Veiligheidskunde is de studie van de verschillende vormen van veiligheid. Er kunnen verschillende onderverdelingen worden gemaakt, maar de arbeidsveiligheid is er een belangrijk onderdeel van.

Door de industrialisatie was in de negentiende eeuw het aantal ongevallen sterk gestegen. Als reactie daarop ontwikkelde de veiligheidskunde zich, in verschillende richtingen. Een daarvan richt zich op het gedrag van de werknemer, terwijl een andere richting de mogelijke verbeteringen in de technologie op de werkplaats bestudeert. De eerste benadering werd in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk gevolgd, terwijl de tweede richting in Duitsland al vroeg de nadruk kreeg. Vanaf de twintigste eeuw kreeg ook de organisatie van veiligheid de aandacht. Daarmee viel een onderverdeling te ontdekken die de Duitse socioloog Norbert Elias als een triade aanduidde: natuurbeheersing – techniek, omgeving sociale beheersing – organisatie, de harde kant zelfbeheersing – gedrag, de zachte kant Hoewel deze benaderingen veelal in meer of mindere mate naast elkaar voorkomen, zijn er op verschillende plaatsen en tijden dominerende vormen. Elke benadering heeft haar eigen theorieën en modellen.

De wetenschappelijke ontwikkeling in de veiligheidskunde loopt niet evenwijdig aan veiligheidsmanagement. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Een daarvan is het gegeven dat ongevallen veelal samengaan met aansprakelijkheid. Vroeg onderzoek naar veiligheid is dan ook ingezet door verzekeraars. Dit kan wel tot gevolg hebben dat wat in naam een veiligheidsbeleid is, ten dele een beleid is om aansprakelijkheid te verminderen.

Industrialisatie thumb|The Jungle uit 1906 van Upton Sinclair, over de werk- en leefomstandigheden in de vleesverwerkingsfabrieken in Chicago

De opkomst van de industrie ging gepaard met schaalvergroting en het fabriekssysteem, gekenmerkt door machines en ongeschoolde arbeid. Dit had zijn invloed op het aantal ongevallen. De heersende gedachte was dat dit door overmacht onvermijdelijk was, door een Act of God, en het gedrag van werknemers.

Vroege wetgeving ontstond in de bakermat van de industriële revolutie, het Verenigd Koninkrijk. Daar werd in 1802 de Factory Act 1802 aangenomen die zich nog vooral op kinderarbeid richtte en de omstandigheden waar zij in de katoenfabrieken in werkten. Bij gebrek aan handhaving werd deze wet nauwelijks uitgevoerd tot in 1833 een arbeidsinspectie werd aangesteld. Aanvankelijk richtte deze zich vooral op arbeidsuren, maar in 1844 breidde dit zich uit naar afscherming van machines.

Frederik Willem III van Pruisen beperkte in zijn land in 1839 met het Preußisches Regulativ de kinderarbeid, de eerste Duitse arbeidswetgeving en Otto von Bismarck introduceerde daar in 1884 met zijn Unfallversicherungsgesetz de eerste ongevallenverzekering ter wereld, de gesetzliche Unfallversicherung. Hiermee ontstond ook een noodzaak voor ongevallenstatistiek. De industrie in Duitsland richtte zich vooral op veiligheidstechniek en minder op gedrag.

In Nederland kwam het in 1886 tot de parlementaire enquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen, waaruit bleek dat er in fabrieken allerlei wantoestanden bestonden, zoals kinderarbeid, lange werktijden en slechte arbeidsomstandigheden. Hieruit volgden de Arbeidswet 1889, in 1890 werd de Arbeidsinspectie opgericht en in 1895 volgde de Veiligheidswet van 1895. De Rijksverzekeringsbank werd naar aanleiding van de Ongevallenwet 1901 opgericht die ook ongevallenstatistiek bij ging houden. Op initiatief van werkgevers die niets zagen in een publiek orgaan werd de Centrale Werkgevers Risico-Bank opgericht.

