De tweerijkenleer, tweestatenleer of tweeregimentenleer is een christelijke doctrine die stelt dat christenen deel uitmaken van twee rijken, het wereldlijke en dat van Christus. Dit is vooral van belang gebleken bij de vraag welke plaats de Kerk heeft binnen de wereldlijke macht. De standpunten variëren daarbij van een theocratie met de Bijbel als leidraad, een scheiding van kerk en staat waarbij de Bijbel leidend is en een vorm waarbij de staat leidend is.
Hoewel leer impliceert dat er sprake is van een uitgewerkte theorie, is er veelal sprake van denkers die niet gepoogd hebben expliciet een tweerijkenleer neer te zetten, maar waar die in latere werken aangehaald werden om dit standpunt kracht bij te zetten.
Romeinse Rijk thumb|De zuidwestelijke ingang van de Hagia Sophia. Links Constantijn de Grote die de stad Constantinopel aanbiedt aan Maria in het midden, terwijl Justinianus I rechts haar de Hagia Sophia aanbiedt. De Romeinse keizers hadden grote invloed op de vorming van het christendom. In het Romeinse rijk kwam er langzaam een einde aan de christenvervolgingen. Tijdens de regering van Constantijn (307-337) werd in het edict van Milaan (313) godsdienstvrijheid toegestaan. In feite werden vanaf dat moment de andere godsdiensten dan het christendom benadeeld. Dat kwam met de prijs van onafhankelijkheid van de Kerk, aangezien Constantijn een verenigde kerk nodig had als legitimatie. In 325 riep hij dan ook op tot een oecumenisch concilie om consensus te bereiken in de Kerk door middel van een vergadering die het hele christendom vertegenwoordigde. Tijdens het concilie van Nicea werd het Arianisme veroordeeld en de geloofsbelijdenis zoals die vandaag de dag bekend is vastgelegd. Sindsdiens zagen Romeinse keizers zichzelf niet alleen als de aangesteld door God, maar als plaatsvervangers en dus als hoofd van de Kerk. Na het uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk kreeg de Kerk weer ruimte om zich te ontdoen van de wereldlijke bevoogding, ondanks pogingen vanuit het Oost-Romeinse Rijk om de band te herstellen.
Augustinus De dualistische visie van een tweerijkenleer kwam voor het eerst naar voren in De civitate Dei, Over de stad Gods, van Augustinus (354–430). Naast de hemelse stad, civitas caelestis, zag Augustinus de aardse stad, civitas terrena, zoals ook een onderscheid is te maken tussen geest, spiritus, en lichaam of vlees, caro, zoals in Romeinen 8. Het vlees is daarbij de natuur van de mens en als men leeft volgens het vlees, dan leeft men volgens de duivel. Leeft men volgens de geest, dan leeft men volgens God. Dit alles uit zich vooral in de liefde, waarbij er enerzijds liefde kan zijn voor zichzelf of anderzijds liefde voor God.
Het aardse leven is daarbij op zich niet slecht, zolang men zich maar richt op het leven na dit leven, door vroomheid en gerechtigheid. Dat geldt ook voor de machthebbers: Remota iustitia, quid sunt regna nisi magna latrocinia? Zonder gerechtigheid, wat zijn naties anders dan grote roversbenden? De Kerk, de ecclesia, geldt bij Augustinus overigens niet als onderdeel van de civitas Dei, want deze is een gemengd lichaam, een corpus permixtum, en bestaat uit zowel reinen als onreinen.
Middeleeuwen Gedurende de Middeleeuwen was de leer van Augustinus van grote invloed. Paus Gelasius I (492-496) stelde in 494 op basis van Matteüs 22:21Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort. in zijn tweezwaardenleer de geestelijke en wereldlijke machtssferen voor als zwaarden. De twee machten moesten niet tegen elkaar vechten, maar elkaar versterken.
