thumb|Times Square in New York, een icoon van het kapitalisme.
Het kapitalisme is een economisch systeem dat is gebaseerd op investeringen van geld in de verwachting winst te maken. De productiemiddelen zijn meestal in privaat eigendom van particuliere ondernemers die daarbij veelal gebruikmaken van loonarbeid om meerwaarde te creëren. Zij genieten daarbij een grote mate van juridische vrijheid om over deze middelen te beschikken, de vrije ondernemingsgewijze productie. Deze vrijheid betekent ook dat er sprake is van concurrentie, wat maakt dat ondernemers er belang bij hebben om de efficiëntie van hun onderneming te vergroten. Daarom zal de kapitaalbezitter de winst niet volledig consumeren, maar herinvesteren in de onderneming en vindt kapitaalaccumulatie plaats. De distributie van producten wordt geregeld door de markt, waarin de rol van de overheid (in principe) beperkt is tot die van marktmeester.
Geld en kapitaalaccumulatie hebben in het kapitalisme de primaire rol overgenomen van de behoeftebevrediging in het economische proces. Met het winststreven als doel van productie onderscheidt de markteconomie zich onder meer van de slechts op eigen consumptie gerichte productie van de zelfvoorzieningslandbouw en de op patronage en patrimonialisme gerichte productie van het feodalisme.
Deze beschreven principes beschrijven een ideaaltype van de kapitalistische economie, die echter in verschillende historische omstandigheden verschillende uitdrukkingsvormen heeft gekregen. Gemengde economieën kennen een grotere rol toe aan de staat dan een "zuiver" kapitalisme, hetzij om de economische efficiëntie te vergroten, hetzij om de werknemers te laten delen in de winst.
De principes van het kapitalisme vinden hun klassieke formulering in het werk van de Schotse moraalfilosoof Adam Smith (1723–1790), die het echter niet als zodanig benoemde. Latere onderzoekers hebben de oorsprong van het kapitalisme gezocht in economische ontwikkelingen in het laatmiddeleeuwse Europa. Van daaruit heeft het kapitalisme zich over de wereld verspreid, aangedreven door het streven naar accumulatie, dat in zich een tendens bevat om steeds nieuwe bronnen van rijkdom (grondstoffen, afzetmarkten, goedkope arbeidskrachten) aan te boren. In de twintigste eeuw was het kapitalisme een van de twee dominante economische stelsels, naast het communisme. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het proces van mondialisering aan het eind van de twintigste eeuw bezit het kapitalisme een wereldwijde hegemonie.
Bij het kapitalisme behoort een visie van de mens als homo oeconomicus: een rationeel, door eigenbelang gedreven individualisme dat een sterke nadruk legt op efficiëntie, spaarzaamheid en concurrentie in alle geledingen van de maatschappij. Dit positieve beeld vindt zijn sterkste uitdrukking in het liberalisme. Een minder rooskleurig beeld van het kapitalisme wordt geschetst door denkers als Karl Marx, die de nadruk leggen op de machtsverhoudingen tussen kapitaalbezitters en degenen die, bij gebrek aan kapitaal, genoodzaakt zijn te leven van hun arbeid.
Door de uiteenlopende ideeën die, vaak langs ideologische lijnen, in de tijd zijn ontwikkeld over wat het kapitalisme inhoudt, zijn deze kenmerken echter omstreden. Bijgevolg wordt het begrip 'kapitalisme' als een wezenlijk betwist begrip gezien.The Radical Middle Class, Robert D. Johnston, Princeton University Press, 2003, , p. 81. Voorname denkers over het kapitalisme zijn Adam Smith, Karl Marx, Max Weber, Werner Sombart, Ludwig von Mises, Fernand Braudel en Friedrich von Hayek.