Van de arts Louis Heijermans verscheen in 1905 Gezondheidsleer voor arbeiders. Hij zag drie oorzaken voor ongevallen: de arbeider de arbeid[...] dat velerlei gevaarlijke arbeid zoo stompzinnig en zo eentonig is, dat hij alle energie doodt, en den arbeider geheel tot een machine maakt (1905) de werktijden

In 1907 kwamen in de Verenigde Staten voor het eerst statistieken beschikbaar over het aantal ongevallen. Het dodental lag in de Amerikaanse industrie op 0,7 per miljoen manuren, een veelvoud van de 0,2 in Duitsland. In 1907 vielen er 3 242 doden in Amerikaanse mijnen, terwijl er bij de spoorwegen dat jaar 4 534 slachtoffers vielen. Alarmerend was ook Work-Accidents and the Law van C Eastman, onderdeel van The Pittsburgh Survey.. The Pittsburgh Survey. Work-Accidents and the Law, 1910. Russell Sage Foundation Publications In tegenstelling tot de dan heersende opvattingen zag zij niet vooral de arbeiders als oorzaak van ongevallen. Zij kwam dan ook tot andere getallen voor menselijke fouten dan de 70-80% die veel genoemd werd:Eastman 1910 noemt een nog hoger getal: "So you've come to Pittsburgh to study accidents, have you?" says the superintendent, or the claim agent, or the general manager, as the case may be. "Well, I've been in this business fifteen years and I can tell you one thing right now,—95 per cent of our accidents are due to the carelessness of the man who gets hurt. Why, you simply wouldn't believe the things they'll do. (1910)

thumb|Breaker Boys in Coal Mine South Pittston Pennsylvania door Lewis Hine

30% werkgever 28% werknemer 16% beiden 26% geen

Het waren volgens haar vooral de omstandigheden waaronder arbeiders moesten werken: If a hundred times a day a man is required to take necessary risks, it is not in reason to expect him to stop there and never take an unnecessary risk. Extreme caution is as unprofessional among the men in dangerous trades as fear would be in a soldier.

Het boek van Eastman werd geïllustreerd met foto's van slachtoffers gemaakt door Lewis Hine. Het werk van Eastman resulteerde in de eerste ongevallenverzekering in de Verenigde Staten. Hine had veel invloed met zijn foto's. Behalve de foto's voor Eastman maakte hij voor de National Child Labor Committee foto's van kinderarbeid en in 1930 fotografeerde hij de bouw van het Empire State Building, waarbij wederom de nadruk lag op de omstandigheden waaronder de arbeiders moesten werken.

Gedrag Het verhogen van veiligheid door de nadruk te leggen op gedrag ontstond aan het begin van de twintigste eeuw. In de Verenigde Staten begon de safety-firstbeweging, terwijl in het Verenigd Koninkrijk de eerste wetenschappelijke theorie over veiligheid wordt ontwikkeld, de brokkenmakerstheorie, de accident-proneness theory. Menselijke fouten werden gezien als de voornaamste oorzaken van ongevallen.

Safety first thumb|The Road to Happiness, een campagne van U.S. Steel uit 1913 waarbij de nadruk lag op het gedrag van werknemers

Het hoge aantal slachtoffers bracht veel negatieve publiciteit, wat doorklinkt in termen als Steel is War. Het had ook negatieve gevolgen voor de productiviteit, wat er niet mee strookte zo efficiënt mogelijk te produceren en met het scientific management. In 1905 begon Robert J. Young een onderzoek in de South Works van de Illinois Steel Company, onderdeel van U.S. Steel. In 1906 vielen daar 46 doden. In dat jaar stelde de South Works Safety Committee zo'n drieduizend verbeteringen voor. Inspecties van fabrieken en onderzoek naar de oorzaak van ongevallen werden een vast onderdeel van het beleid. In 1908 voerde U.S. Steel het programma van South Works voor het hele bedrijf in, waarbij elke vestiging een veiligheidscommissie kreeg.

