miniatuur|Illustratie uit 'Codex Upsaliensis' (ca 1430), deel erfrecht. Erfgenaam komt naar sterfhuis: geef me de kroes, erfuiter: de karnkan is beter. Het Nederlandse erfrecht, oftewel Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, regelt wat er met bezittingen en schulden van een persoon gebeurt na overlijden. De term die de wet hanteert is 'erfopvolging', deze vindt ofwel plaats volgens de algemene wettelijke regels, bij versterf, ofwel volgens de wensen van een overledene die bij leven volgens bepaalde regels zijn vastgelegd in een testament en codicil, 'testamentair erfrecht' (art. 4:1 BW).

Erfopvolging is een van de gevallen waarbij men goederen en schulden verkrijgt onder algemene titel. Overdracht van de nalatenschap vindt van rechtswege plaats bij overlijden, er is geen rechtshandeling of formaliteit voor nodig, ook niet de tussenkomst van bijvoorbeeld een notaris, executeur of rechter, dit heet het principe van de saisine (art. 4:182 BW). Enkele regels die gelden bij de overdracht staan niet in het erfrecht.Bijvoorbeeld artikel 6:249 BW: “De rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden mede voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. In het geval van verdeling van een nalatenschap ingevolge art. 4:13 BW gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst niet mede voor de kinderen van de erflater, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit”.

De erfgenamen, ook erven genoemd, zijn de (rechts-)personen die volgens de wet of een testament de overledene, aangeduid als erflater, opvolgen in diens rechtspositie, elk voor een bepaald deel, het erfdeel (fracties die samen 1 zijn). Met de keus een erfenis te aanvaarden, beneficiar te aanvaarden of te verwerpen, mag een erfgenaam zelf bepalen of de erfenis wordt aangenomen en/of aansprakelijkheid bestaat voor betaling van schulden uit het eigen vermogen. Deze keuze heeft terugwerkende kracht tot het overlijden en kan blijken door daden van aanvaarding, aan de andere keuzes zijn formaliteiten verbonden.

Wilsbekwame personen van 16 jaar en ouder kunnen bij uiterste wilsbeschikking, vastgelegd in de vorm van een uiterste wil, afwijken van de meeste wettelijke regels voor erfopvolging, maar ongeacht persoonlijke bepalingen hebben kinderen aanspraak op de legitieme portie en de langstlevende op vruchtgebruik van de woning. In een testament opgenomen legaten, dat zijn testamentaire schenkingen, creëren geen eigendomsoverdracht van het gelegateerde aan de legataris maar een vordering van de legataris op de erfgenamen na overlijden. Een legataris is geen erfgenaam.

Over een nalatenschap en een legaat met een positieve waarde op de dag van overlijden, is in de regel erfbelasting verschuldigd, te voldoen door de erfgenamen en legatarissen tenzij anders bepaald in een testament. Er gelden vrijstellingen tot een bepaald bedrag of over het hele bedrag (zoals bij een ANBI-rechtspersoon).

Veranderingen ten opzichte van het oude erfrecht Per 1 januari 2003 is na 50 jaar discussie tussen volksvertegenwoordiging, notariaat en geleerden notarieel recht het huidige erfrecht in werking getreden.Ali de Regt Erfrecht en de veranderende betrekkingen tussen familie- en gezinsleden (pdf) / Daarbij is zoveel mogelijk de onder oud recht ontwikkelde jurisprudentie gecodificeerd. Het nieuwe erfrecht bracht enkele grote en wezenlijke veranderingen ten opzichte van het oude stelsel.

Zijn er bij overlijden een partner uit huwelijk of registratie en een of meer kinderen van overledene uit dit of een eerder huwelijk, zijn dat de wettelijke erfgenamen, maar alleen de langstlevende partner verkrijgt de erfenis, inclusief schulden, de kinderen verkrijgen geen erfdeel. Door overlijden ontstaat er voor de kinderen een vordering in geld op de partner ter hoogte van de waarde van hun theoretisch erfdeel, opeisbaar bij overlijden, faillissement of schuldsanering van de langstlevende, maar alleen voor zover er dan nog wat van over is. Deze regeling wordt vaak wettelijke verdeling genoemd maar er vindt na overlijden geen verdeling plaats. De vordering van de kinderen wordt vaak kindsdeel genoemd maar zij krijgen geen aandeel in de erfenis.De begrippen komen uit het notariaat en het universitair onderwijs notarieel recht, niet uit de wet. Door de verwarring die ze stichten worden ze niet als "gebruikersvriendelijk" beschouwd.

