Het doksaal van de Sint-Servaasbasiliek was een gotisch doksaal met een bijbehorend altaar, het Sint-Servaasaltaar, dat van circa 1300 tot 1732 de koorafsluiting vormde in de Sint-Servaaskerk in de Nederlandse stad Maastricht. Van het doksaal met reliëfvoorstellingen van het leven van Sint-Servaas zijn ongeveer vijfentwintig gebeeldhouwde fragmenten bewaard gebleven in de oostcrypte van de kerk. Deze en het eveneens bewaard gebleven Sint-Servaasbeeld, dat op het Sint-Servaasaltaar stond, zijn belangrijke voorbeelden van Maasgotische beeldhouwkunst uit de late dertiende eeuw.Den Hartog, pp. 498, 502-503.
Geschiedenis Het gotisch doksaal van de Sint-Servaaskerk heeft mogelijk twee voorgangers gekend. In 1987 werd bij archeologische opgravingen in de kerk een Merovingisch of Karolingisch reliëf gevonden met voorstellingen van de Vlucht naar Egypte en de Kindermoord van Bethlehem. Het fragment is mogelijk afkomstig van de cancelli (koorhekken) van de tweede Merovingische kerk (ca. 675-1000).Panhuysen (1992), p. 507. Een jaar later werd bij opgravingen in de kerk het graf gevonden van de elfde-eeuwse proost Humbertus. In het graf werd een loden grafkruis aangetroffen (thans in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek) met een opsomming van Humbertus' werkzaamheden in de Sint-Servaaskerk. Daarbij wordt onder andere vermeld dat hij "het ciborie heeft laten bouwen en versieren, dat achter het altaar van de heilige Servaas staat".Panhuysen (1988), p. 317. Of met ciboriv(m) een altaarciborie (een baldakijn boven een altaar) bedoeld is of een doksaal, is niet duidelijk.
Hoewel de datering van het gotische doksaal rond 1300 niet vaststaat (zie hieronder), is wel zeker dat het kerkgebouw in deze periode grootscheeps verbouwd werd. In 1289 maakte proost Gerard van Katzenelnbogen de middelen vrij om deze bouwcampagne te financieren, een besluit dat hij twee jaar later vanuit Parijs bevestigde. In 1324 werd de vernieuwing van de kerk voorlopig afgesloten met de plaatsing van een gotisch raam in het zuidertransept met een stenen beeld van Sint-Servaas aan de binnenzijde van de muurdam.Kroos, p. 324. Dit stenen beeld lijkt sprekend op het houten Sint-Servaasbeeld dat omstreeks dezelfde tijd op of boven een altaar vóór het nieuwe doksaal werd geplaatst.
De plaats van het doksaal en het Sint-Servaasaltaar midden in de Sint-Servaaskerk boven het graf van de heilige was hoogst symbolisch. De architectuurhistoricus Aart Mekking maakte een uitgebreide studie over de manier waarop de architectuur en de inrichting van de kerk het streven van de proosten van Sint-Servaas weerspiegelde om de kerk een 'keizerlijke uitstraling' te geven. Van groot belang was daarbij de plaatsing in één lijn (in medio ecclesiae) van achtereenvolgens het Westwerkaltaar, de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus, het Sint-Servaasaltaar en, haast onzichtbaar achter het doksaal, het hoogaltaar met de Noodkist van Sint-Servaas en de vier vergulde reliekhouders van Maastrichtse bisschoppen. De monumentale route door de kerk die op die manier was ontstaan, moet op bezoekers grote indruk hebben gemaakt en was volgens Mekking "een van de meest indrukwekkende architectonische en liturgische disposities die de architectuur in het Heilige Romeinse Rijk in de Middeleeuwen heeft voortgebracht".Mekking (1986), p. 222.
