De Europese hoornaar of paardenwesp (Vespa crabro) is een vliesvleugelig insect uit de familie van de plooivleugelwespen (Vespidae). De hoornaar behoort tot de echte wespen of papierwespen (Vespinae) en is een van de bekendere soorten wespen in Europa. De soort komt ook voor in delen van Azië en is door de mens uitgezet in Noord-Amerika.
De Europese hoornaar kan tot 3,5 centimeter lang worden en is hiermee de grootste wespachtige van België en Nederland. De soort komt er niet in grote aantallen voor, maar is, behalve in de kuststreek en Friesland en Groningen, niet heel zeldzaam. De hoornaar wordt meer dan twee keer zo groot als de meeste andere wespen zoals die uit het geslacht van de kortkopwespen (Vespula).
De steek van de Europese hoornaar is pijnlijker dan de steek van een honingbij, maar het gif is minder krachtig en de hoornaar is niet bijzonder agressief, tenzij men te dicht bij het nest komt. Hoornaars gebruiken het gif om insecten te doden die zij vervolgens met de kaken vermalen tot een papje en aan de larven voeren. De larven geven op hun beurt een zoete vloeistof af aan de werksters die de suikers gebruiken als brandstof om te kunnen vliegen en zo nog meer insecten te vangen.
Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van bomen worden geknaagd. Het nest is bolvormig en bestaat uit meerdere raten. Anders dan bij de ver verwante honingbij het geval is, is in het nest van de hoornaar geen honing aanwezig.
Naam De soort kreeg van Carl Linnaeus in de tiende editie van zijn Systema naturae (1758) de wetenschappelijke naam Vespa crabro. (1758). Systema naturae ed. 10: 572
Synoniemen Vespa vexator Harris, 1776 Vespa major Retzius, 1783 Vespa pratensis Geoffroy, 1785 Vespa germana Christ, 1791 Vespa crabroniformis Smith, 1852 Vespa borealis Radoszkowski, 1863 Vespa anglica Gribodo, 1892, nom. illeg., al bebruikt als Vespa anglica Smith, 1843 Vespa oberthuri Du Buysson, 1902 Vespa fasciata Cameron, 1903 Vespa tartarea Du Buysson, 1905 Vespa altaica Perez, 1910 Vespa caspica Perez, 1910 Vespa chinensis Birula, 1925, nom. illeg., als gebruikt als Vespa chinensis Fabricius, 1793 Vespa meridionalis Birula, 1925 Vespa vulgata Birula, 1925 Vespa birulai Bequaert, 1931, nom. nov. voor Vespa chinensis Birula, 1925 non Fabricius, 1793 Vespa gribodoi Bequaert, 1931, nom. nov. voor Vespa anglica Gribodo, 1892 non Smith, 1843
De Europese hoornaar wordt in de Nederlandse taal ook genoemd onder de namen hoorntje of paardenwesp. In het Fries wordt de hoornaar hoarnbij genoemd.
In het verleden werden andere variaties op de naam gebruikt: Cornelis Kiliaan noemde de hoornaar in zijn publicatie uit 1588 "horener" en de wesp werd in 1777 door Antoine Angélique Chomel beschreven onder de naam "hornaar".
De Europese hoornaar wordt in de Nederlandse taal soms wel horzel genoemd, niet alleen in de volksmond (zoals in het Westerlauwers Fries) maar ook in een enkele dierenencyclopedie. De Oudsaksische naam van de horzel is 'hornut', wat sterk lijkt op het Engelse 'hornet'. De naam hornet wordt uitsluitend gebruikt voor de hoornaar. De horzels (familie Oestridae) zijn echter heel andere insecten die behoren tot de vliegen en niet tot de wespen. Horzels kunnen niet bijten en in tegenstelling tot de hoornaar ook niet steken.
Verspreiding en habitat thumb|right|300px|Verspreidingsgebied van de hoornaar in het groen
Het verspreidingsgebied van de hoornaar beslaat vrijwel geheel Europa en delen van Azië, daarnaast komt de soort voor in zuidoostelijk Noord-Amerika. In Noord-Amerika is de hoornaar verspreid door de mens; hij komt er van nature niet voor. De wesp heeft zich hier kunnen handhaven in het zuidoosten en het areaal is sinds de introductie van de wesp flink uitgebreid. In mei 2005 werd een exemplaar aangetroffen in Guatemala, het enige land in Centraal-Amerika waar de hoornaar is gesignaleerd.