Etymologie De term kapitalisme komt van het woord kapitalist dat op zijn beurt afkomstig is van het woord kapitaal. De Hollandtsche Mercurius gebruikte de term kapitalist in 1633 en 1654 ter verwijzing naar mensen die eigenaar waren van kapitaal.Fernand Braudel: The Wheels of Commerce: Civilization and Capitalism 15th–18th Century; 1979; blz. 232 - 237. De term kapitaal is afkomstig van het Latijnse capitale, hetgeen "veestapel" betekent en op zijn beurt is afgeleid van caput ("hoofd" of "kop"). Capitale werd in de 12 en 13de eeuw gebruikt ter verwijzing naar fondsen, goederen, geldsom of rente in geld. De oorsprong van de term kapitalisme wordt toebedeeld aan Louis Blanc in 1850.
Definities Bij Marx De marxistische definitie van kapitalisme (die echter niet uitsluitend door marxisten wordt gehanteerd) is voornamelijk ideologisch van aard en legt de nadruk op het winstoogmerk. In Marx' eigen definitie van kapitalisme is dit een stelsel waarin geld het verkrijgen van meer geld als primaire functie heeft, zoals samengevat in de formule G—W—G'=G+ΔG:Strict genomen is dit de definitie van kapitaal, niet kapitalisme, een woord dat Marx doorgaans vermijdt. Wel gebruikt hij het bijvoeglijk naamwoord kapitalistisch om de hier beschreven verschijnselen aan te duiden, en noemt hij degenen die het streven naar winst en accumulatie uitvoeren, kapitalisten. geld wordt verruild voor (koop)waar, die weer verruild wordt voor een geldbedrag dat ΔG hoger is dan het oorspronkelijke bedrag. Omdat dit grotere geldbedrag weer de functie van vermeerdering (accumulatie) op zich neemt, omschrijft de formule een kringloop en beschrijft ze een economie die de neiging heeft om te groeien.
De formule is direct toepasbaar op de handel, waarvan het doel is om waren zo goedkoop mogelijk in te kopen en zo duur mogelijk te slijten. De marxistische analyse richt zich echter voornamelijk op de kapitalistische productiewijze, de inrichting van gehele nationale economieën volgens het winstprincipe, loonarbeid en marktwerking. De formule luidt hierG — W=A+Pm /... P ... W' — G'=G+ΔG,oftewel, geld G wordt geruild tegen waren W, bestaande uit arbeidskracht A en productiemiddelen Pm, die gebruikt worden in productie P om een product W' te verkrijgen dat een geldbedrag G'=G+ΔG opbrengt. Deze manier van produceren veronderstelt dat de geproduceerde waren, maar ook de productiemiddelen en de arbeidskracht op markten verkocht worden. Daarvoor is een wettelijke garantie van particuliere eigendom noodzakelijk en moet het bovendien voor een deel van de bevolking noodzakelijk zijn om in loondienst te treden: de mogelijkheid tot zelfvoorzieningslandbouw moet zijn afgesneden door privatisering van het grondbezit. De ontwikkeling hiervan wordt geplaatst in het vroegmoderne Europa, met het proces van enclosures in Engeland als belangrijk keerpunt.
Bij Weber Max Weber maakt eveneens het streven naar winst en het verschijnsel van herinvestering tot onderdeel van zijn definitie van kapitalisme. Hij legt sterk de nadruk op het rationele karakter van het kapitalisme: het is niet hetzelfde als hebzucht, maar veeleer de beteugeling hiervan, die benodigd is om rijkdom en winst te investeren in plaats van ze slechts te consumeren, op te potten of ten toon te spreiden. Ook berust kapitalisme voor Weber op de boekhouding, de continue berekening van waarde en de effectieve meting van arbeidstijd.
Hoewel Weber kapitalisme, volgens zijn definitie, al aan het werk ziet in de oudheid, is ook zijn aandacht vooral gericht op kapitalisme als ordenend principe in moderne westerse samenlevingen. Verschil met alle eerdere vormen van kapitalisme zijn de vrije loonarbeid en de ontwikkeling van de markt als het regulerende principe van de gehele economie. Controversiëler dan Webers idee van kapitalisme als een rationele ordening, is zijn stelling dat dit systeem alleen heeft kunnen ontstaan onder invloed van het protestantisme, dat een geest van spaarzaamheid, individualisme, uiterlijke bescheidenheid en werklust propageerde.
