Voor veel moslims bevat de Koran alles wat er over mensenrechten gezegd kan worden. De sharia liep voor hen met betrekking tot een aantal belangrijke mensenrechtenissues eeuwenlang voor op 'het Westen'. Veel islamitische, met name Arabische landen voldoen echter niet aan de normen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Veel moslims hebben moeite met de UVRM. Ze wijzen meerdere bepalingen uit de UVRM af zoals de vrouw-mangelijkwaardigheid, de vrijheid van religieuze overtuiging, en de gelijkwaardigheid tussen alle mensen ongeacht hun religie.

Als verantwoording voor die afwijzing wordt soms gesteld dat die UVRM is opgesteld door voormalig kolonisatoren en eenzijdig westerse, seculiere waarden aan de rest van de wereld wil opdringen. Het feit echter dat alle niet-islamitische oud-kolonies de UVRM wel erkennen verzwakt deze argumentatie danig.

Als tegenwicht op de UVRM zijn door diverse moslimorganisaties mensenrechtenverklaringen opgesteld die islamitische waarden tot uitgangspunt hebben. Ook in islamitische landen zijn lokale mensenrechtenorganisaties actief die overheden kritisch volgen bij wetgeving en de uitvoering daarvan. Een aantal islamitische hervormers formuleren ideeën over de verzoening tussen sharia en mensenrechten.

Sharia en mensenrechten Een belangrijk probleem bij de bespreking van de sharia is dat er binnen de islamitische wereld géén eenheid van leergezag bestaat. Mede daardoor bestaat er géén eenduidige, gezaghebbende geschreven versie van de sharia. Daardoor kunnen er vele, soms sterk uiteenlopende interpretaties bestaan.

Tot ver in de negentiende eeuw bood de sharia volgens de moslims betere garanties op het gebied van een aantal mensenrechten dan de wetgeving in de rest van de wereld.

Zo verbiedt de sharia discriminatie op grond van etniciteit - behalve wanneer dat samenvalt met onderscheid tussen moslims en niet-moslims; erkent het vrouwen als vrije individuen maar niet-gelijkwaardige, erkent het vrouwen als handelingsbekwame personen in het economisch verkeer (in Nederland werd dit pas in 1956 in de wet vastgelegd), gaf het vrouwen een beperkt recht om te erven waar zij voordien geërfd werden, verkregen vrouwen (in beperkte mate) het recht om in juridische procedures te getuigen en is een huwelijk waar de vrouw niet mee heeft ingestemd van rechtswege ongeldig.

Veel traditionele moslimgeleerden plaatsen de sharia boven de UVRM. Progressieve islamitische theologen als Soheib Bencheick, Bassam Tibi en Abdoldjavad Falaturi en auteurs als Mohammed Arkoun, Aziza Al-Hibri en Nasr Abu Zayd wijzen dat echter expliciet af. Zij stellen dat de UVRM voorrang moet hebben op de sharia en pleiten voor herinterpretatie van de sharia. Dat geldt ook voor veel in het Westen levende islamitische auteurs.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn uitspraak in de zaak Refah Partisi (Welvaartspartij) t. Turkije van 13 februari 2003 (nrs. 41340/98, 41342/98, 41343/98, 41344/98) verklaard (en bevestigd conform de eerdere uitspraak van het Constitutionele Hof van Turkije) dat de sharia in ieder geval dééls strijdig is met de mensenrechten zoals geformuleerd door de Mensenrechten-Conventie van de VN: “Het is moeilijk om respect te verklaren voor democratie en mensenrechten terwijl men tevens een regime gebaseerd op de sharia steunt, dat duidelijk verschilt met waarden zoals vastgelegd door de Conventie (voor de Rechten van de Mens), speciaal met betrekking tot zijn strafwetten en strafrechtspraak, zijn regelgeving m.b.t. de legale status van vrouwen en de manier waarop het intervenieert in alle onderdelen van het private en publieke leven in overeenstemming met haar religieuze uitgangspunten.CASE OF REFAH PARTİSİ (THE WELFARE PARTY) AND OTHERS v. TURKEY,Grand Chamber of the ECHR, JUDGMENT STRASBOURG, 13 February 2003, nrs. 41340/98, 41342/98, 41343/98, 41344/98, zie pt. 123”