Bij het inroepen van de legitieme portie handelt men niet meer als deelgenoot van de erfgemeenschap die net als de andere erfgenamen zeggenschap heeft over de erfenis en goederen toebedeeld kan krijgen, maar nog slechts als schuldeiser van de nalatenschap. De legitieme portie bestaat uit een vordering in geld op de erfgenamen ter hoogte van de helft van de waarde van wat men theoretisch als erfdeel als wettelijk erfgenaam zou hebben verkregen. Dat geldt zowel voor een legitimaris die bij testament helemaal niet is toebedeeld als voor een legitimaris die wel erft maar verwerpt en een beroep doet op de legitieme.

Er is een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen ingevoerd, vergelijkbaar met het gesloten stelsel in het goederenrecht. Bepalingen in een testament die niet binnen de reikwijdte van een in de wet erfrecht of andere wet genoemde uiterste wilsbeschikking vallen, zijn nietig. Zowel bij het opstellen van een testament als bij de afwikkeling van een erfenis moet dus altijd goed worden nagegaan of alle wensen of bepalingen in een testament of codicil bij een wettelijk bestaande uiterste wilsbeschikking zijn onder te brengen. Verdeling van de erfenis valt daar bijvoorbeeld niet onder, zodat aanwijzingen in een testament die erfgenamen inperken in hun recht de gezamenlijke eigendom naar eigen inzicht te verdelen, niet rechtsgeldig zijn.

Een rechtsfiguur die onder oud recht mogelijk was, de ouderlijke boedelverdeling (artikel 1167 oud BW), is afgeschaft. Onder het huidige recht bestaat geen uiterste wilsbeschikking meer die aanwijzingen voor de verdeling mogelijk maakt, bepalingen in een testament die dat wel doen, ook bepalingen waarbij zulke bevoegdheden aan een testamentair executeur of bewindvoerder worden toegekend, zijn daarom in beginsel nietig. De wensen kunnen door de erfgenamen wel vrijwillig worden opgevolgd, maar dan moeten alle erfgenamen, of hun vertegenwoordiger, het daarmee eens zijn.

Onder het huidige erfrecht kan bij testament of codicil geen persoon meer worden benoemd die de uiterste wilsbeschikkingen van erflater uitvoert, deze persoon heette testamentuitvoerder of exécuteur testamentaire. Er voor in de plaats is de executeur gekomen met een wettelijk taken- en bevoegdhedenpakket. Benoeming kan alleen nog bij testament, niet meer bij codicil. Wettelijke taken zijn het beheer van de erfenis en voldoening van schulden. De executeur vertegenwoordigt bij het beheer de erfgenamen in en buiten rechte. Zijn de schulden voldaan, of stellen erfgenamen voldoende middelen ter beschikking, vervallen de bijzondere bevoegdheden van de executeur. De nog steeds vaak gelezen stelling dat de executeur als vertegenwoordiger van erflater het testament mag uitvoeren en de hele erfenis mag afwikkelen, is gebaseerd op het oude recht en geldt niet meer. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een onder oud recht benoemde testamentuitvoerder met de bevoegdheid van boedelberedderaar, gelijk te stellen aan de beheersexecuteur naar huidig recht.

Ten slotte kan onder het huidige erfrecht geen bewindvoerder meer worden benoemd, er voor in de plaats is een regeling gekomen voor het instellen van een testamentair bewind, daarbij kan een bewindvoerder worden aangewezen die het bewind uitvoert. Is wel een bewind ingesteld, maar geen bewindvoerder benoemd, kan dat na overlijden aan de Kantonrechter worden gevraagd. De bewindvoerder volgt wat betreft de bevoegdheden de regels die wettelijk gelden voor de ingestelde bewindsvorm, een erflater kan daarbinnen eigen variaties aanbrengen, maar deze mogen niet buiten de grenzen van het beheer van de nalatenschap gaan.

