De Macedonisch-Orthodoxe Kerk (Macedonisch: , ) behoort tot de autocefale oosters-orthodoxe kerken. De Macedonisch-Orthodoxe Kerk heeft de status van aartsbisdom. De opperste gerechtelijke en bestuurlijke macht wordt uitgeoefend door de Heilige Synode. De Macedonisch-Orthodoxe Kerk is een kerk onder de aartsbisschop van Ohrid en Noord-Macedonië op het grondgebied van Noord-Macedonië, met jurisdictie over Macedonische orthodoxe christenen in Noord-Macedonië en in exarchaten in de Macedonische diaspora. De kerk heeft acht bisdommen in Macedonië en de rest in het buitenland voor de verzorging van de Macedonische diaspora.

Vanuit de Servisch-Orthodoxe Kerk is een autonoom aartsbisdom van Ohrid opgericht, wat door de andere orthodoxe kerken wordt erkend als canoniek.

Pas in mei 2022 werd de Macedonisch-Orthodoxe Kerk door het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel erkend als het aartsbisdom van Ohrid binnen de grenzen van de Macedonische staat als canoniek en geldig in de hele orthodoxe wereld. Op 9 mei 2022 aanvaardde het Oecumenisch Patriarchaat de kerk in communio onder de naam Aartsbisdom van Ohrid en erkende Noord-Macedonië als het canonieke grondgebied van deze kerk. Op 16 mei 2022 kondigde het Servische patriarchaat het einde aan van het schisma tussen het patriarchaat en het aartsbisdom, waarbij de kerk werd hersteld in volledige gemeenschap en dezelfde autonomie kreeg als in 1959.

In 1959, verleende de Heilige Synode van de Servisch-Orthodoxe Kerk autonomie aan de Orthodoxe Kerk in de toenmalige Socialistische Republiek Macedonië als zijnde de restauratie en beroeping op het historische aartsbisdom van Ohrid van de middeleeuwen en het bleef in canonieke eenheid met de Servische Kerk onder de Patriarch van Servië. In 1967, op de tweehonderdste verjaardag van de afschaffing van het aartsbisdom van Ohrid, kondigde de Macedonische Kerk eenzijdig haar autocefalie en onafhankelijkheid van de Servisch-Orthodoxe Kerk af. De Servische Heilige Synode hekelde de uitspraak en veroordeelde de geestelijkheid als schismatiek. Vanaf toen was de Macedonische Kerk niet meer erkend door het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel en alle andere canonieke orthodoxe kerken ter verdediging van de Servische oppositie.

Geschiedenis Het historische Macedonië was veel groter dan de huidige republiek en had voor het grootste deel een Grieks karakter. De Eerste brief van Paulus aan de Tessalonicenzen en Tweede brief van Paulus aan de Tessalonicenzen toont aan, dat er al in de eerste eeuwen christenen woonden. Macedonië werd toen door het Romeinse Rijk gecontroleerd en viel na de verdeling van dat rijk in 395 onder het Oost-Romeinse Rijk deel ervan. Het bevond zich honderden jaren lang in de periferie van dat rijk, waarin zich vanaf de 6e eeuw Slavische stammen vestigden. In de 9e eeuw kwam het onder in die periode machtige Bulgaarse Rijk. Na de ondergang daarvan werd Macedonië weer een onderdeel van het Byzantijnse Rijk en werd het tussendoor ook nog door Servië overheerst. Van het einde van de 14e eeuw tot de Balkanoorlog van 1912 kwam Macedonië onder de heerschappij van het Ottomaanse Rijk. Daarna viel het onder het Koninkrijk Servië en na de Eerste Wereldoorlog onder het Koninkrijk Joegoslavië, na de Tweede Wereldoorlog maakte het als Socialistische Republiek Macedonië deel uit van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië tot het in 1991 haar zelfstandigheid verkreeg.

