Station London Liverpool Street is een treinstation in Londen aan de gelijknamige straat. Het station is gebouwd in 1874 en gerenoveerd in 1980. Per jaar nemen ongeveer 123 miljoen reizigers de trein of metro vanaf dit station. Vanuit hier vertrekken vooral treinen naar het oosten van Londen en Engeland (East of England), waaronder de treinen die in Harwich aansluiting geven op de veerdienst naar Hoek van Holland.
Geschiedenis Plannen In 1862 ontstond de Great Eastern Railway (GER) door een fusie van meerdere spoorwegbedrijven in East of England. Een van die bedrijven was de East Counties Railway die een kopstation in Londen had bij Bishopsgate. Dit station lag echter in het hart van een van de armste sloppenwijken van Londen en was daarom slecht gelegen voor de forensen van de City of London die het bedrijf wilde aantrekken. De GER wilde daarom de lijn doortrekken tot aan de London Wall met een kopstation van dezelfde grootte als Broad Street dat tegelijk werd ontworpen, maar kreeg daarvoor geen toestemming van de gemeente. De GER moest genoegen nemen met een terrein ten noorden van Liverpool Street, de straat die in 1829 genoemd was naar premier Robert Jenkinson, de 2e graaf van Liverpool.
De bouw van de lijn en het station werd goedgekeurd door de Great Eastern Railway (Metropolitan Station and Railways) Act 1864. Het station werd gebouwd op een terrein van 4 ha dat voordien gebruikt werd door het Bethlem Royal Hospital naast station Broad Street, ten westen van Bishopsgate en de zuidgevel aan Liverpool Street. De overige percelen die nodig waren voor de bouw werden onteigend waardoor ongeveer 3.000 inwoners van de parochie van St. Botolph-without-Bishopsgate werden verdreven. Ongeveer 7.000 mensen die in huurkazernes rond Shoreditch woonden, werden uitgezet om de lijn naar Liverpool Street te voltooien, terwijl het City of London Theatre en de City of London Gasworks werden gesloopt. Om de gevolgen van de herhuisvesting te ondervangen, werd de ECR door de wet van 1864 verplicht om dagelijks goedkope arbeiderstreinen vanaf het station te laten rijden. In 1865 werd het plan aangepast door een aftakking ten oosten van Bishopsgate met een 1,6 km lange lijn naar Liverpool Street, terwijl Bishopsgate in gebruik zou blijven voor goederenvervoer.
Bouw Het station aan Liverpool Street zou worden gebouwd voor gezamenlijk gebruik door de GER en de East London Railway, ondergronds de East London Line op 11 meter diepte en bovengronds de kopsporen van GER gedragen door bakstenen bogen. Het station beslaat een oppervlak van 192 bij 61 m met zijn voorgevel aan Liverpool Street en een zijingang aan Bishopsgate-Street. De perronhal zou een houten constructie met twee overspanningen zijn met een centrale vide die licht en ventilatie zou verschaffen aan het ondergrondse deel, en de stationsgebouwen moesten in Italiaanse stijl zijn naar de ontwerpen van de architect van de GER.
Het station is ontworpen door GER-ingenieur Edward Wilson en gebouwd door Lucas Brothers. Het dak is ontworpen en gebouwd door de Fairburn Engineering Company. Het bestaat uit vier smeedijzeren overspanningen van smeedijzer, de middelste zijn 33 m breed, de buitenste 13,5 m. De sporen voor de langeafstandsdiensten liggen aan de oostkant onder een kap van 220 m lang, die voor de voorstadsdiensten is 140 m lang en liggen ingesprongen ten opzichte van Liverpool Street. Het stationshotel ligt tussen de lange kap en Liverpool Street. Het stationsgebouw met kaartverkoop en de kantoren van de GER lag haaks op Liverpool Street langs het plein tussen de voorstadsdiensten en de straat. Ondergronds ligt een perron met kopspoor dat van 1 februari 1875 tot 11 juli 1875 door de Metropolitan Railway als oostelijk eindpunt is gebruikt. Het metrostation aan de zuidkant van Liverpool Street werd op 12 juli 1875 geopend en is met een voetgangerstunnel onder Liverpool Street verbonden met het spoorweg station. De voorstadsdiensten begonnen op 2 oktober 1874 en de langeafstandsdiensten begonnen op 1 november 1875 toen het station geheel was afgebouwd voor een uiteindelijke kostprijs van meer dan £ 2 miljoen. Het oorspronkelijke eindpunt van de GER bij Bishopsgate werd gesloten voor passagiers en werd vanaf 1881 omgebouwd voor gebruik als goederenstation. Het goederenvervoer eindigde toen dat station in 1964 door brand werd verwoest.
