Het Koebanbruggenhoofd (Duits: Kuban-Brückenkopf of Gotenkopfstellung) was een Duitse positie op het schiereiland Taman in zuidwestelijk Rusland, tussen de Zee van Azov en de Zwarte Zee. Het bruggenhoofd werd gevormd in februari 1943 nadat de Duitsers uit de Kaukasus waren verdreven. De zwaar versterkte positie was bedoeld als uitvalsbasis voor de Wehrmacht, die zou worden gebruikt om aanvallen in de richting van de oliebronnen van de Kaukasus te hernieuwen. Het bruggenhoofd werd geëvacueerd toen het Rode Leger de Panther-Wotanlinie in Oekraïne overschreed, waardoor een evacuatie van de Duitse troepen over de Straat van Kertsj naar de Krim noodzakelijk werd. Deze evacuatie was op 9 oktober 1943 afgesloten.

Inleiding en samenvatting Operatie Fall Blau, gelanceerd 28 juni 1942, werd uitgevoerd door Heeresgruppe Süd, verdeeld in Heeresgruppe A en B, waarbij de eerste deel nam aan de Slag in de Kaukasus. De Duitse situatie, met name die van Heeresgruppe B gecentreerd op Stalingrad, begon zich sterk te verslechteren naar aanleiding van de omsingeling van het 6e Leger in Stalingrad. Toen Heeresgruppe B begon in te storten in het noorden in november 1942, dreigde Heeresgruppe A al snel te worden geflankeerd. Het werd gedwongen om zijn taak van het veiligstellen van de olievelden van de Kaspische regio op te geven, en begon zich terug te trekken. Het Duitse 1e Pantserleger richting Rostov en het 17e Duitse Leger langs de Terek in de richting van de Zwarte Zee en de Krim. Het 17e Leger, onder bevel van General der Infanterie Richard Ruoff, construeerde een defensieve positie tegenover de Koebanrivierdelta op het schiereiland Taman, die werd voltooid in februari 1943. De hoofdverdedigingslinie liep van Novorossiejsk naar het noorden, dwars over het schiereiland. Bestaande uit 5 verdedigingslinies, was de totale diepte van het verdedigingsgebied ongeveer 60 km. Duitse troepen, verplaatsend van posities langs de rivier de Terek, bezetten het nieuwe defensieve netwerk in februari 1943, terwijl ze voortdurend aangevallen werden door het Rode Leger. Het bruggenhoofd was oorspronkelijk bedoeld om een uitvalsbasis voor toekomstige pogingen om de controle over de Kaspische olievelden te krijgen. Maar in september 1943, toen de Duitse situatie aan het Oostfront bleef verslechteren, werd evacuatie onvermijdelijk.

De algemene situatie en de weg naar de vorming van het bruggenhoofd thumb|upright|400px|Het Sovjetoffensief van 13 december 1942 tot 13 februari 1943 Operatie Fall Blau, gelanceerd 28 juni 1942, was het tweede zomeroffensief van de Wehrmacht in de Sovjet-Unie. De operatie verliep voorspoedig, en in beide hoofdaanvalsrichtingen – Stalingrad en Kaukasus – werden grote afstanden afgelegd. Maar er was iets veranderd ten opzichte van de veldtocht in 1941: de Sovjets trokken zich terug en werden niet meer en masse omsingeld en gevangen genomen. In de herfst liep het offensief vast. Heeresgruppe B probeerde Stalingrad in te nemen, maar slaagde daar, ondanks massale inzet van middelen, niet in. Een klein deel van de stad bleef in handen van het Rode Leger. Heeresgruppe A liep zich eigenlijk vast in de weidsheid van de Kaukasus en had te weinig middelen om een vuist te maken. Op 21 augustus plaatsten troepen van de Duitse 1e Bergdivisie de Reichskriegsflagge op de top van de berg Elbroes, de hoogste berg in de Kaukasus en Europa. Op 11 september werd Novorossiesjk nog ingenomen, maar het 17e Leger was niet meer in staat om Toeapse in te nemen. Eind september was de opmars volledig stilgevallen.