In toenemende mate begon echter tegen de leer van Augustinus in de kerk gelijkgesteld te worden met de civitates Dei. Kerstening van de staat werd van groot belang wat in 800 culmineerde in de kroning van Karel de Grote (747 of 748-814) tot keizer, wat zou uitmonden in het Heilige Roomse Rijk dat ondanks het voortbestaan van het Oost-Romeinse Rijk volgens de translatio imperii gezien werd als voortzetting van het Romeinse Rijk.
thumb|Hendrik IV met tegenpaus Clemens III en de verjaging en dood van paus Gregorius VII in Chronica. Waar de keizer nu niet alleen aanspraak maakte op wereldlijke macht, maar via het Rijkskerkenstelsel ook op geestelijke macht, wat hem in toenemende mate in conflict bracht met de paus. In 1075 stelde paus Gregorius VII (1073-1085) in het Dictatus papae dat hij het hoogste gezag vormde, zowel als bisschop van Rome tegenover de overige bisschoppen, als tegenover het wereldlijk gezag. Dit mondde uit in de investituurstrijd waaraan met het Concordaat van Worms in 1122 een einde kwam. De keizer werd daarbij beperkt in het recht om bisschoppen aan te stellen. In 1302 vaardigde paus Bonifatius VIII de bul Unam Sanctam uit waarin werd gesteld dat de houder van het wereldlijke zwaard ondergeschikt was aan die van het spirituele.
Niet alleen politiek, maar ook in de historiografie kwam de tweerijkenleer naar voren, zoals bij Otto van Freising (ca. 1112-1158) in zijn Chronica (1143-1146). Waar Augustinus op aarde geen manifestatie van de civitates Dei zag, had die voor Otto vanaf het begin der tijden bestaan, maar was aanvankelijk verborgen. Er waren wel sporen zichtbaar, met uitverkorenen als Abel, Isaak, Noach en andere Israëlieten. Met de komst van Christus werd deze wereld echt zichtbaar. Na een eeuwenlange strijd tussen de aardse stad en de stad van God brak met de christelijke keizers Constantijn en Theodosius (379-395) een gelukkige periode aan waarin de aardse stad in diepe slaap raakte.
In de strijd tussen keizer Lodewijk de Beier (1314-1347) en paus Johannes XXII (1316-1334) stelde Marsilius van Padua (ca. 1275–ca. 1342) in zijn Defensor Pacis (1324) dat het gezag van concilies boven dat de paus staat, pleitte hij voor meer macht voor de Duitse keizer en wees hij de tweezwaardenleer af. Hierin zijn belangrijke aanzetten te vinden voor het denken over het staatsbegrip en soevereiniteit.
Waar keizers en pausen op deze manier probeerden een legitimiteit voor hun handelen te verkrijgen, bleek de praktijk weerbarstiger. Vanaf de late tiende eeuw ontstonden in West-Europa steeds meer lokale banale heerschappijen en door deze banale revolutie verzwakte de vorstelijke macht.
Reformatie Met de reformatie verdween in die gebieden de structuur van de Rooms-Katholieke Kerk. Daarnaast gold sola fide, door het geloof alleen, en kwam men niet in aanmerking voor verlossing door goede werken. In deze situatie ontstond een crisis waarin men op zoek was naar structuur en richting.
1 Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld.2 Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet roept over zichzelf zijn veroordeling af. Romeinen 13:1-2 Maarten Luther (1483–1546) schreef daarop in 1523 in Von weltlicher Obrigkeit, wie weit man ihr Gehorsam schuldig sei. Hij benoemde daarin de rechtmatigheid van de overheid en de noodzaak die te gehoorzamen door Romeinen 13 aan te halen. De invloed van Augustinus is duidelijk te zien in de tweedeling die hij daarin maakt: Hier moeten wij Adams kinderen en alle mensen in twee groepen indelen: de eersten behorende tot het Rijk Gods, de anderen tot het rijk van de wereld.Hier müssen wir Adams Kinder und alle Menschen in zwei Teile teilen: die ersten zum Reich Gottes, die andern zum Reich der Welt. Zoals bij Augustinus, behoren ware gelovigen tot het eerste rijk: Tot het Rijk Gods behoren allen, die waarachtig in Christus geloven en onder Hem staan.Die zum Reich Gottes gehören, das sind alle Rechtgläubigen in Christus und unter Christus. Tot het tweede rijk behoren de overigen: Tot het rijk van de wereld en onder de wet behoren allen, die geen christenen zijn.Zum Reich der Welt oder unter das Gesetz gehören alle, die