thumb|Collie met ruige vacht De vacht van een gedomesticeerde hond (Canis lupus familiaris) is het haar dat het lichaam van de hond bedekt. Het kan gaan om een dubbele vacht, bestaande uit een zachte ondervacht en een ruwere bovenvacht, of een enkele vacht, waarbij de ondervacht ontbreekt. Bij dubbele vachten bestaat de bovenvacht uit stijve haren die water en vuil afstoten en zorgt de ondervacht voor isolatie. De termen "pels" en "haar" worden vaak door elkaar gebruikt, maar in het algemeen spreekt men van een pels als de hond een dubbele vacht heeft, zoals de newfoundlander. Bij een enkele vacht, zoals bij de poedel, spreekt men over haar.

Structuur miniatuur|Een newfoundlander ligt naast zijn uitgekamde ondervacht. Bij de hond is de beharing dicht op de rug en de flanken. Daarentegen zijn de binnenkant van de oorschelpen, de liesstreek en de onderkant van de staartbasis meestal onbehaard. Haren worden gevormd vanuit de haarwortel. Haar is in feite een dode materie, een afscheidingsproduct van de haarwortel. In de haren komt pigment voor dat ervoor zorgt dat ze een bepaalde kleur hebben. Haren zonder pigment zijn grijs.

Haargroei De haargroei verloopt in cycli. Iedere haar in de vacht van de hond groeit uit een haarzakje dat, net als de meeste zoogdieren, een groeicyclus heeft met drie fasen. In de overgangsfase schuift de haar op, waarbij de haarfollikel tot een derde wordt ingekort. De aldus ontstane rustende haar wordt na enige tijd uitgestoten door een nieuw gevormde haar.

Rui Tweemaal per jaar, een keer in het voorjaar en een keer in het najaar, wisselen de meeste hondenrassen van vacht. Waardoor de vorming van nieuwe haren en de uitval van oude haren begint, is nog niet bekend. Waarschijnlijk zijn er minstens twee fenomenen belangrijk voor het ontstaan van de ruiperioden: de toename of afname van de lengte van het daglicht en de toename of afname van de buitentemperaturen.

Als de vacht van de hond zich aan het ritme van de ruiperioden houdt, zal de zomervacht dunner zijn dan de wintervacht. De haren zitten tijdens de zomer ook niet stevig in de haarschacht verankerd. De wintervacht bestaat uit een overvloedige beharing van dikkere en stevigere haren. De haren zijn ook vaster verankerd in de haarschacht. Bij vele gezelschapshonden is er geen sprake meer van duidelijke aparte ruiperioden. Door het gebruik van kunstlicht in huis en centrale verwarming wordt het ritme van de vacht verstoord. Slechte of een verkeerde behandeling van de vacht kan er ook voor zorgen dat de haren hun ritme verliezen.

Er zijn drie manieren waarop een hond kan verharen:

Blokverharing Tweemaal per jaar gaat de hond in de rui en verliest hij al zijn dode haren tegelijkertijd. Deze periode duurt normaal twee weken.

Mozaïekverharing Deze manier van verharen komt voor bij hele lange vachten (honden met een haarlengte van meer dan 20 cm). Deze vachten verharen per haar, net zoals bij mensen. Deze vorm van verharen ontstaat omdat deze haren zo lang doorgroeien. Het moment waarop een lange haar is uitgegroeid is niet exact te bepalen. Er kan een verschil zijn van enkele maanden tussen de groeifasen van elk aparte haar. Hierdoor is er bij deze vorm van verharen geen duidelijke ruiperiode vast te stellen bij deze vachten. Elke haar doorloopt zijn groeifasen in zijn eigen tempo en valt uit wanneer zijn tijd gekomen is. Honden die ruien door mozaïekverharing verliezen dus continu hun haar, maar omdat hun haren zo een lange levensduur hebben is dit niet hinderlijk.