thumb|180px|Doksaalfragmenten in de kloostergang, 1915 In de Ordinarius Custodum van de kerk, aangelegd in de late dertiende eeuw en bijgewerkt tot circa 1600, is te lezen hoe het altaar van Sint-Servaas een centrale rol speelde bij allerlei plechtigheden, onder andere bij processies, reliekentoningen en het inhalen van een nieuwe proost.Koldeweij (1992), pp. 40-42. Onder proost Jan van Eynatten, volgens Herbenus een groot vereerder van Sint-Servaas, vonden omstreeks 1500 verdere verfraaiingen plaats aan het koor en doksaal, waaronder bronsgietwerk, waarschijnlijk van de hand van Aert van Tricht.Koldeweij (1985), pp. 266-269. Omstreeks 1600 werd het doksaal gerestaureerd, wellicht na beschadiging tijdens de Beeldenstorm. Rond diezelfde tijd werd het beeld van Sint-Servaas, dat tot die tijd waarschijnlijk gepolychromeerd was, verguld.Kroos (1985), pp. 325-326. Na de Contrareformatie werd in veel katholieke kerken het doksaal verwijderd omdat men het belangrijk achtte dat het gewone volk de handelingen op het hoogaltaar kon volgen. In de Sint-Servaas verdween het doksaal in 1732. Het edelsmeedwerk van Aert van Tricht was al in 1711 ontmanteld. Een deel ervan, bestaande uit bronzen apostel- en evangelistenfiguren afgewisseld met koperen kandelaren, kreeg een plaats boven het nieuwe barokke koorgestoelte.Kroos (1985), p. 362. Bij de opheffing van het kapittel in 1797 is dit met het merendeel van de kerkinventaris verloren geraakt.
In 1915 zijn door J. Kalf een aantal fragmenten van het doksaal teruggevonden in het oostelijk deel van het schip.Van Nispen tot Sevenaer (1974), p. 439. Kennelijk waren ze na de sloop ter plekke begraven onder de kerkvloer. Enkele stukken werden tentoongesteld in de Schatkamer, andere werden ingemetseld in een muur in de oostelijke kruisgang of verdwenen in het depot. Na de kerkrestauratie in de jaren 1980-90 werden de brokstukken verzameld in een nieuw ingericht lapidarium in de oostelijke crypte van de kerk, waar ze op een speciaal daarvoor ontworpen stalen constructie permanent worden tentoongesteld. Bezichtiging van de crypte is uitsluitend mogelijk met een gids.
Beschrijving Architectonische opbouw doksaal Tot nu toe heeft geen enkele auteur het gewaagd op grond van de gevonden brokstukken en de schaarse geschreven bronnen een reconstructie van het Maastrichtse doksaal te maken. Een doksaal bestaat over het algemeen uit een tribune, gedragen door een open arcade of een muur. In het laatste geval zijn er één of meerdere openingen om vanuit het schip op het priesterkoor te komen. De Duitse kunsthistorica Renate Kroos ontdekte in een document uit 1613 dat het doksaal aan de kant van het priesterkoor voorzien was van bisschopsbeelden, wellicht de bekende reeks van eenentwintig heilige bisschoppen van Maastricht. In dat geval stonden waarschijnlijk aan weerszijden van het Sint-Servaasbeeld tien bisschoppen opgesteld. In het doksaal bevonden zich minimaal twee doorgangen naar het koor. Mogelijk stond er op het doksaal een kruis. In 1539 wordt een kerkorgel "voor het koor" genoemd. In 1644 beklaagde men zich over de smalle, ongemakkelijke trappen, waardoor de koorkleding stuk ging.Kroos (1985), p. 325.
Alle bewaard gebleven fragmenten van het oksaal bestaan uit gebeeldhouwde stukken mergelsteen die oorspronkelijk beschilderd waren. Van deze polychromie zijn nog hier en daar resten zichtbaar. Ongeveer de helft van de circa 23 brokstukken zijn spitsboog- en andere architectuurfragmenten, die de bouwkundige hoofdstructuur van het doksaal vormden. De andere helft bestaat uit figuratief beeldhouwwerk.
Spitsboogfragmenten De spitsboogfragmenten vormen samen een arcade van minimaal vijf spitsbogen. Mogelijk stonden hier de genoemde bisschoppenbeelden onder. De spitsbogen zijn aan de binnenzijde voorzien van gotisch maaswerk (soms blindtraceringen) en aan de buitenzijde van toten. Bij de fragmenten zitten twee driepassen, die precies tussen de spitsbogen passen. Een van deze driepassen is versierd met een musicerende engel, de ander met bladwerk. Ook zijn er een tweetal kapitelen met bladwerkversiering gevonden.