In 2009 schreef Hirsch Ballin, de minister van Justitie in het Kabinet Balkenende-IV, mede namens minister Van der Laan voor Wonen, Wijken en Integratie, naar aanleiding van een ingesteld onderzoek een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zich uitsprak tegen het ontstaan van een "parallelle samenleving", in het kader van mogelijke 'sharia-rechtbanken' in Nederland: Echter, een vorm van geschillenbeslechting over geloofskwesties of over passend gedrag van moslims in bepaalde situaties waaraan betrokkenen zich dan vrijwillig onderwerpen, hoeft niet in strijd te komen met de Nederlandse openbare orde.

Hij verklaarde dat het kabinet het als zijn taak ziet te zorgen dat er geen parallelle samenlevingen ontstaan, waarin mensen het recht in eigen hand nemen of een eigen rechtssysteem hanteren, dat zich buiten de kaders van de rechtsorde zou begeven. "Tegen dwang, ongeoorloofde druk of machtsmisbruik zal ik krachtig optreden"’, aldus Hirsch Ballin. Ook zouden er in Nederland geen polygame huwelijken kunnen worden gesloten met een juridisch bindend karakter, noch scheidingen op grond van de sharia worden uitgesproken die enig rechtsgevolg zouden kunnen hebben. Naar de mogelijkheden om de strafbaarstelling van polygamie uit te breiden zou nader onderzoek worden gedaan. De resultaten van een rechtsvergelijkend onderzoek naar de erkenning van polygame huwelijken worden niet voor eind november 2009 verwacht.

Informele huwelijken zouden tot dusver slechts op kleine schaal voorkomen in Nederland en het aantal ervan zou afnemen, maar er zou juist een toename ervan waarneembaar zijn in islamitische kringen. Daarbij werd tegelijk geconstateerd dat het informeel trouwen met een imam in een moskee juist zou afnemen. Behalve onwetendheid, die incidenteel zou voorkomen, lijkt het belangrijkste motief voor het informele huwelijk in islamitische kringen het legitimeren van een relatie (en de daarmee gepaard gaande seksuele omgang) voor God en de sociale omgeving. In islamitische kringen zou het het alternatief vormen voor ongehuwd samenwonen.

Er zou geen goed zicht zijn op de omvang van het verschijnsel. Over informele huwelijken en in het bijzonder over dergelijke huwelijken in salafistische kringen en over geheime huwelijken in andere religies zou slechts oppervlakkige kennis beschikbaar zijn.

De bevindingen van de onderzoekers zouden geen aanleiding tot beleidswijzigingen geven. Voorlichting over (het ontbreken van) de juridische gevolgen van relatiebevestigingen zou nodig blijven, met name ter bescherming van vrouwen die hier nog maar in Nederland verblijven. Het kabinet kondigde ook aan diverse projecten te zullen steunen die het verbeteren en versterken van de positie en weerbaarheid van migrantenvrouwen tot doel hebben, zoals rond huwelijksdwang en achterlating. Daarmee probeert het kabinet te bewerkstelligen dat met name migrantenvrouwen hun rechten en plichten in de Nederlandse samenleving leren kennen.

Enkele fundamentele rechten volgens de islam Recht op levensonderhoud Mohammed berispte de eigenaar van een slaaf die vanwege honger graan had gestolen. De eigenaar wilde zijn slaaf straffen. De profeet zei: "Deze man had honger en jij hebt hem geen eten gegeven. Jij bent het die gestraft moet worden."

Godsdienstvrijheid en straf op het verlaten van de islam In het verdrag van Medina (ook wel de grondwet van Medina genoemd) legde Mohammed in het jaar 1 van de islam vrijheid van religie vast: "Moslims, polytheïsten, en joden zullen als één gemeenschap (oemma) samenleven. Elke partij zal zijn eigen religie naleven."

Toen de tweede kalief van de islam, Omar ibn al-Chattāb, Jeruzalem veroverde, werd in een verdrag volledige vrijheid van religie en veiligheid voor christenen en bescherming van kerken en kloosters en van christelijke bedevaartgangers vastgelegd.