nicht Christen sind. Het eerste rijk heeft geen overheid nodig, omdat de Heilige Geest hen op het rechte pad houdt: Ziet, deze mensen hebben zwaard noch recht van de wereldlijke overheid van node. En als het gehele mensdom bestond uit goede christenen d.i. uit goede gelovigen, dan zou geen vorst, koning, heer, zwaard of recht nodig of nuttig zijn (want waartoe zouden deze hun dienen?), daar zij de Heilige Geest in ’t hart dragen, die hen leert, en maakt, dat zij niemand onrecht doen, iedereen liefhebben en van iedereen gaarne en blijmoedig onrecht, ja ook de dood ondergaan.Nun siehe, diese Leute bedürfen kein weltliches Schwert noch Recht. Und wenn alle Welt rechte Christen (d.h. Rechtgläubige) wären, so wäre kein Fürst, König, Herr, Schwert noch Recht nötig oder nütze. Denn wozu sollt's ihnen dienen? Sie haben den Heiligen Geist im Herzen, der sie lehrt und macht, dass sie niemandem Unrecht tun, jedermann lieben, von jedermann gern und fröhlich Unrecht leiden, auch den Tod. Omdat dit tweede rijk veel groter is, heeft God twee regimenten ingesteld. Enerzijds een geestelijk regiment dat zich wijdt aan Christus en anderzijds een wereldlijk regiment dat het wereldlijke rijk in toom houdt: Daarom heeft God de twee soorten van bestuur ingesteld: het geestelijke, dat door de Heilige Geest christenen en vrome lieden maakt, onder Christus, en het wereldlijke, dat de niet-christenen en slechten in toom houdt, opdat zij, naar het uiterlijke, vrede bewaren en zich stil moeten houden tegen wil en dank.Darum hat Gott die zwei Regimente verordnet, das geistliche, das Christen und fromme [gerechte] Leute macht durch den Heiligen Geist unter Christus, und das weltliche, das den Unchristen und Bösen wehrt, dass sie äußerlich müssen Frieden halten und still sein, ob sie wollen oder nicht. Dat het geestelijke regiment die laatste taak niet op zich moet nemen, is omdat deze allereerst het ware christendom moet verspreiden: Maar zie eerst, dat u de wereld vol echte christenen krijgt, voordat u haar volgens christendom en evangelie regeert.Aber sieh zu und mach die Welt vorher voll rechter Christen, bevor du sie christlich und evangelisch regierst. Ten tweede zal het tweede rijk altijd in de meerderheid zijn, zodat het tweede regiment noodzakelijk blijft. Het eerste regiment kan namelijk het tweede rijk niet regeren aan de hand van het evangelie: Het aan te durven een geheel land of de wereld met het evangelie te regeren, dat is hetzelfde, als wanneer een herder in één stal wolven, leeuwen, arenden en schapen bijeen deed en elk vrijuit te midden van de anderen liet gaan en zou zeggen: "ziedaar, weidt u en weest vroom en vreedzaam onder elkander, de stal staat open, weide hebt u genoeg, honden en knuppels hebt u niet te vrezen." Hier zouden de schapen wel vrede houden en zich op deze manier vreedzaam laten weiden en regeren; maar zij zouden niet lang leven en geen dier zou er overblijven.Wenn man es deshalb unternimmt, ein ganzes Land oder die Welt mit dem Evangelium zu regieren, so ist es ebenso, wie wenn ein Hirt Wölfe, Löwen, Adler und Schafe in einem Stall zusammentäte und jedes Tier frei unter die andern gehen ließe und dabei spräche: Da, weidet nun und seid fromm und friedlich miteinander. Der Stall steht offen; Weide habt ihr genug, Hunde und Keulen braucht ihr nicht zu fürchten. Da würden die Schafe wohl Frieden halten und sich friedlich weiden und regieren lassen. Aber sie würden nicht lange leben, und kein Tier würde bei dem andern bleiben. Het tweede regiment heeft het op zijn beurt het eerste regiment nodig om de vroomheid te bewaren. Zij vullen elkaar dus aan, maar moeten wel gescheiden blijven: Daarom moet men de beide soorten van bestuur nauwkeurig scheiden en beide laten bestaan: het ene, dat godvrezend maakt; het andere, dat uiterlijk vrede schept en slechte daden afweert. Geen ervan is zonder het andere voldoende in de wereld.Darum muss man diese beiden Regimente mit Fleiß [unter]scheiden, und beide bleiben lassen, das eine, das fromm [gerecht] macht, und das andere, das äußerlich Frieden schafft und den bösen Werken wehrt; keins ist ohne das andere genug in der Welt.