Het is omstreden waar Macedonië de eerste eeuwen na de deling van het Romeinse Rijk kerkelijk onder viel. Vanaf de 8e eeuw kwam de regio onder de jurisdictie van het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel en maakte daardoor deel uit van de oosters-orthodoxe kerken. De Bulgaarse heersers richtten in de tijd van hun overheersing een kerkelijke organisatie op met als centrum de bisschopszetel van Ohrid. Toen Macedonië weer werd ingelijfd bij het Byzantijnse Rijk bleef dit centrum bestaan als een autonoom aartsbisdom binnen het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel. Dit patriarchaat benoemde de bisschoppen en dat waren vaak etnische Grieken. Deze hadden weinig aandacht voor de tradities van de Slaven en werden daarom terughoudend door de leken en de lagere geestelijken benaderd. Deze praktijk veranderde niet tijdens de Ottomaanse heerschappij. De Ottomanen lieten zelfs grote delen van de orthodoxe christenen in Servië jurisdictioneel onder dit aartsbisdom vallen, totdat het aartsbisdom van Ohrid in overeenstemming met patriarch Samuel I Chatzeres van Constantinopel in 1767 opgeheven werd. Er ontstond daardoor een tegenstelling tussen de Griekse bisschoppen enerzijds en de Slavische priesters en gelovigen anderzijds. Tijdens het midden van de 19e eeuw, was er dan ook een beweging die werkte aan de restauratie van de Autocefale kerk van Ohrid. Deze inspanningen waren niet succesvol. Ondertussen behoorde Macedonië tot het Bulgaarse exarchaat. Deze situatie duurde voort tot het einde van de Eerste Wereldoorlog. Gelijktijdig waren er in de laatste fase van de Ottomaanse overheersing verdere pogingen om het aartsbisdom van Ohrid te herstellen.

Pas als gevolg van de Balkanoorlog in 1912 kwam Macedonië bij Servië terecht en vervolgens bij Joegoslavië. Macedonië werd van de Servische kant als een soort van “Zuid-Servië” beschouwd.

De Orthodoxe kerk werd in die lijn dan ook ingelijfd bij het in 1920 ontstane Servische patriarchaat. De metropoliet van Ohrid en de andere bisschoppen van Macedonië vielen toen net als alle andere hiërarchen in Joegoslavië onder de Servisch-Orthodoxe Kerk. De bisschoppen waren tot de jaren 1940 uitsluitend Serviërs. De Goddelijke liturgie werd overal in de oude Kerkslavische taal gevierd en het Servisch was de taal van de kerkelijke synode. De Macedonische taal beschouwde men als een Servisch dialect. Maar omdat er inmiddels een Macedonisch nationaal gevoel was ontstaan, ontstond er in de kerk, maar vooral in de samenleving oppositie tegen deze politiek van Servisering.

Verhouding van de Servisch-Orthodoxe Kerk met de socialistische regering De communisten hebben getracht de Servisch-Orthodoxe Kerk door onderverdeling te verzwakken en moedigde de oprichting van een schismatieke Kerk van Macedonië in 1967 en een schismatieke Kerk van Montenegro in 1993 aan. Deze kerken beschouwen zichzelf als autocefaal, alleen de Macedonisch-Orthodoxe Kerk is door de andere Orthodoxe Kerken erkend.

De Macedoniërs beroepen zich op de autocefalie van het oude aartsbisdom en latere patriarchaat Ohrid. Ze hebben zich op 19 juli 1967 losgemaakt uit de Servisch-Orthodoxe Kerk en zich tot een zelfstandige autocefale kerk uitgeroepen, zonder de toestemming van het patriarchaat van Belgrado. De Macedonische in 1967 en Montenegrijnse autocefalie in 1993 zou zonder politieke steun ondenkbaar zijn geweest. De Servisch-Orthodoxe Kerk beschouwde deze stappen dan ook als een politieke manipulatie van de Joegoslavische communisten die gericht was tegen de Servisch-Orthodoxe Kerk.

Een soortgelijke niet-canonieke kerk in het voormalige Joegoslavië is de Montenegrijns-Orthodoxe Kerk.