In een recht voor moslims om de islam te verlaten is echter niet voorzien. De klassieke sharia bepaalt de doodstraf voor afvalligheid, vaak gebaseerd op een combinatie van afvalligheid met landverraad of actieve propaganda voor als anti-islamitisch beschouwde ideeën of andere religies. Men verschilt wel van mening of dit gepleegde feit wel voldoende is om een oordeel te vellen en uit te voeren. Er zijn in de Koran en de hadiethliteratuur dan ook verwijzingen te vinden naar situaties dat mensen de islam verlieten zonder dat daarbij sancties genoemd worden. Zuiver op basis van Koran en soenna beoordeeld bestaat er dus geen conflict tussen islam en het recht van moslims op vrijheid (lees: verandering) van religie.

Overheden van staten waar de islam staatsgodsdienst is maken vaak een onderscheid tussen 'religie' (dien) en 'geloof' (aqida). Voor niet-moslims geldt dan vrijheid van religie, voor moslims slechts de vrijheid om binnen de islam hun eigen gebruiken te praktiseren (hoerriyat al aqida), dat wil zeggen de gebruiken die door de leerscholen zijn voorgeschreven.

Verbod op bloedwraak In de afscheidsrede die Mohammed hield tijdens de bedevaart die hij kort voor zijn dood verrichtte, zei hij over bloedwraak: "Mijn metgezellen! Ook bloedwraak heb ik onder mijn voet genomen. De eerste bloedwraak die ik ophef, is die van Rabia ibn Haris, die Hoezayl heeft gedood." (Hoezayl was iemand van Mohammeds stam. Zijn familie had volgens Arabisch gewoonterecht het recht om Rabia ibn Haris te doden.)

Discriminatie op grond van religie Er bestaan zeer uiteenlopende en tegenstrijdige meningen of de Koran en de sharia discriminatie op grond van religie voorschrijven, dan wel verbieden. Daarenboven bestaan er ook zekere verschillen tussen de theorie en de praktijk in nogal wat islamitische landen. De meeste niet-islamitische waarnemers stellen dat de dominante interpretaties van de sharia wel degelijk zulke discriminaties toelaten en dikwijls zelfs voorschrijven.

Algemeen erkend wordt het onderscheid dat Koran en sharia maken tussen joden en christenen (als 'Mensen van het Boek', met nog zekere rechten) en de andere niet-moslims (met minder rechten).

In de tijd van de Abbasiden (750 - 1258) en Fatimiden (909 - 1171) werd er geen onderscheid gemaakt naar ras of religieuze overtuiging voor het bekleden van overheidsfuncties (inclusief ministersposten), en waren er procentueel meer joodse en christelijke ambtenaren dan het aantal joodse en christelijke onderdanen zou rechtvaardigen.

Gedurende het gehele Abbasidische en Osmaanse kalifaat (750 - 1923) hadden niet-moslims het recht om in hun eigen gerechtshoven volgens eigen rechtsprincipes en zonder tussenkomst van de islamitische overheid berecht te worden. Maar in betwistingen tussen moslims en joden of christenen, genoten de rechten van de moslims voorrang.

Het onder de Abbasiden gestichte islamitische Beit al Hikma (Huis der Wijsheid) werd doorgaans door Nestoriaanse christenen gerund. Er bestond geen restrictie op het uitoefenen van bepaalde beroepen voor joden en christenen, zoals lange tijd in Europa voor joden het geval was.

In veel islamitische landen worden atheïsten ter dood veroordeeld of gelynchthttps://www.volkskrant.nl/columns-opinie/erken-het-recht-op-afvalligheid-en-ongeloof~b322cdcc/. Gearchiveerd op 21 april 2019.

Verbod op discriminatie op grond van etniciteit Verderop in de afscheidsrede: "O gelovigen, jullie zijn broeders. Er is geen Arabier die boven een vreemdeling staat en geen volk dat boven de Arabieren staat dan door geloof." Mohammed stelde al eerder een zwarte man, die tevens een vrijgemaakte slaaf was, aan als muezzin omdat hij een krachtige stem had, waarmee hij aangaf dat iemand uitsluitend vanwege zijn capaciteiten, en niet vanwege status, familie- of vriendschapsbanden recht had op een positie.

Mensenrechtenbewustzijn in de niet-islamitische wereld