Schrikrui Wanneer een hond angstig is of veel stress heeft, gaat zijn vacht in schrikrui. De haren komen plotseling losser te zitten in de haarschacht waardoor ze gemakkelijker uitvallen. Dit is een verdedigingsmechanisme dat nuttig is bij een aanval. De kans wordt groter dat de hond kan ontsnappen omdat de losse haren ervoor zorgen dat er minder houvast is. Bij een poging om de hond te grijpen blijft de aanvaller achter met een klauw of bek vol haar. Schrikrui is het effectiefst bij honden met een langere vacht.

Vachtgroepen Ruwweg bestaan er drie vachtgroepen. Wanneer de verschillende soorten vachten meer in detail bekeken worden, zijn er echter dertien verschillende soorten vachtgroepen te onderscheiden. +VachtgroepBeschrijvingstructuurVoorbeeldGroep #1Kort- of gladhaar.kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #2De korte stokhaar, met weinig of veel ondervacht.kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #3Stokhaar met ondervacht waarvan de dekharen minstens 6 cm lang zijn.kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #4De langharige stokhaar.kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #5Krulhaar met meekomend ondervacht.kaderloos|175x175pxGroep #6Kort tot middellang zijdehaar, gecombineerd met lang zijdehaar aan poten, oren, buik en broek (vlaggen en behang).kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep 7#Honden met zacht dekhaar en ondervacht. Gecombineerde vacht.kaderloos|175x175pxGroep #8Ruwharige vachten (warhaar, ruighaar, stekelhaar of draadhaar).kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #9Echte langhaar met ondervacht (langharige ruwhaar).kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #10Langhaar met zacht dekhaar en een (gelaagde) ondervacht.kaderloos|175x175pxGroep #11Langharen met een enkele vacht.kaderloos|85x85pxkaderloos|175x175pxGroep #12De viltvacht.kaderloos|175x175pxGroep #13Naakthonden.kaderloos|175x175px

Haarkleed Er is meer verscheidenheid in haarkleed (kleur, patroon, lengte en textuur) bij de gedomesticeerde hond dan bij de wolf, ondanks dat beide dieren tot dezelfde soort behoren (Canis lupus). Verschillende rassen hanteren verschillende namen voor langharige en kortharige types, er bestaat geen officiële terminologie voor de lengte, rasstandaarden stellen acceptabele lengtes door meting. Vachtkleuren bij honden waren waarschijnlijk een onvoorzien resultaat van een ander selectieproces. Onderzoek heeft aangetoond dat selectief fokken voor tamheid bijhorende fysieke veranderingen teweeg brengt, zoals veranderingen in de kleurslag (vachtkleuren en patronen) in de vacht.

De genetische basis van kleuren en patronen Moderne hondenrassen vertonen een breed scala aan afkleuring (vachtkleuren, patronen, markeringen), lengtes en texturen. Sinds de laatste jaren is de kennis over de genetische achtergrond van de vachtkleur, patronen , lengten en texturen aanzienlijk toegenomen.

Er zijn momenteel acht genen bekend binnen in het genoom van de honden die worden geassocieerd met de kleur van de vacht. Elk van deze genen komt voor in minstens twee varianten, of allelen, die gelden voor de variatie in vachtkleur tussen dieren. Elk van deze genen bevinden zich in een vaste locatie, of locus, in het genoom van het dier.

A-locus De allelen op de A-locus staan in verband met de productie van het agoeti signalering eiwit (ASIP) en bepalen of een dier een agoeti vachtkleur heeft of niet, en zo ja, welke soort, door het regelen van de verdeling van het pigment in de individuele haren. Er zijn vijf allelen die voorkomen op de A-locus: aw = wild-type agoeti (crèmekleurige tot rode haren met zwarte punten) Ay = (licht)gele vacht (crèmekleurige tot rode haren met donkere punten) of sable (effen zwarte haren afgewisseld tussen lichtere roodachtige haren) at = tan point, inclusief zadel tan. a = recessief zwart.

Voorbeelden: aw

Voorbeelden: Ay

Voorbeelden: at

Voorbeelden: a

B-locus Het B-locus bevindt zich op het TYRP1 gen. Er zijn twee hoofdvarianten beschreven, B (Black) en b (liver). B is dominant over b. Van het b-allel zijn er drie subvarianten beschreven: bs, bc en bd. Deze laatsten hebben alle drie hetzelfde effect. Enkel in samenspraak met het fenotype van de neuskleur (zwart versus chocoladekleurige) kan men desgevallend een volledige uitspraak doen.

