Melencolia I (Melancholie)Ook soms Melancholia I, Melencholia I, of simpelweg Melencolia genoemd. is een gravure uit 1514 gemaakt door de Duitse renaissancekunstenaar Albrecht Dürer, 24 × 18,8 centimeter groot. De gravure is een allegorische compositie, die veelvuldig het onderwerp is geweest van kunsthistorische besprekingen. Ze toont een weemoedige gevleugelde figuur te midden van een onsamenhangende verzameling voorwerpen, waarvan de betekenis voor velerlei uitleg vatbaar is. Samen met Ridder, Dood en Duivel (1513) en De Heilige Hiëronymus in zijn studeervertrek (1514) wordt deze gravure vaak tot een reeks geschaard, die de Meisterstiche worden genoemd. Van de gravure zijn meerdere afdrukken gemaakt, die zich in een aantal musea, prentenkabinetten en particuliere verzamelingen bevinden.
Afbeelding De gevleugelde figuur wordt meestal geïnterpreteerd als een personificatie van de melancholie. Het is dus geen engel, maar een allegorisch personage: een abstract begrip, uitgebeeld als vrouw met attributen. Op de gravure is haar gezicht in schaduwen gehuld en ze steunt met haar hoofd op haar linkerarm. In haar rechterhand houdt ze een passer. Deze passer en de andere gebruiksvoorwerpen op de gravure houden verband met Geometria, de meetkunde, een van de zeven vrije kunsten die aan de basis van de artistieke schepping staan en waarmee Dürer volmaaktheid probeerde te bereiken in zijn kunstwerken. Melencolia draagt een lauwerkrans op haar hoofd en ze heeft een weelderige jurk aan, met in de plooien een geldbeurs en sleutels. Ze zit er verslagen bij en het lijkt alsof ze in gedachten verzonken is. Om haar heen is een veelvoud aan voorwerpen, figuren en andere compositie-elementen afgebeeld, die veelal geen duidelijk verband met haarzelf lijken te houden. Schuin voor haar zit een engeltje, een zogeheten putto, op een molensteen. Op de voorgrond, in de linkerbenedenhoek, ligt een bol op de grond. Iets meer op de achtergrond staat een polyeder afgebeeld. Men kan nog net de weerspiegeling van het gezicht van een man ontwaren op de polyeder. Tussen de twee geometrische figuren in ligt een uitgemergelde hond te slapen, die zo mager is dat de ribben duidelijk zichtbaar zijn.
Tegen de muur van een gebouw staat een ladder, die een aanwijzing lijkt te zijn dat het gebouw nog in aanbouw is. Aan dit gebouw hangen een weegschaal, een zandloper met daarboven een zonnewijzer, een bel en daaronder een magisch vierkant. Aan de slagschaduw van de zandloper kan men afleiden dat het tafereel wordt verlicht door maanschijnsel, dat rechtsboven invalt. Overal bevinden zich allerhande gebruiksvoorwerpen, van de kleine passer in de rechterhand van de vrouw tot de grote molen- of slijpsteen waarop de putto zit. Verspreid liggen gereedschap en objecten die verband lijken te houden met timmerwerk en architectuur: een hamer, een zaag, graveerstiften, een schaaf, spijkers, een meetlat, een nijptang, een smeltkroes, mogelijk voor het smelten van lood, en een tang voor de kooltjes. Linksachter de bol staan een pennendoos en een inktpot. Half verborgen onder de rok van het engelachtige wezen ligt een blaasbalg, die als zodanig geïdentificeerd kon worden aan de hand van een houtsnede van Hans Döring.
Op de achtergrond verlicht een vallende ster of een komeet een meer- of zeelandschap dat omlijst wordt door een regenboog. Mogelijk werd Dürer geïnspireerd door de komeet die werd waargenomen tijdens kerstmis in 1471, zijn geboortejaar. De regenboog doorsnijdt de horizon met een rechte hoek, wat er op duidt dat de lichtbron dicht bij de horizon ligt. De boog heeft geen strepen en is dunner dan een echte regenboog. Het zou dus heel goed om een maanboog kunnen gaan.Panofsky, blz. 156–157 Deze veronderstelling wordt versterkt door de komeet of vallende ster, die er op wijst dat het tafereel zich 's nachts afspeelt. In de verte, aan de kust, ligt een stad. Erboven vliegt een krijsend, vleermuisachtig wezen en op diens uitgestrekte vleugels is de titel van de gravure te lezen: "Melencolia I". Het is de enige gravure die Dürer ooit een titel heeft meegegeven.
Magisch vierkant thumb|Het magische vierkant In de muur van het gebouw is een magisch vierkant gebeiteld. Dit magisch vierkant is een vierkant schema waarin de cijfers 1 tot en met 16 eenmaal voorkomen, waarbij de getallen in elke kolom, rij en diagonaal alle dezelfde som opleveren, de zogeheten magische constante. De magische constante van het vierkant op deze gravure is 34. In het midden van de onderste rij staan de twee getallen 15 en 14, een verwijzing naar het jaar waarin de gravure is gemaakt.
De getallen in het magisch vierkant zijn als volgt gerangschikt: 16 3 2 13 5 10 11 8 9 6 7 12 4 15 14 1
Het magische vierkant heeft de bijzondere eigenschap dat ook elke van de vier kwadranten de som 34 opleveren. Ook de vier cijfers in het midden zijn bij elkaar opgeteld tezamen 34. Daarnaast heeft elk cijfer een symmetrische tegenhanger ten opzichte van het middelpunt, waarmee het tezamen steeds de som 17 oplevert. .