Europa Binnen Europa is de noordelijkste grens van het verspreidingsgebied gelegen op ongeveer de 63e breedtegraad. De hoornaar komt voor tot in het zuiden van Noorwegen en Finland. In grote delen van het verspreidingsgebied in Duitsland was de hoornaar lange tijd algemeen, maar de soort is hier in delen van het land zeldzamer geworden. In het Verenigd Koninkrijk komt de hoornaar vooral voor in het uiterste zuidoosten, noordwaarts zijn populaties te vinden tot grofweg de stad York. Vroeger was een populatie bekend in het zuiden van Ierland, maar de soort is hier sinds 1999 niet meer waargenomen.Vespa crabro Linnaeus, 1758 in: Bees, Wasps & Ants Recording Society
De Europese hoornaar komt in Nederland voornamelijk voor op de zandgronden in het zuiden en oosten, maar is de laatste jaren ook vaker in het westen en noorden van Nederland. In België komt de hoornaar zelden voor, met uitzondering van de Kempen en Limburg alsook in het Pajottenland (Vlaams-Brabant).
Azië In Azië komt de soort voor van westelijk Rusland tot Kazachstan, Mongolië en noordelijk China tot in Japan. In zuidoostelijk China komt de hoornaar voor in het zuidwesten in grote delen van het Zuid-Chinees Hoogland.
Noord-Amerika Buiten Europa komt de Europese hoornaar voor in delen van de Verenigde Staten en in zuidelijk Canada. In de Verenigde Staten is de wesp in de negentiende eeuw uitgezet. De eerste melding van de hoornaar kwam uit de staat New York, ongeveer rond 1840.
De Europese hoornaar heeft zich verspreid naar de staten Louisiana, North Dakota, Tennessee en South Dakota. Tegenwoordig komt de wesp westelijk voor tot in Texas, zuidelijk tot in North Carolina en noordelijker tot in delen van Canada. In de staat Mississippi zijn ten westen van de rivier de Mississippi alleen enkele versnipperde populaties bekend.
Uiterlijke kenmerken thumb|Belangrijkste lichaamsdelen van de hoornaar thumb|Verschillende delen van de kop
De hoornaar is de grootste wesp van westelijk Europa. De hoornaar wordt gemiddeld 30 millimeter lang, maar koninginnen kunnen groter zijn. Werksters bereiken een lichaamslengte van 18 tot 24 mm, koninginnen een lengte van 25 tot 35 mm en mannetjes worden 21 tot 28 mm lang.
Kop De kop valt op vanwege de grootte; niet alleen is de kop groter door de grotere lichaamslengte, de hoornaar heeft in vergelijking met andere wespen ook een groter vertex of kopschild. Daarnaast is de kop oranje tot rood, terwijl verwante plooivleugelwespen zwart met geel zijn.
De ogen van de hoornaar zijn niet rond of ovaal, zoals bij veel andere insecten, maar langwerpig van vorm. De ogen hebben een komma-achtige vorm. Het voorste deel van het oog is aan de voorzijde van de kop gelegen aan de onderzijde. Het oogoppervlak beslaat naar boven toe de zijkant van de kop van de wesp en kromt hier naar voren. De ogen bestaan uit vele kleine suboogjes die de ommatidiën worden genoemd. Het geheel wordt het facetoog genoemd. Boven op de kop zijn drie kleine, donker gekleurde individuele oogjes aanwezig, de ocelli. Deze hebben een visueel ondergeschikte functie en kunnen alleen grove lichtverschuivingen waarnemen en geen beelden vormen.
In vergelijking met andere wespen heeft de hoornaar een sterk vergroot clypeus. De clypeus, een verharde plaat die gelegen is tussen de antennen als bovengrens en de bovenkaak als ondergrens, is als het ware het 'gezicht' van een insect. De hoornaar heeft twee duidelijke kaken die de mandibels worden genoemd. De kaken zijn grotendeels geel, alleen de binnenzijden zijn zwart. Met de kaken worden prooidieren in stukjes geknipt.
Mannetjes zijn van de werksters te onderscheiden aan een aantal kenmerken, voornamelijk aan de kop. De omgeving van de ocelli is bij de mannetjes donkerder. Deze donkere kleur loopt door naar de basis van de antennes. Ook de antennes verschillen, ze zijn donkerder en hebben meer tyloïden. Dit zijn kleine groepjes zintuiglijke cellen op de antennes. Bij de werksters en vrouwtjes is één tyloïde per antennesegment aanwezig. Bij de mannetjes zijn dit er twee, uitgezonderd het eerste segment dat er één heeft.