Het Great Eastern Hotel, grenzend aan het nieuwe station Liverpool Street, werd in mei 1884 geopend. Het werd ontworpen door Charles Barry Jr., zoon van de beroemde architect Charles Barry die de Houses of Parliament ontwierp. Bij opening was het het enige hotel in de City of London. In 1901 werd het hotel uitgebreid met de Abercon Rooms ontworpen door kolonel Robert William Edis. Het hotel omvat ook de Hamilton Rooms, genoemd naar voormalig GER-voorzitter Lord Claud Hamilton.
Uitbreiding van 1895 Aanvankelijk werd het station gezien als een “witte olifant” maar binnen tien jaar werd de capaciteit van ongeveer 600 treinen per dag volledig benut. Om verder te kunnen groeien verwierf de GER grond ten oosten van het station en in 1888 werd toestemming verkregen voor vergroting van het station. In 1890 werd, onder leiding van hoofdingenieur John Wilson en architect WN Ashbee, begonnen met de uitbreiding van Liverpool Street naar het oosten door toevoeging van acht nieuwe sporen en perrons. Hiermee werd het het grootste kopstation van Londen totdat in 1908 station London Victoria werd uitgebreid. De uitbreiding is 70 meter breed en wordt aan de oostkant begrensd door winkels en kantoren langs de Bishopsgate-Street Without. De buitenmuur werd gebouwd met blauwe Staffordshire baksteen en Ruabon bakstenen. Het dak boven het nieuwe deel, bestaande uit vier overspanningen, werd gebouwd door Handyside en Co, onder toezicht van ingenieur Sherlock die in het station woonde. Alle funderingen, grondwerk en metselwerk werden uitgevoerd door Mowlem & Co. Elektriciteit voor de verlichting werd opgewekt in een machinehuis ten noorden van het station. Aanvullende civiele werken omvatten drie ijzeren bruggen voor het wegverkeer over de spoorlijn bij Skinner Street, Primrose Street en Worship Street. Het ijzerwerk van de brug werd geleverd door de Horseley Company die ook de montage ter plaatse. Als onderdeel van de werken werd de GER door het parlement verplicht om alle huurders die door de werken waren verdreven, te herhuisvesten, waarbij 137 in bestaand onroerend goed werden geplaatst en de resterende 600 in huurkazernes die op kosten van het bedrijf werden gebouwd.
Aan het begin van de 20e eeuw had Liverpool Street een van de grootste hoeveelheid voorstadsdiensten in Londen, inclusief aftakkingen naar Southend Victoria en Woodford, en was een van de drukste ter wereld. In 1912 maakten ongeveer 200.000 passagiers dagelijks gebruik van het station verdeeld over ongeveer duizend treinen.
Eerste Wereldoorlog De eerste luchtaanval op Londen tijdens de Eerste Wereldoorlog, Operatie Turkenkreuz, vond plaats op 13 juni 1917, toen 20 Gotha G.IV-bommenwerpers de hoofdstad aanvielen. Van de zeven ton explosieven die op Londen werden gegooid, waarbij 162 mensen omkwamen en 432 gewond raakten, vielen er drie op het station. Twee hiervan ontploften, nadat ze door de stationskap waren gevallen, vlakbij twee treinen. Een daarvan raakte een rijtuig van een trein die op het punt stond te vertrekken, de ander raakte rijtuigen die door legerartsen werden gebruikt. In het station vielen 16 doden en 15 gewonden, het was de dodelijkste aanval op Groot-Brittannië tijdens de oorlog.
