreepstructuur Het Duits staat vrij lange consonantenclusters toe, zowel aan het begin als aan het einde van de lettergreep: Straße (['ʃtra:sə], “straat”), du hältst ([du hɛltst], “jij houdt”). De lettergreepstructuur laat zich dan ook omschrijven als:
(C) (C) (C) V (C) (C) (C) (C)
C staat voor een medeklinker (consonant), V voor een klinker (vocaal). Iedere lettergreep heeft ten minste een klinker en een variabel aantal medeklinkers, maximaal drie voor en vier na de klinker.
In de praktijk zijn het alleen combinaties van de clusters st- en sp- met een r of l die voor de lange clusters aan het begin zorgen. Het Nederlands kent dezelfde mogelijkheden, en heeft zelfs nog een extra cluster schr- ([sxr]), dat in het Duits niet voorkomt (de spelling <schr> staat hier voor [ʃʁ]).
Klemtoon De klemtoon valt in het Duits op de stam van het woord. Meestal is dat ook de eerste lettergreep, tenzij het woord een voorvoegsel heeft: lehren, Lehrer, Lehrerin, lehrhaft, Lehrerkollegium, belehren. Sommige voor- en achtervoegsels trekken de klemtoon naar zich toe, dan valt die dus van de stam weg: Aus-spra-che, vor-le-sen, Bä-cke-rei. In leenwoorden horen we vaak nog de klemtoon die het woord ook in de brontaal had.
In woorden heeft de beklemtoonde lettergreep niet alleen de nadruk, deze lettergreep is ook wat langer, terwijl de overige lettergrepen korter en minder duidelijk uitgesproken worden. Het ritme van het Duits wordt dus door de klemtonen bepaald, het is een “stress-timed” taal (soms wel “morse-taal”). De intonatie is stijgend bij vragen, dalend in antwoordzinnen en zwevend bij gewone mededelingen.
Vormleer De Duitse vormleer is voor die van een Germaanse taal opmerkelijk conservatief: naamvallen, werkwoordsvervoegingen en de wijzen van het werkwoord worden nog uitgedrukt, daar waar met name het Engels, het Afrikaans en de grote Noord-Germaanse talen deze vormen overboord hebben gegooid; alleen het Faeröers en het IJslands zijn op dit punt met het Duits te vergelijken, terwijl het Nederlands en het Fries een middenpositie innemen.
Werkwoorden Het Duitse werkwoord kent verschillende tijden en wijzen. In het uitdrukken van die tijden en wijzen heeft het hulpwerkwoord een rol, in de gesproken taal meer dan in de geschreven taal, maar er bestaan ook synthetische vormen. Bij de werkwoordsvervoeging valt op dat er in de aantonende wijs voor elke persoon eigen vormen bestaan, alleen de eerste en derde persoon meervoud hebben dezelfde vorm (in de verleden tijd vallen ook de eerste en derde persoon enkelvoud samen).
Er bestaat net als in het Nederlands een klasse van sterke en zwakke werkwoorden. Dat onderscheid is in het Duits zowel voor de vervoeging in de tegenwoordige als in de verleden tijd relevant, en verder voor de vorming van deelwoorden.
Sterke werkwoorden hebben in de tegenwoordige tijd umlaut (bij de tweede en derde persoon van de aantonende wijs), in de verleden tijd ablaut en umlaut (dat laatste alleen bij de aanvoegende wijs); de voltooide deelwoorden krijgen de uitgang -en. In onderstaande tabel de werkwoorden bleiben (“blijven”), bieten (“bieden”), singen (“zingen”), brechen (“breken”), geben (“geven”), fahren (“gaan met een voertuig”) en laufen (“lopen”).
+ Sterke werkwoorden bleibenbietensingenbrechengebenfahrenlaufen o.t.t. aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs 1e pers. ev. ich bleibe ich bleibe ich biete ich biete ich singe ich singe ich breche ich breche ich gebe ich gebe ich fahre ich fahre ich laufe ich laufe 2e pers. ev. du bleibst du bleibest du bietest du bietest du singst du singest du brichst du brechest du gibst du gebest du fährst du fahrest du läufst du laufest 3e pers. ev. bleibt bleibe bietet biete singt singe bricht breche gibt gebe fährt fahre läuft laufe 1e pers. mv. wir bleiben wir bleiben wir bieten wir bieten wir singen wir singen wir brechen wir brechen wir geben wir geben wir fahren wir fahren wir laufen wir laufen 2e pers. mv. ihr bleibt ihr bleibet ihr biett ihr bietet ihr singt ihr singet ihr brecht ihr brechet ihr gebt ihr gebet ihr fahrt ihr fahret ihr lauft ihr laufet 3e pers. mv. bleiben bleiben bieten bieten singen singen brechen brechen geben geben fahren fahren laufen laufen o.v.t. aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs aant. wijs aanv. wijs 1e pers. ev. ich blieb ich bliebe ich bot ich böte ich sang ich sänge ich brach ich bräche ich gab ich gäbe ich fuhr ich führe ich lief ich liefe 2e pers. ev. du bliebst du bliebest du botst du bötest du sangst du sängest du brachst du brächest du gabst du gäbest du fuhrst du führest du liefst du liefest 3e pers. ev. blieb bliebe bot böte sang sänge brach bräche gab gäbe fuhr führe lief liefe 1e pers. mv. wir blieben wir blieben wir boten wir böten wir sangen wir sängen wir brachen wir brächen wir gaben wir gäben wir fuhren wir führen wir liefen wir liefen 2e pers. mv. ihr bliebt ihr bliebet ihr botet ihr bötet ihr sangt ihr sänget ihr bracht ihr brächet ihr gabt ihr gäbet ihr fuhrt ihr führet ihr lieft ihr liefet 3e pers. mv. blieben blieben boten böten sangen sängen brachen brächen gaben gäben fuhren führen liefen liefen geb. wijs volt. deelw. geb. wijs volt. deelw. geb. wijs volt. deelw. geb. wijs volt. deelw. geb. wijs volt. deelw. geb. wijs volt. deelw. geb. wijs volt. deelw. bleib, bleibe! geblieben biet, biete! geboten sing, singe! gesungen brich! gebrochen gib! gegeben fahr, fahre! gefahren lauf, laufe! gelaufen
Enkele opmerkingen:
De ablaut verloopt volgens voorspelbare processen, als bleiben gaan zo ook veel andere woorden met een -ei- in de stam (vgl. Nederlands -ij-); deze groep werkwoorden is echter niet meer productief, nieuwe werkwoorden zijn zwak, waardoor de sterke werkwoorden vaak als onregelmatig worden gezien. De zeven werkwoorden zijn elk een voorbeeld voor de zeven sterke klassen.