Stijl en techniek De prent is een kopergravure waarvan meerdere afdrukken zijn gemaakt. Eerst werden er een aantal voorstudies gemaakt, waarna Dürer met behulp van een burijn het tafereel op een koperen plaat graveerde. De koperen plaat legde men op een soort kussen en vervolgens werd er van rechts naar links gewerkt. Tijdens het proces maakten Dürer of zijn assistenten steeds proefdrukken, waarop het tafereel gespiegeld weergegeven werd en de rechterkant nog grotendeels onaf was.
De houtsnedes en gravures die Dürer na zijn reis naar Venetië maakte, verschillen qua stijl en techniek nogal van zijn eerdere werk. Het verschil tussen de twee stijlen lijkt op het verschil tussen een gewone, monochrome pentekening en een tekening op gekleurd papier waarop met loodwit of witte gouache lichteffecten zijn aangebracht, het zogeheten chiaroscuro of clair-obscur. Aanvankelijk werd deze manier van tekenen nagebootst in houtsnedes door gebruik te maken van twee verschillende blokken, elk met een andere kleur inkt. De omlijningen en zwaarste slagschaduwen werden dan op het eerste blok gesneden en met zwarte inkt gedrukt. Op het tweede blok werd de rest van het tafereel uitgesneden en dan met een lichtere kleur inkt gedrukt. Dit leverde dan een houtsnede met drie tonen op: wit, een middelste kleur en zwart. Zowel op een chiaroscuro als op dit soort houtsnedes werd een groter contrast tussen de lichtste en donkerste gedeeltes van het tafereel gesuggereerd door ze uit te zetten tegen een middelste kleur. Het enige verschil was dan dat bij de houtsnede de middelste kleur door drukinkt werd weergegeven en de lichteffecten door het papier, terwijl bij een chiaroscuro de middelste kleur door het papier werd weergegeven en de lichteffecten door verf of krijt. Echter, om bij gravures en gewone houtsnedes een soortgelijk effect te verkrijgen, moest Dürer met behulp van verschillende soorten arceringen werken. In tegenstelling tot zijn eerdere werk, waarbij het verloop van de wit-zwartintensiteit abrupt en bijna afwezig was, hadden zijn nieuwe gravures en houtsnedes een veel grote scala aan verschillend grijstinten, van bijna volledig donker tot bijna volledig licht en alles daar tussenin. Parallel-arceringen van gemiddelde dichtheid gaf de middelste kleur aan, terwijl kruisarceringen en parallel-arceringen van hogere dichtheid de donkerste kleur aangaven. De lichtste kleur werd als vanouds aangegeven door het weglaten van arceringen. In zijn oudere werk van voor zijn reis naar Venetië loopt intensiteit van licht naar donker, terwijl in zijn nieuwere werk, beginnend met gravures zoals Melencolia I, het eerst van licht naar neutraal en dan van neutraal naar donker loopt. Er is niet één kleurrichting, maar twee richtingen vanuit een gezamenlijk middelpunt, wat tot veel meer diepte en subtiliteit leidt. Dit is een manier van tekenen die voor het moderne oog vanzelfsprekend lijkt, maar op dat moment nog niet volledig ingeburgerd was. Deze nieuwe manier van werken vereiste twee veranderingen: allereerst moesten de arceringen gelijkmatig van richting en dikte zijn om niet verward te worden met de vormen van het afgebeelde. Ten tweede moesten er veranderingen aangebracht worden in de verdeling van de hoeveelheid lichte en donkere ruimte in de afbeelding. Aanvankelijk waren in zijn gravures en houtsneden betrekkelijk kleine donkere gedeeltes aangebracht, ten opzichte van de overvloed aan wit gelaten ruimte. In Dürers latere werk wordt het grootste gedeelte van een tafereel ingenomen door grote, grijze oppervlakken, die slechts hier en daar afgewisseld worden door helderwitte en diepzwarte gedeeltes.Panofsky, blz. 133–134
Monogram In de rechterbenedenhoek van de gravure is het monogram van Dürer te zien, alsmede het jaartal waarin de gravure is gemaakt: 1514. Oorspronkelijk werden monogrammen door de eigenaar van een werk geplaatst, maar vanaf de vijftiende eeuw begonnen kunstenaars zelf hun werk te waarmerken, in navolging van andere beroepsgroepen die dat al veel langer deden. Dit was grotendeels een reactie op de veranderende kunstmarkt: kunstenaars begonnen steeds meer geld te verdienen aan het verkopen van prenten, die voor weinig geld in grote oplagen gedrukt konden worden. Omdat dit nogal fraudegevoelig was, voegden kunstenaars hun monogrammen toe aan de door hun gemaakte prenten, om te voorkomen dat anderen hun prenten onder eigen naam verkochten. Dürer was een van de eersten die stelselmatig zijn eigen werk waarmerkte door middel van een monogram. Dürer gebruikte hiervoor zijn initialen, een D en een A, die ineengevlochten waren tot een enkel teken.Bubenik, blz. 81–82
Context Albrecht Dürer thumb|Zelfportret van Albrecht Dürer