miniatuur|De horizontale en revolutionaire vlag van België, die tegenwoordig als symbool staat voor republicanisme in België
Republicanisme in België verwijst naar het streven van sommige personen of organisaties in België om de Belgische monarchie af te schaffen en een republiek te stichten. Sommige stromingen zijn voor een Belgische republiek, in andere scenario's is een splitsing van België onderdeel van het republikeinse streven. In 2014 gaf 10% van de Walen en Franstalige Brusselaren aan republikein te zijn, terwijl dat bij Vlamingen en Nederlandstalige Brusselaren hoger lag: 25%. Ter vergelijking, in Nederland gaf in 2020 15% van de bevolking aan republikeins te zijn.
Historische ontwikkeling 1577–1585 (1648): calvinistische republieken thumb|De Nederlanden in 1577–78. In de rood gemarkeerde steden grepen radicale calvinisten de macht. De eerste republikeinse episodes in het latere België kan men traceren naar de Tachtigjarige Oorlog, meer specifiek de jaren 1577–1585, toen in enkele door staatse rebellen beheerste Vlaamse en Brabantse steden radicale calvinisten de macht grepen. Het begon in augustus 1577 te Brussel, waar Olivier van den Tympel een Comité der XVIII aanstelde om te verzekeren dat de stad altijd in staatse handen zou zijn. Op 28 oktober 1577 pleegden Jan van Hembyze en François van Ryhove een staatsgreep in Gent waarbij ze de Vlaamse stadhouder Aarschot gevangennamen en een streng-calvinistisch bewind instelden, dat later de Gentse Republiek zou worden genoemd. De maanden daarna veroverden de calvinisten de meeste andere belangrijke Vlaamse steden. In december 1577 werd in Antwerpen ook een calvinistisch regime ingesteld. Op 6 augustus 1579 werd koning Filips II als graaf van Vlaanderen van zijn gezag vervallen verklaard en daarmee het gewest Vlaanderen formeel een republiek. Enkele dagen later op 20 augustus werd Hembyze echter uit Gent verbannen en het gezag van de rebellenleider Willem van Oranje hersteld. Het besluit werd ongedaan gemaakt omdat Oranje toen nog de koning trouw probeerde te blijven. Twee jaar later zouden de Staten-Generaal echter alsnog het Plakkaat van Verlatinghe aannemen, Filips II collectief afzweren en feitelijk de onafhankelijkheid uitroepen van de toen opstandige gewesten, inclusief Vlaanderen, Brabant en Mechelen (het laatste werd in 1580 door calvinisten veroverd). De opstandige gewesten en steden waren de facto een republiek, hetgeen pas in 1588 formeel vastgelegd werd met de Justificatie of Deductie, maar tegen die tijd waren de meeste latere "Zuidelijke" steden al heroverd door het Spaanse leger (Oostende pas in 1604).
1648–1780: van Spanje naar Oostenrijk De Vrede van Münster bracht de Zuidelijke Nederlanden definitief terug onder koninklijk Spaans gezag, terwijl de noordelijke Republiek onafhankelijk werd. Een grote stroom vluchtelingen uit het zuiden naar het noorden, vooral protestanten, en handelaren uit de geblokkeerde Antwerpse haven, had grote demografische gevolgen.
Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701–1714) waren de Spaanse Nederlanden in handen van troepen van de Republiek gekomen. Toch werden de beide Nederlanden niet herenigd. Met de Vrede van Utrecht van 1713 werden zij aan de Oostenrijkse tak van het huis Habsburg toegewezen, waarna de feitelijke overdracht plaatsvond in 1715. De Verenigde Provinciën behielden aanvankelijk nog enige militaire controle door garnizoenen in de barrièresteden. Maar onder keizer Jozef II (r. 1780–1790) werd besloten tot sloping van de vestingen der Nederlanden, met uitzondering van die van Antwerpen en Luxemburg, en namen keizerlijke troepen de macht over.
1780–1790: Brabantse Omwenteling Hervormingen en weerstand 174px180pxJan Frans Vonck, leider van de vonckisten.Hendrik van der Noot, leider van de statisten. Na in 1781 een studiereis door de nu Oostenrijkse Nederlanden te hebben ondernomen en verbaasd te zijn over de inefficiënte middeleeuwse wirwar van kerkelijke, politieke en juridische instellingen, besloot Jozef II dat het tijd was voor een modern, logisch gestructureerd bestuur en rechtsstelsel. Bovendien meende hij dat de staat macht diende te hebben over de kerk, hetgeen jozefinisme werd genoemd. Per edict voerde hij van boven af verschillende hervormingen door, die echter vanaf 1787 op groeiend verzet stuitten. (2005) 55–58. De weerstand kwam uit zowel uit conservatieve als progressieve hoek. De conservatieve partij, de statisten of nootianen, werd gevormd door de adel, geestelijkheid en ambachten onder leiding van de Brusselse advocaat Hendrik van der Noot. Zij wilden alle hervormingen –die hun machtsposities aantastten– terugdraaien. De progressieven, afkomstig uit de nieuwe burgerij, waren democratisch ingesteld en werden geleid door een andere Brusselse advocaat, Jan Frans Vonck, en daarom vonckisten genoemd. Zij juichten de hervormingen meestal toe, maar niet hoe deze op autoritaire wijze werden opgelegd. Ondanks hun grote verschillen, vonden de statisten en vonckisten elkaar in hun revolte tegen Jozef II. (1999) Het aanzien van een millennium: De Brabantse Omwenteling (1999) 163–165. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht,
Eerst kwam het verzet vooral uit Brabant en Henegouwen. Net zoals de patriotten in het noorden kreeg de weerstand tegen de eigenzinnige hervormingen van de Oostenrijkse Habsburgse vorst een steeds republikeinser karakter. Enerzijds verwees men terug naar een vermeende antieke "Belgische vrijheid" die men terugeiste (zoals de noordelijke patriotten verwezen naar de oude Bataven), anderzijds trok men vaak de vergelijking met de 16e-eeuwse opstand tegen de Spaanse Habsburgers en keek daarbij hoopvol naar de Nederlandse Republiek, Pruisen en Engeland voor bijstand. Toen in september 1787 de Pruisische inval echter de Noord-Nederlandse patriotten versloeg, grotendeels uit de Republiek verdreef en de Oranjerestauratie werd doorgevoerd, kon men die hulp vergeten. Van der Noots voorstellen om prins Frederik, de tweede zoon van stadhouder Willem V, uit te roepen tot stadhouder van een vrije Zuid-Nederlandse Republiek en een mogelijke hereniging van de Zeventien Provinciën, werden in mei 1789 afgewezen door de Hollandse raadspensionaris Laurens Pieter van de Spiegel. Het motief hiervoor lijkt niet zozeer de religieuze verschillen tussen noord en zuid te zijn geweest als wel de economische concurrentie die het noorden vreesde als de Schelde weer werd geopend voor de handel van en naar Antwerpen. In Engeland ving Van der Noot ook bot. Alleen Pruisen was wel enigszins bereid om een Zuid-Nederlandse rebellie te steunen, zeker niet om ideologische redenen (immers had het net een soortgelijke opstand in het noorden neergeslagen), maar wel strategische: het verzwakken van Oostenrijk was in zijn voordeel.