De veiligheidscommissies bestonden vooral uit arbeiders zelf, aangezien de inhoud van hun werk veelal nauwelijks bekend was bij de managers. Young stelde: Conferences with foremen and workmen will point out things that it would take a man a long time to discover through observation (1997)

Andere bedrijven namen het initiatief over, waaronder DuPont. Deze buskruitfabrikant had een groot belang bij veiligheid en was in 1811 een van de eerste bedrijven met een veiligheidsbeleid. Ondanks die lange geschiedenis op het gebied van veiligheid, bleven ongevallen ook bij DuPont niet uit en daarom werkte men de campagne van U.S. Steel dan ook verder uit.

Bijkomend voordeel van de safety-firstbeweging is dat de werknemer als voornaamste oorzaak wordt gezien van ongevallen. Selectie en training zijn veelal goedkoper dan technische oplossingen.

Brokkenmakerstheorie In het Verenigd Koninkrijk nam het aantal ongevallen in de industrie toe tijdens de Eerste Wereldoorlog. Naast mechanisatie, hoge werkdruk en de instroom van onervaren vrouwen werd vermoeidheid gezien als mogelijke oorzaak. In 1917 werd het Industrial Fatigue Research Board in het leven geroepen om dit te onderzoeken. Allereerst onderzocht de commissie of de ongevallen gelijk verdeeld waren over werknemers. Major Greenwood en Hilda Mary Woods opperden drie verschillende hypothesen, elk met een eigen kansverdeling. Zij kwamen tot de conclusie dat er sprake is van een groep met een hoge ongevalsgevoeligheid. Door deze werknemers uit het proces te verwijderen, zouden de ongevalscijfers kunnen dalen. De ernst van de ongevallen zou wel afhankelijk zijn van het toeval. en (1919): The Incidence of Industrial Accidents Upon Individuals with Special Reference to Multiple Accidents, Her Majesty's Stationery Office

Hoewel het nog niet als zodanig werd benoemd, was dit een vroege vorm van wat in 1925 door Eric Farmer accident-proneness of de brokkenmakerstheorie zou worden genoemd. In de Eerste Wereldoorlog werd gebruikgemaakt van psychotechniek bij de selectie van Amerikaanse piloten en deze techniek werd daarna ook gebruikt om bepaalde werknemers te selecteren voor een baan. Farmer ontwikkelde hiertoe een toets voor het coördinatie- en concentratievermogen. In Duitsland ontwikkelde psycholoog K Marbe hetzelfde concept, unfallneigung. De mensheid kon volgens hem in twee soorten worden onderverdeeld, de Unfäller en de Nichtunfäller.

Rond de Tweede Wereldoorlog ontstond steeds meer kritiek op de theorie. Allereerst valt bij een zuivere toevalsverdeling van ongevallen over personen in een beperkte tijdsduur juist te verwachten dat bepaalde personen meer ongevallen krijgen dan andere. Daarnaast was er een lage correlatie tussen de testen en de ongevallen. Ook steunde de theorie deels op verklaringen van de slachtoffers en collega's daarvan, waarvan de accuratesse over de achterliggende psychologische oorzaken betwijfeld werd. Ook had de theorie een te eenzijdige kijk op de oorzaak van ongevallen door de nadruk te leggen op de gesteldheid van het slachtoffer.

Hoewel de theorie wordt verlaten door de wetenschap, leeft het achterliggende idee dat bepaalde mensen ongevallen aantrekken nog steeds.

Heinrich thumb|De driehoek van Heinrich met zijn originele ratio van 300:29:1. In later jaren zijn andere verhoudingen gebruikt. Tegenwoordig wordt de driehoek nog wel gebruikt om het veiligheidsbewustzijn te vergroten, maar ondervindt het achterliggende model steeds meer kritiek