Ontstaan van het schisma Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er een initiatief om een Armeens-Macedonische Kerk op het grondgebied van het bezette Griekenland te stichten, maar dit plan werd alleen ondersteund door enkele etnische Armeniërs en de Egeïsche Macedoniërs in de regio van Kastoria. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel Macedonië zowel kerkelijk als politiek opnieuw onder Bulgarije. Maar nog tijdens de oorlog riep men de socialistische republiek Macedonië uit, die vervolgens een deelrepubliek werd van de Joegoslavische federatieve volksrepubliek. Slavisch Macedonië was nu als een staat binnen Joegoslavië erkend. Nationalistische Serviërs hadden daar moeite mee, maar dat kon in het communistische Joegoslavië niet openlijk verwoord worden. Ook Griekenland, dat onmiddellijk aan de nieuwe staat grensde protesteerde en kon zich, ook toen al, niet verenigen met een Slavische Macedonische natie.

Toch steunde de Joegoslavische staat dit proces van natievorming, ook in kerkelijk opzicht. Ze bevorderde tendensen, die de Macedonisch-Orthodoxe Kerk los wilde maken van de Servische orthodoxie. De na de Tweede Wereldoorlog weer beginnende kerkelijke autonomie van de Macedoniërs werd actief gesteund door het regime van Tito gebruikt om de oprichting van een “Joegoslavische Orthodoxe Kerk” met lidkerken in elk republiek te promoten. De nieuwe kerk moest niet alleen een verzwakking van de Servisch-Orthodoxe Kerk veroorzaken, maar ook de Rooms-Katholieke Kerk, die zich kritisch over het communistische bewind had uitgelaten, verzwakken.

Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot 1958 was er in feite al sprake van een soort schisma. Graaf Gyula Cseszneky, de Macedonische grootvoivode, stichtte de Macedonische Orthodoxe Kerk in 1943. Deze werd niet veel later afgeschaft door de Grieks-Orthodoxe Kerk maar werd opnieuw ingevoerd in de Socialistische Republiek Macedonië in 1959. Een uit Macedonische priesters en leken bestaande “initiatiefgroep” ijverde voor een zo groot mogelijke zelfstandigheid voor de Orthodoxe kerk in Macedonië. De benoeming van bisschoppen was daarbij een belangrijk strijdpunt. De initiatiefgroep verzette zich tegen het idee dat Servische bisschoppen in Macedonische bisdommen benoemd konden worden. Ten slotte kon men het toch eens worden over een metropoliet en over de kandidaten van de twee andere bisdommen. Deze overeenkomst hield ook in dat de metropolie van Skopje als een autonome kerk binnen het Servische patriarchaat beschouwd werd. Officieel werd de vraag naar een onafhankelijke Macedonische kerk voor de eerste keer gesteld door een nationaal concilie, bestaande uit geestelijken en leken, in maart 1945. Hierop volgde in oktober een negatieve reactie van de kant van de Servische Kerk. Een verzameling van meer dan 200 Macedonische priesters reageerde in mei 1946 met een resolutie die duidelijk werd beïnvloed door de ideeën van de communistische regering. Zij eisten niet alleen autonomie voor de Macedonische nationale kerk en de verkiezing van de bisschoppen door geestelijken en leken, maar ook de vorming van een Gezamenlijke Joegoslavische synode, waarin de kerken uit elke republiek vertegenwoordigd moesten worden. Dat zou voor de Servische Kerk het verlies van hun metropolieën en bisdommen in Kroatië, Bosnië en Montenegro betekend hebben.

Tijdens het Tweede Macedonische Concilie in oktober 1958 werd bisschop Dositej verkozen tot aartsbisschop van Ohrid. Dit betekende ook de restauratie van deze in de 18e eeuw verloren gegane metropolie. Gelijktijdig met Dositej werden twee andere bisschoppen van Macedonische nationaliteit verkozen en deze vormden de synode van de inmiddels autonome Macedonische Kerk. Patriarch German van Belgrado en de Heilige Synode van de Servische Kerk omschreven de verkiezingen als niet-canoniek. In 1959 kwam patriarch German naar Macedonië, waar hij een andere bisschop wijdde, samen met aartsbisschop Dositej. Daarmee aanvaardde hij, weliswaar onder druk van de communistische regering, de ontstane ontwikkelingen, echter, zonder deze officieel aan te kondigen in het publicatieblad van de kerk. Op dat moment erkenden de Macedoniërs patriarch German nog als hoofd van beide kerken en noemden hem in de correspondentie patriarch van Servië en Macedonië.

Schisma