Uiterste willen en wilsbeschikkingen opgesteld onder het oude recht worden bij overlijden van de erflater na 2003, afgehandeld volgens overgangsbepalingen.

Titel 1. Algemene bepalingen De wet geeft in artikel 1 als hoofdregel dat erfopvolging plaatsvindt bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (art. 4:1 lid 1 BW). Dit is onduidelijk geformuleerd, want erfopvolging vindt altijd plaats bij overlijden van een persoon, het versterven (niet te verwarren met versterving, een bepaalde manier om te sterven).

bij versterf betekent dat het wegsterven van een persoon de algemene wettelijke regels voor erfopvolging in kracht doen treden, er is geen testament. Er moet aan de hand van de wet worden bepaald wie erfgenaam is / erfgenamen zijn, de erfenis gaat op hen over behalve als er een echtgenoot en een of meer kinderen achterblijven, dan gaat de erfenis naar de echtgenoot. krachtens uiterste wilsbeschikking betekent dat bij overlijden de algemene wettelijke regels voor erfopvolging niet van kracht zijn als er een uiterste wilsbeschikking in een testament is opgenomen die een erfstelling of een onterving inhoudt (art. 4:1 lid 2 BW)

Art. 4 bepaalt: bij leven mogen geen afspraken worden gemaakt die personen belemmeren, bevoegdheden uit te oefenen die hen krachtens erfrecht toekomen.

Art. 6 bepaalt: bij bepaling van de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt uitgegaan van de waarde direct na overlijden.

Art. 7 lid 1 bepaalt het begrip 'schulden van de nalatenschap'. Dit is onder meer van belang voor artikel 184, dat bepaalt dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen en voor het werk van een executeur die als taak heeft de direct opeisbare schulden van de nalatenschap te voldoen. Het zijn niet altijd aftrekposten voor de erfbelasting: de bedragen aan erfbelasting die de erfgenamen moeten betalen zijn wel schulden van de nalatenschap, maar uiteraard geen aftrekposten voor de erfbelasting.Schulden die kunnen worden afgetrokken voor de erfbelasting staan in de Successiewet, dat zijn in beginsel de schulden die overledene had op het moment van overlijden en kosten voor de uitvaart die in redelijkheid zijn gemaakt. Art. 7 lid 1 bepaalt dat de schulden van de nalatenschap onder meer zijn: De schulden van de erflater; De kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene; art. 3.288 BW bepaalt dat dit een bevoorrechte vordering is. Opdrachtgever van de lijkbezorging is persoonlijk verplicht het uitvaartbedrijf te betalen en krijgt zo een vordering op de nalatenschap, alle kosten die in een rechtstreeks verband te staan met het begraven of cremeren en andere uitgaven die redelijk zijn en in een rechtstreeks verband staan tot het geven van een eindbestemming aan het lichaam van overleden komen voor vergoeding uit de nalatenschap in aanmerking;mr. Aniel Autar, Wie betaalt de begrafenis?. Gearchiveerd op 16 augustus 2022. De kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar; De kosten ten behoeve van het werk van een executeur, waaronder zijn loon; De schulden van de erfgenamen aan erfbelasting; De schulden ter zake van legitieme porties waarop aanspraak wordt gemaakt; De schulden uit legaten die op een of meer erfgenamen rusten; deze schulden zijn achtergesteld ten opzichte van de andere in artikel 7 genoemde schulden, dit beschermt de andere schuldeisers, niet de erfgenamen belast met een legaat. Een erflater kan dus een positief vermogen hebben gehad, terwijl bij overlijden de legaten verschuldigd worden uit de nalatenschap, waardoor de waarde van de nalatenschap negatief kan zijn. Erfgenamen die zuiver hebben aanvaard moeten daar met hun privévermogen voor opkomen.

Art. 7 lid 2 bepaalt een rangvolgorde voor de voldoening van nalatenschapsschulden.