Meer dan duizend GER-medewerkers die tijdens de oorlog stierven, worden geëerd op een groot marmeren gedenkteken dat in de stationshal is aangebracht en op 22 juni 1922 werd onthuld door generaal Sir Henry Wilson. Wilson werd bij thuiskomst na de onthulling vermoord door twee leden van het Ierse Republikeinse Leger. Voor hem werd een maand later een gedenkplaat naast het GER-monument aangebracht. Het station heeft ook een plaquette ter nagedachtenis aan zeeman Charles Fryatt die in 1916 werd geëxecuteerd voor het rammen van een Duitse U-boot met de GER-stoomboot SS Brussel. Het GER-monument werd verplaatst tijdens de verbouwing van het station en bevat nu zowel de gedenkplaten voor Wilson als Fryatt, alsmede een aantal spoorweggerelateerde onderdelen van gesloopte gebouwen, die bewaard zijn gebleven.
Grote Vier Vanf 1905 liet de metro zien dat de elektrische tractie op de diepgelegen metrolijnen een succes waren en het lag dan ook voor de hand dat ook de voorstadsdiensten rond Londen ook geëlektrificeerd zouden kunnen worden. Na de oorlog had de GER meer capaciteit nodig in Liverpool Street omdat de capaciteitsgrens met bijna 230.000 passagiers per dag in 1921 was bereikt, maar ze konden zich geen elektrificatie veroorloven. De GER zette in op stoomlocomotieven met hoog vermogen en hoge trekkracht, zoals de GER-class A55. Dit werd echter afgewezen vanwege de hoge spoorbelasting.
Als alternatief werd besloten tot een combinatie van automatische signalering en aanpassingen aan de indeling van het station. De kolen-, water- en andere onderhoudsfaciliteiten werden verplaatst tot vlak bij het station. Samen met de aanleg van wachtsporen voor locomotieven en verleggen van sporen kon de afhandeling van treinen worden verkort en daarmee de stationscapaciteit worden verhoogd. De diensten begonnen op 2 juli 1920 met treinen naar Chingford en Enfield die elke 10 minuten reden. De kosten van de aanpassingen bedroegen £ 80.000, vergeleken met de geschatte £ 3 miljoen voor elektrificatie. De dienst heette officieel de Intensive Service (omdat de capaciteit tijdens de spits met 50% kon worden verhoogd), maar werd in de volksmond bekend als de Jazz Service. De dienst bleef bestaan tot de Algemene Staking van 1926, waarna de dienstverlening over het algemeen afnam. De GER fuseerde met verschillende andere spoorwegen tot de London and North Eastern Railway (LNER) als onderdeel van de reorganisatie van spoorwegmaatschappijen in 1923, waarna er nog slechts vier overbeleven. Liverpool Street werd eigendom van de LNER en leed in de jaren dertig aan een algemeen gebrek aan aandacht en verwaarlozing.
Stationspersoneel 1935 In 1935 bechikte de stationschef, HCR Calver, over 395 medewerkers zoals loketpersoneel, pakjespersoneel, seingevers, perroninspecteurs en portiers. Van dit aantal werden er 75 beschikbaar gesteld voor vernevelingstaken zodra oproepkrachten ingezet werden om tijdens de smog het treinverkeer veilig te laten verlopen. Daarnaast werkten nog veel meer mensen op het station met verschillende functies, waaronder politieagenten (in uniform en in burger), locomotiefpersoneel, baanwerkers, rijtuig- en wageninspecteurs, stoomwarmte-inspecteurs, gas en elektriciteit inspecteurs, telegraafpersoneel, baanwachters, seinmonteurs, personeel van de goederen verzending, externe portiers, hotelportiers, personeel van het continental office en postbeambten. Het voormalige hoofdkantoor van de GER, in 1935 nog een spoorwegkantoor, grensde aan Liverpool Street en sommige afdelingen in dat gebouw hadden ook een rol bij de exploitatie van het station. Daarnaast stelden de krantenbedrijven hun eigen personeel ter beschikking om de krantentreinen te laden.
Seinhuizen in 1935 In 1935 werden de toeritten naar Liverpool Street en de wissels en seinen in het station zelf bestuurd door niet minder dan zeven seinhuizen die toen onder de verantwoordelijkheid van de stationschef van Liverpool Street vielen: East London Junction: Dit seinhuis regelde het verkeer van en naar de East London Line en in 1935 een route naar de Southern Railway via Whitechapel. Bishopsgate North: Dit seinhuis regelde het voorstadsverkeer en stond op het, in 1916 gesloten, onderste perron langs de uitgaande sporen in Bishopsgate.