Op 19 november 1942 lanceerde het Rode Leger Operatie Uranus en omsingelde binnen enkele dagen het Duitse 6e Leger plus delen van het 4e Pantserleger. Het Duitse Oostfront in het zuiden wankelde en de Wehrmacht was overal in de verdediging en op de terugtocht. De ontzettingsoperatie van het 6e Leger door het 4e Pantserleger (Operatie Wintergewitter) mislukte en daarmee werd het 6e Leger definitief opgegeven. Het Rode Leger begon vervolgens deel 2 van hun offensief, Operatie Kleine Saturnus. Deze operatie was bedoeld om de Wehrmacht definitief te verjagen tot aan Charkov en Rostov. Begonnen op 16 december 1942, werden al snel grote vorderingen gemaakt richting Rostov. Als het Rode Leger in staat bleek Rostov in te nemen, dan zou Heeresgruppe A volledig afgesloten zijn en een tweede “Stalingrad” dreigde. Hitler had weinig keus en gaf uiteindelijk het bevel tot terugtrekking van Heeresgruppe A uit de Kaukasus. Op 1 januari 1943 begonnen de eerste delen van het 1e Pantserleger zich los te maken van de vijand en op 4 januari sloot (de linkervleugel van) het 17e Leger zich aan bij de terugtrekkingsoperatie.

Terugtrekking uit de Kaukasus en in het bruggenhoofd: januari-februari / april 1943 De terugtrekking van het 1e Pantserleger startte op 1 januari 1943, met als doel de Don-bruggen bij Rostov, zo’n 600–700 km ver weg. De Sovjet tegenstander, de Noordelijke Groep van het Transkaukische Front, viel meteen aan maar verloor toch snel de aansluiting door gebrekkige communicatie. Ruim 1 week later werd de eerste grote tussenlinie bereikt, de Koemalinie. De Sovjetdruk werd groter. Gestaag ging de terugtocht verder. Gelukkig lukte het meer noordwaarts het 4e Pantserleger de opmars van met name het Sovjet 2e Gardeleger te vertragen. Dit gaf het 1e Pantserleger voldoende ruimte. Op 27 januari kwam het 1e Pantserleger onder bevel van Heeresgruppe Don, daarmee het 17e Leger alleen onder Heeresgruppe A in het Koebangebied latend. Eindelijk, op 6 februari, staken de laatste eenheden van het 1e Pantserleger de Don-bruggen over. Op dezelfde dag bereikte het 58e Sovjetleger de Zee van Azov bij Jeisk, daarmee de definitieve opsplitsing bewerkstelligend.thumb|400px|Frontlinies in Koebanbruggenhoofd van februari tot april 1943De terugtrekking van het 17e Leger liep geheel anders. Haar rechtervleugel bleef voorlopig in stelling, terwijl de linkervleugel (het 49e Bergkorps) langzaam meeboog met de 1e Pantserleger. Tegenover het 17e Leger bevond zich de Zwarte Zee Groep van het Transkaukische Front. Deze groep was duidelijk aanvallender ingesteld en bestookte het 17e Leger voortdurend met kleine en grotere aanvallen. De stad Krasnodar was het belangrijkst in deze terugtrekbeweging. Het fungeerde eigenlijk als draaischijf. Het Sovjet commando zag dit ook in en probeerde met haar 56e Leger de stad vanuit het zuiden in te nemen, om daarmee de uit de centrale Kaukasus komende Duitse troepen te snijden. Dankzij sterk verdedigend werk van het Duitse 44e Legerkorps werden alle aanvallen, hoewel moeizaam, afgeslagen. Op 31 januari staken de laatste Duitse troepen de rivier de Koeban over. Krasnodar zelf werd pas op 12 februari door de Sovjets veroverd.

Doordat de normale aanvoerroutes via Rostov afgesloten waren, had het 17e Leger een probleem. De Straat van Kertsj was nog bevroren en de enige mogelijkheid tot bevoorrading was door de lucht, hetgeen natuurlijk begrensd was. Toch haalden de transportvliegtuigen het dubbele tonnage ten opzichte van de Stalingrad bevoorrading.

De druk van de Sovjettroepen bleef hoog en ze drukten het 17e Leger steeds verder terug. Op 27 februari was er een crisis aan de noordflank. Het 58e Leger viel aan tussen Slavjansk en de kust, in het ondoorzichtige moeras- en lagune gebied van de Koebandelta. Na 6 dagen van harde gevechten werden alle Sovjets weer uit het gebied verdreven. Langzaam vormden zich de contouren van het Koebanbruggenhoofd. Tussen 10 en 16 maart probeerden de Sovjets bij Abinskaja door te breken, maar dit mislukte volkomen. De Sovjets staakten verdere aanvallen en tot 4 april was een voorlopig-definitieve verdedigingslinie ingenomen door het 17e Leger.