thumb|"Koorknapensteen" Figuratief beeldhouwwerk De overige brokstukken bestaan uit boogzwikken met voorstellingen uit de Sint-Servaaslegende, zoals die een eeuw eerder door Hendrik van Veldeke op rijm was gezet. Te herkennen zijn onder andere: Attila de Hun die door Sint-Servaas wordt gedoopt, de slapende Sint-Servaas (met Sint-Servaassleutel) die door een adelaar tegen de zon wordt beschermd en Sint-Servaas die met zijn staf een draak, symbool voor het arianisme, doodt. Ongebruikelijk is de manier waarop de figuren binnen de boogzwikken 'meebuigen'. Van enkele stenen, waaronder de zogenaamde "koorknapensteen", een beeld van een zittende Sint-Hubertus en een zwaar beschadigd beeld van een onbekende, zittende bisschop, is niet zeker of ze bij het doksaal hebben behoord.Den Hartog (1992), pp. 498-499.
Datering en kunsthistorische betekenis thumb|210px|Detail van doksaalfragment: Attila de Hun met zwaard en volgeling De rijksarchivaris August Flament was de eerste die een poging deed het Maastrichtse doksaal te dateren. Vanwege een incorrecte iconografische interpretatie - hij meende dat de afgebeelde koning Lodewijk XI van Frankrijk voorstelde, die in 1463 de bouw van de Koningskapel sponsorde - dateerde hij het beeldhouwwerk in de vijftiende eeuw, een datering die door andere auteurs werd overgenomen. De Limburgse hoogleraar kunstgeschiedenis Joseph Timmers meende dat het beeld van Sint-Servaas uit het laatste kwart van de veertiende eeuw dateerde. Het doksaal werd door hem niet genoemd.Timmers (1980), p. 156. Renate Kroos dateerde zowel het doksaal als het heiligenbeeld op grond van stijlkenmerken in het begin van de veertiende eeuw en Jos Koldeweij volgde haar daarin.Kroos (1985), p. 324, 325. Elizabeth den Hartog, ten slotte, droeg in 1992 voldoende argumenten aan om het ontstaan van het doksaal én het beeld omstreeks 1300 te plaatsen. Daarmee behoort het doksaal van de Sint-Servaaskerk tot de oudste in de Nederlanden. Alleen dat van de Sint-Niklaaskerk in Gent, waarvan eveneens slechts fragmenten bewaard zijn gebleven, is ouder. (2009): Gent... steengoed!, pp. 39-40. Academia Press, Gent. (online tekst). Gearchiveerd op 24 juni 2023.
Den Hartog trof vergelijkbaar beeldhouwwerk aan bij de koningsgraven in de Kathedraal van Saint-Denis, enkele portalen van de Notre-Dame van Parijs, grafmonumenten en ander beeldhouwwerk in de Dom van Mainz, de (afgebroken) Maria ad Graduskerk in diezelfde stad, de Dom van Keulen en bij de zogenaamde Negen helden in de Hansazaal van het raadhuis van Keulen. Zij vermoedt dan ook dat Franse of Rijnlandse beeldhouwers in Maastricht aan het werk zijn geweest. In het laatste geval mogelijk dezelfden die in 1279 in Luik het westportaal van de (verwoeste) Sint-Lambertuskathedraal bouwden. Voor de 'meebuigende' figuren in de Maastrichtse boogzwikken bestaat geen parallel. Bij andere gotische doksalen staan de figuren rechtop tussen de spitsbogen, zoals bij de boogzwikken van het doksaal van de kathedraal van Bourges is te zien. Mogelijk was de positionering van de figuren in de Sint-Servaas een experiment, ontleend aan de opbouw van gotische portalen met archivolten. Het resultaat is enigszins geforceerd en het experiment is dan ook niet of nauwelijks herhaald. Pas honderd jaar later zouden vergelijkbare figuren te zien zijn in de zwikken boven de koorvensters van de Sint-Jan in Den Bosch.Den Hartog (1992), pp. 500-503.
Iconografie Het doksaal verzinnebeeldde in de middeleeuwen de scheiding tussen de hemel (het priesterkoor) en de aarde (de rest van de kerk). Het ontbreken van grote delen van het Maastrichtse doksaal en de sterke slijtage van de gevonden brokstukken maakt het moeilijk een samenhangende iconografie te ontdekken. Een deel van de fragmenten verwijst in elk geval naar de Sint-Servaaslegende, zoals die in de elfde eeuw was opgetekend door Jocundus en in de twaalfde eeuw nog werd uitgebreid door Hendrik van Veldeke in zijn Leven van Sente Servas.Koldeweij (1985), pp. 23-35.