Bij Braudel en Wallerstein Bij de historicus Fernand Braudel en diens volgelingen in zowel de Annales-school als de wereld-systeemtheorie (met name Immanuel Wallerstein) wordt een historische en politieke definitie van kapitalisme gehanteerd, waarin de nadruk ligt op het internationale karakter van de economische inrichting. Kapitalisme is hier vooral een grensoverschrijdende economische ordening die (in tegenstelling tot alle eerdere stelsels) nooit is ingekapseld door één staat, door een imperium. Dit betekent dat de economische macht van kapitaalbezitters náást de politieke macht bestaat en niet een ondergeschikte positie inneemt, zoals dat bijvoorbeeld het geval was in 's werelds grootste markteconomie vóór de opkomst van het kapitalisme: het vroegmoderne China.
De oorsprong van het kapitalisme wordt door Braudel en Wallerstein gekoppeld aan de staatsvorming in het laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Europa. De crisis van de late middeleeuwen en de Honderdjarige Oorlog vormen een keerpunt. Wat in de periode hierna in Europa ontstond was een stelsel van staten die elkaar in balans hielden (met het Habsburgse rijk als laatste grote poging tot een Europees imperium), een neiging van de 'ingeklemde' staten om buiten het continent handel te gaan drijven (te beginnen met de verkenningstochten van de Portugezen) en een stelsel van handel en financiering over de grenzen heen.
Geschiedenis thumb|De gouden standaard vormde de financiële basis van de internationale economie tussen 1870 en 1914.Geschiedkundigen onderscheiden verschillende periodes voor het kapitalisme: Werner Sombart onderscheidt het vroegkapitalisme vanaf halverwege de dertiende eeuw tot halverwege de achttiende eeuw, het hoogkapitalisme van ongeveer 1750 tot 1914 en het huidige laatkapitalisme. Het kapitalisme in de tijd van Adam Smith ziet er dan ook wezenlijk anders uit dan de huidige vormen. In de tijd van Smith waren er veel kleine bedrijven waar de eigenaar nog direct betrokken was bij de bedrijfsvoering. Door de geringe grootte van de bedrijven en het grote aantal ervan, kon bijna volkomen mededinging verwezenlijkt worden. Tegenwoordig zijn er echter enorme multinationals met een grote marktmacht, waarbij het eigendom is opgezet door aandeelhouders met beperkte aansprakelijkheid en gescheiden is van de bedrijfsvoering.
Individualisme Het kapitalisme vindt zijn oorsprong in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond uit het feodale systeem in de late middeleeuwen. De arbeidsverdeling zette in deze periode steeds verder door, wat een proces van individualisering in gang zette, versterkt door de overgang van een agrarische naar een stedelijke samenleving.
Naast elkaar ontstonden het vroegkapitalisme en het mercantilisme. Gedurende de negentiende eeuw ontstond echter in de klassieke economie het inzicht dat vrijhandel zowel absolute als comparatieve voordelen bood en verminderde de invloed van het mercantilisme om plaats te maken voor economisch liberalisme. In de neoklassieke economie kwam de vrijheid van het individu centraal te staan, aangezien de onzichtbare hand met het nastreven van eigenbelang de motor van de welvaart van de hele samenleving zou zijn. Om deze vrijheid in economisch handelen te bereiken, moest de staat zich als nachtwakersstaat beperken tot de garantie daarvan en op het vlak van productie en handel een politiek voeren van laisser-faire.
Markteconomie Drie tot vier eeuwen na China ontstond in Europa een markteconomie. In tegenstelling tot in China had de staat daarbij geen dominerende rol door het ontbreken van een unitaire gezagsstructuur. Handelaren en bankiers konden in enkele stadstaten de macht zelfs naar zich toe trekken. Een proces van economische, sociale en technologische veranderingen zocht zijn weg naar waar het politieke klimaat het toeliet en waar zij niet gehinderd werden door kerkelijke of politieke overheden.