Koreaanse den (Pinus koraiensis) is een plantensoort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De wetenschappelijke naam van de soort werd gepubliceerd door Philipp Franz von Siebold en Joseph Gerhard Zuccarini in 1842. Global Biodiversity Information Facility (2011). Pinus koraiensis Siebold & Zucc. Geraadpleegd op 27 januari 2016.

In Nederland staat de Koreaanse den in het Arboretum Assen. Daarnaast zijn er in Nederland de volgende cultivars verkrijgbaar: 'Blue Ball', 'Lao Yang'. 'Spring Grove' en 'Tsintao'.

Determinatie Koreaanse den is een boomvormende conifeer die een gemiddelde hoogte bereikt van 40–50 m en een diameter van 1,5–2 m. De kroon van oudere bomen is sterk afgeplat door de uitgebreide vertakking. Jongere bomen hebben een meer kegelvormige kroon.

De langwerpige, eivormige winterknoppen zijn licht roodbruin en slechts licht harsachtig. De naalden groeien in groepjes van vijf aan de korte scheuten en zijn relatief dik, met een diameter van ongeveer één millimeter. Hun lengte varieert tussen zes en twaalf centimeter, met een gemiddelde van acht centimeter. In de driehoekige dwarsdoorsnede van de naald zijn een vaatbundel en drie harskanalen zichtbaar, één in elke hoek. Aan de twee onderzijden bevinden zich zes tot acht rijen lichtblauwe huidmondjes. De bovenzijde van de naald heeft geen huidmondjes. De naalden blijven meestal drie jaar aan de boom zitten, minder vaak vier tot vijf jaar.

De Koreaanse den is eenhuizig. Bij de vrouwelijke kegels zijn drie kleurvariaties te onderscheiden. De paarsrode variëteit heeft intens gekleurde zaadschubben bedekt met witachtige wasdeeltjes. De groene variëteit heeft slechts lichtgekleurde zaadschubben. Bij de roodgroene kleurvariant zijn de bloeiwijzen 2 tot 2,5 centimeter lang en groeien ze in kransen van maximaal 10 aan het uiteinde van jonge, lange scheuten. De mannelijke kegels zijn elliptisch en roodachtig geel. In plaats van naalddragende korte scheuten, staan ze in clusters aan de basis van jonge, lange scheuten en zijn ze vrij gelijkmatig over de kroon verdeeld. De langwerpige, ovale vrouweijke kegels zijn aanvankelijk groen en worden groenbruin naarmate ze rijpen. Ze rijpen in het tweede jaar na de bestuiving en zijn dan 10 tot 15 centimeter, soms tot 20 centimeter, lang en 5 tot 10 centimeter in diameter. Gemiddeld wegen ze 133 gram als ze rijp zijn. De kegelschubben zijn ruitvormig en lopen taps toe naar de punt. De onduidelijke top is iets naar buiten gekruld. Aan de basis van elke zaadschub ontwikkelen zich twee (zelden slechts één) pitten (vaak zaden genoemd), die 12 tot 16 millimeter lang en 7 tot 10 millimeter in diameter zijn. Geen enkele andere dennensoort produceert grotere pitten. De bruine pitten zijn eivormig, driehoekig en hebben een glad oppervlak. Het gewicht van duizend pitten bedraagt ongeveer 500 gram. Verspreiding vindt grotendeels plaats door de notenkraker (Nucifraga caryocatactes). De zaailingen ontwikkelen 10 tot 16 zaadlobben. Deze zaadlobben zijn 3,8 tot 5 centimeter lang en ongeveer 1,5 millimeter breed.

Ecologie Koreaanse den is een sleutelsoort, wat inhoudt dat hun invloed op de omgeving zeer groot is. Talloze soorten zijn afhankelijk van de zaden van Koreaanse den voor hun voortbestaan, variërend van Siberische grondeekhoorns (Tamias sciurus) en kraagberen (Ursus thibetanus), tot notenkrakers (Nucifraga caryocatactes) en kruisbekken (Loxia curvirostra). Slaght, J.C. (2015). Making Pesto? Hold the Pine Nuts. Geraadpleegd op 27 januari 2016.

Biogeografie Het verspreidingsgebied van Koreaanse den strekt zich uit over in het Russische Verre Oosten in de Oblast Amoer, Chabarovsk en Primorje, het Koreaans Schiereiland, het Japanse eiland Honshu en het noordoosten van China in de provincies Heilongjiang en Jilin. In het Russische Verre Oosten is de soort vastgesteld op hoogten tussen de 200 en 600 meter, in China op hoogten variërend van 500 tot 1300 meter en in Japan tot op hoogten van 2500 meter. Koreaanse den groeit vaak op droge gronden tussen loofbomen, maar wordt langs de kust van de Japanse Zee in het Russische Verre Oosten vaak in combinatie met Mantsjoerijse zilverspar (Abies holophylla) aangetroffen.

Status De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd ingeschaald, maar bestanden met Koreaanse dennen zijn de afgelopen vijftig jaar met twee derde afgenomen in het Russische Verre Oosten. Een toename in de legale en illegale houtkap van Koreaanse den vond plaats omdat de controle en exportverplichtingen op andere soorten is toegenomen. Koreaanse den is een goed alternatief en is daardoor onderhevig aan een grote afname. World Wildlife Fund (2015). Korean cedar pine. Geraadpleegd op 27 januari 2016. De soort staat op Appendix III van CITES. Forest Legality Alliance (2016). Korean pine (Pinus koraiensis). Geraadpleegd op 27 januari 2016. Gearchiveerd op 6 februari 2016.

Categorie:Dennenfamilie Categorie:Plant uit het Palearctisch gebied Categorie:IUCN-status niet bedreigd