In Breda zette Van der Noot een revolutionair comité op, terwijl ondertussen –onafhankelijk van hem– Vonck in Brussel een oproep deed tot het vormen van een volksleger. Vonck werd politiek gesteund door het geheime genootschap Pro aris et focis (opgericht in mei 1789) van de verlichte nationalist Jan Baptist Verlooy en financieel gesteund door de clerus. Toen Jozef II de derde stand wilde hervormen, liet de Raad van Brabant op 9 mei bij meerderheidsstemming weten dat dit een schending van de constitutie was. Kort daarop schreef aartsbisschop Joannes Henricus van Frankenberg een wijd verspreid pamflet, waarin hij beweerde dat, door het aan banden leggen van de clerus, de katholieke godsdienst onder vuur lag van de Oostenrijkse hervormingsdwang en het tijd was om de wapens op te nemen. Op 18 juni werd aan de Staten van Brabant medegedeeld dat de hervorming van de derde stand per keizerlijk edict zou worden opgelegd. Toen de Staten weigerden, wijzende op de uitspraak van de Raad van Brabant, bezette het keizerlijke leger de Grote Markt van Brussel en werden dezelfde dag nog de Blijde Inkomst en alle gewestelijke privileges afgeschaft, de deputatie der Staten opgeheven, de Raad van Brabant ontbonden en haar functies overgedragen aan de Grote Raad van Mechelen. Tijdens deze keizerlijke staatsgreep werden bovendien pogingen gedaan om leden van de Raad van Brabant op te pakken bij huiszoekingen; op een na wisten zij echter tijdig te vluchten, waarvan enkelen naar Breda.Geyl, p. 225. Deze gebeurtenissen deden de oppositie radicaliseren, mede geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in Frankrijk, waar de derde stand zich op 17 juni had uitgeroepen tot Nationale Vergadering en op 20 juni de Eed op de Kaatsbaan zwoer: het begin van de Franse Revolutie. Het grote verschil was echter dat de Franse beweging mede gericht was tegen de aristocratie en haar privileges, terwijl de Brabantse beweging, met uitzondering van enkele vonckisten, juist door aristocraten werd geleid die hun privileges wilden beschermen.Geyl, p. 228–29.
Patriottische opstand thumb|Vlag van de Brabantse Omwenteling (1790). Nadat in Parijs de Franse Revolutie was uitgebroken, op 14 juli dramatisch versterkt door de bestorming van de Bastille, volgde in augustus de Luikse Revolutie: de Luikse Republiek werd uitgeroepen en men nam op 16 september een Verklaring van de rechten van de mens en de burger naar het Franse voorbeeld van 26 augustus aan. Ondertussen zocht Pro aris et focis naar een veilige plaats in het buitenland om het volksleger te verzamelen en trainen, waarbij Vonck middels zijn vriend De Brouwer een verzoek richtte aan het Comité van Breda om daar de troepen te huisvesten. Echter, Van der Noot weigerde met hoogmoedige minachting, omdat hij niet geloofde in een volkse omwenteling; hij had al zijn zinnen gezet op een buitenlandse militaire interventie, ook al haalde zijn lobbywerk, met uitzondering van vage Pruisische beloften, niets uit.Geyl, p. 229. De Luikse Revolutie bood Pro aris et focis nieuwe mogelijkheden en spoeding werd een militair hoofdkwartier opgezet in Hasselt. Op 30 augustus vond Vonck de oud-officier Jan Andries vander Mersch bereid om commandant van het rebellenleger te worden. Uit alle delen van het land stroomden enkele duizenden goed bewapende jongemannen naar Hasselt. De keizerlijke regering raakte spoedig op de hoogte van de republikeinse samenzwering en de keizer, hoewel geschrokken van de opkomende weerstand, had vanwege de Oostenrijks-Turkse Oorlog (1787-1791) geen troepen beschikbaar om met geweld zijn wil door te drukken, alleen om enkele vermeende revolutionairen te arresteren (aartsbisschop Frankenberg kreeg 14 september huisarrest). Hij instrueerde zijn gevolmachtigde minister in Brussel, Ferdinand von Trauttmansdorff (die zich weinig zorgen maakte over de patriotten), om aan te sturen op verzoening.Geyl, p. 230.