Voorbeelden: B-locus

H-locus DNA-studies hebben het gen in de H-locus nog niet kunnen isoleren, maar de eigenschappen die ermee geassocieerd worden zijn gelinkt aan chromosoom 9. De H-locus is een modifier locus (van de M-locus) en de allelen in de H-locus zullen bepalen of het dier een harlekijn-vacht zal hebben of niet. Het harlekijn gen zorgt ervoor dat alle verdunde stukken in een merle-patroon verdwijnen en worden vervangen door wit, enkel de zwarte vlekken van het merle-patroon blijven nog zichtbaar. Harlekijn wordt dominant vererft en heeft dus maar een ouder nodig, en hoewel het gen enkel invloed heeft op de M-locus kunnen honden zonder een merle-vachtpatroon ook drager zijn van het gen maar het zal niet tot uiting komen.

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is de Duitse dog niet het enige hondenras waarbij dit patroon voorkomt, het is echter wel het enige ras waarbij de officiële rasstandaard de kleur toelaat. Bij, onder andere, Bordercollies kom dit vachtpatroon ook voor.

Er zijn twee allelen die kunnen voorkomen op de H-locus: H = harlekijn. h = geen harlekijn.

Voorbeelden: H-locus

M-locus De allelen op de M-locus (het SILV-gen) bepalen of er een merle-patroon tot uiting komt in de vacht van het dier of niet. M is dominant over m. Er zijn twee allelen die kunnen voorkomen op de M-locus: M = merle m = geen merle

Voorbeelden: M-locus

Kleur De kleur van de vacht is een belangrijke factor bij het fokken van honden. Elke rasstandaard specificeert welke kleuren er toegelaten zijn en welke onaanvaardbaar zijn.

Het analyseren van de vererving van de vachtkleur bij honden gaat gepaard met enkele moeilijkheden: Er kan naar dezelfde kleur met verschillende namen verwezen worden bij verschillende rassen. Eveneens kan dezelfde term gebruikt worden voor verschillende kleuren bij verschillende rassen. Sommige vachtkleuren veranderen van kleur over tijd. Het vaststellen van een kleur is vaak subjectief waardoor er fouten ontstaan in de beschrijving ervan. Kleurschakeringen kunnen veranderen ten gevolge van de lengte en textuur van de vacht.

Effen vacht Vachten met een effen kleur, ook wel monochromatische kleuren genoemd, ontstaan door de aanwezigheid van slechts een pigment of door de totale afwezigheid van pigment. Eumelanine creëert een zwarte of een bruine kleur in variërende graden van verzadiging. Pheomelanine zorgt voor een geelbruine vachtkleur in verschillende tinten. Feomelanine zorgt voor een gebleekte kleur zoals bij crèmekleurige of witte vachten.

Gemengde vacht Vachten die bestaan uit twee kleuren ontstaan door een combinatie van twee pigmenten. Afhankelijk van de verdeling van het melanine en het feomelanine kunnen er vijf verschillende soorten vachtkleuren zich voordoen: rood met een zwart masker, sable en agoeti, brindle, zwart en tan, zadel.

Sable en agoeti ontstaan wanneer er verschillende pigmenten zich in een individueel haar voordoen.Vanwege het feit dat de verdeling van de pigmenten in de haren enorm kan variëren, is er een grote verscheidenheid aan kleuren mogelijk. Wanneer er verschillende pigmenten op verschillende plaatsen in het haar voorkomen spreekt men over een agoeti vachtkleur. Als het individuele haar enkel zwarte haarpunten heeft dan spreekt men over een sable vachtkleur. Geconcentreerde gebieden van donkere haren in de vorm van strepen noemt men brindle. Zwart pigment op de kop, meestal van de snuit tot aan de oren, wordt een masker genoemd. Zwart haren op de rug van de hond noemt men een zadel. Bij zwart en tan is de hond volledig zwart behalve op bepaalde plaatsen op het lichaam waar de hond tankleurige haren heeft.

Countershading