Sovjet landingen zuidelijk van Novorossiejsk en Duitse tegenaanvallen (Operatie Neptunus): februari-april 1943 Op 24 januari werd er door Stavka (het Sovjet opperkommando) een plan naar voren gebracht om het Duitse 17e Leger in een tangbeweging te nemen en te vernietigen. De noordelijke tang werd gevormd door het 18e en 46e Leger die noordelijk van Krasnodar moesten doorstoten. De zuidelijke tang kwam vanuit het gebied Novorossiejsk. Hier zou de hoofdstoot, direct noordelijk van deze havenstad door het 47e Leger uitgevoerd worden. Een landing net zuidwestelijk van Novorossiejsk zou dit geheel versterken. De beide tangen zouden rond Krymskaya/Slawjansk samenkomen.

De aanval van het 47e Leger startte op 26 januari, maar tot 3 februari was er eigenlijk geen vooruitgang geboekt, ondanks de overmacht.

Toch ging de landingsoperatie op 4 februari door. De Sovjet Zwarte Zeevloot zou het geheel ondersteunen met 2 kruisers, 7 torpedobootjagers en een verscheidenheid aan kleinere schepen. De troepen werden gevormd door de 83e en 255e Marine-infanteriebrigades en de 165e infanteriebrigade, verder versterkt met 563e onafhankelijke tankbataljon, uitgerust met 30 Amerikaanse Lend-Lease Stuarttanks. De landingsplaats was bij Ozereyka.

thumb|Bolinder landingsvaartuig zoals gebruikt bij Ozereyka Slechte voorbereiding, weinig ervaring en veel fouten zorgden dat alles misging. Het bombardement van de Zwarte Zeevloot was slecht, van 6 kotters met 300 mariniers aan boord, werden er 2 tot zinken gebracht door goed gericht vuur van een Duitse kustbatterij. De 30 Stuarts waren aan boord van 3 Bolinders, platbodems voor binnenwateren. Eén zonk al voor de kust en de andere twee strandden ook te ver van het strand voor succesvol ontladen. Slechts 8 Stuarts konden aan land in actie komen met rond 1400 mariniers en andere manschappen. Rond 06.20 uur maakte de marine de keuze de landing af te breken, uit angst voor Duitse vliegtuigen. In de volgende 3 dagen werd deze landingsstrijdmacht door Roemeense en Duitse troepen langzaam vernietigd. Slecht 30 soldaten ontkwamen.

Maar er was nog een tweede landing, een afleidingsoperatie, uitgevoerd door 250 mariniers van de 255e Marine-infanteriebrigade onder bevel van majoor Kunikov bij Stanichka. Deze landing was wél succesvol en de Sovjets roken meteen hun kans. De rest van de Ozereyka strijdmacht werd daar aan land gebracht en in de volgende week nog 4 infanteriebrigades. Al snel had deze strijdmacht zich goed vastgezet en de Roemenen/Duitsers (enkele kleine voorhanden zijnde divisiereserves) waren niet in staat hen te verdrijven. Want al na 48 uur hadden de Sovjets 8000 man in het kleine bruggenhoofd geconcentreerd en na 72 uur zelfs 17.000 man. Maar ook de Sovjets konden niet uitbreken om het 47e Leger te steunen met de aanval op Novorossiejsk.

De slecht voorbereide Duitse aanvallen maakten duidelijk: hier hielp alleen een groots opgezette aanval. Eind maart was eindelijk de Duitse 4e Bergdivisie vrij gekomen. Deze divisie zou, samen met de 73e en 125e Duitse Infanteriedivisie en de Roemeense 6e cavaleriedivisie het bruggenhoofd moeten vernietigen. Deze aanval stond bekend als Operatie Neptunus. Eindelijk, na meerdere keren uitstel, volgde de aanval op 17 april. Doel was de 448 meter hoge berg Myskhako. Na inname hiervan zou het bruggenhoofd onhoudbaar zijn. Maar de Sovjets hielden stand. Ondanks een grote Duitse troepenmacht van ervaren troepen, met heel sterke ondersteuning door de Luftwaffe, lukte het niet. En de verliezen aan beide zijden waren hoog. Zo ontwikkelde de strijd zich hier tot een stellingoorlog. Totaal 225 dagen in een bruggenhoofd dat uiteindelijk bekend werd als “Het Kleine Land” ofwel “Malaya Zembla”.

Gevechten langs de frontlijn: april tot augustus 1943