Borststuk Het borststuk is het breedste en meest gewelfde deel van het lichaam. Het borststuk wordt de thorax genoemd en bestaat uit drie delen of segmenten. Het draagt aan de bovenzijde twee paar vleugels, gepositioneerd op het tweede en derde thoraxsegment (gezien vanaf de kop), en aan de onderzijde drie paar poten; aan ieder segment een. De vleugels van de hoornaar zijn langwerpig van vorm en hebben een rokerige, roodbruine kleur vanuit de zijkant bezien.
Het borststuk beschermt de belangrijkste delen van het lichaam: de poten en de vleugelspieren. Het is hiertoe voorzien van enkele verharde platen. De voorzijde van het borststuk is bedekt met het halsschild of pronotum, dat bestaat uit een rand aan de achterzijde van de kop die aan weerszijden breder wordt. Het pronotum sluit aan bij de grootste en meest prominent zichtbare plaat op het borststuk, die ook wel het mesoscutum wordt genoemd.
De kleur van de verschillende delen van het borststuk kan per ondersoort verschillen. De kleur van het achterste deel van het borststuk, de metathorax, is bij de ondersoort Vespa crabro crabro zwart, terwijl bij de metathorax van Vespa crabro germana een rode, V-vormige vlek aanwezig is.
Achterlijf thumb|Uitgestoken angel van een dood exemplaar
Het achterlijf bestaat uit segmenten, die zowel aan de bovenzijde als de onderzijde beschermd worden door verharde platen. De platen aan de onderzijde van ieder segment worden de sternieten genoemd en die aan de bovenzijde de tergieten. Bij de hoornaar is de eerste tergiet roodbruin, net als de thorax.
Het achterlijf bevat de belangrijkste organen, zoals het ademhalingsapparaat, het spijsverteringsstelsel en de geslachtsorganen. De ademopeningen zijn aan de zijkanten van de achterlijfssegmenten gelegen.
Aan het einde van het achterlijf bevinden zich de geslachtsorganen. Bij de mannetjes bestaan deze uit de aedeagus en bij het vrouwtje uit de geslachtsopening. De meeste soorten wespen hebben een lange legbuis waardoor de eieren in de ondergrond – zoals een boom – of in een prooidier – zoals een rups – kunnen worden afgezet.
De plooivleugelwespen, waartoe de hoornaar behoort, hebben een gespecialiseerde legbuis, die niet meer wordt gebruikt om de eieren af te zetten. De eieren komen uit het lichaam via de genitale opening waardoor de functie van de legbuis overbodig is geworden. De legbuis is omgebouwd tot een steekorgaan dat de angel wordt genoemd en alleen dient ter verdediging. De angel van de hoornaar is niet voorzien van weerhaken, zoals bij de honingbij wel het geval is. De angel gaat niet verloren na een steek en kan telkens opnieuw gebruikt worden. De angel is hol en aan de basis is een gifklier gelegen die bij iedere steek een kleine hoeveelheid gif afgeeft. Het gif is dodelijk voor andere insecten waardoor deze gemakkelijk kunnen worden buitgemaakt.
Onderscheid met andere insecten thumb|Geelpoothoornaar met duidelijk gele uiteinden van de poten
De hoornaar is in België en Nederland gemakkelijk te onderscheiden van verschillende andere wespen, zoals de Duitse wesp (Vespula germanica) en de gewone wesp (Vespula vulgaris). Deze soorten blijven bijna twee keer zo klein en hebben altijd zwart met gele kleuren en nooit een zwarte en roodoranje kleur. De werkster en koningin van de Duitse wesp worden respectievelijk 15 en 20 mm lang, die van de gewone wesp 14 en 19 mm.
De Europese hoornaar is lastiger te onderscheiden van de geelpoothoornaar (Vespa velutina), een exoot die ook in België en Nederland is aangetroffen. Het belangrijkste verschil is de kleur van het borststuk en de uiteinden van de poten. Het borststuk is bij de geelpoothoornaar zwart, de uiteinden van de poten zijn bij de geelpoothoornaar duidelijk geel ten opzichte van de verder donkerbruine poten. Bij de Europese hoornaar zijn de poten bruin en hebben geen duidelijk lichtere uiteinden.