De Dringende Geneeskundige Hulpverlening (DGH), in het Frans: Aide Médicale Urgente (AMU), is in België het nationale stelsel van organisaties en diensten die spoedeisende medische hulp bieden aan de gehele bevolking. Om spoedeisende hulp te bieden is de Dringende Geneeskundige Hulpverlening georganiseerd als een keten, waarin elke betrokken organisatie en dienst een schakel vormt. De belangrijkste schakels in de DGH-keten zijn de noodcentrales 112, de ambulancediensten, de PIT-diensten, de MUG-diensten en de spoedgevallendiensten van de ziekenhuizen. De algemene organisatie en financiering van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening is in België een federale bevoegdheid die berust bij de FOD Volksgezondheid. Op de Dringende Geneeskundige Hulpverlening kan beroep gedaan worden door middel van een telefoonoproep naar een uniform noodnummer: het Europese noodnummer 112 of het oude nationale noodnummer 100. Wegens het oude nationale noodnummer wordt de Dringende Geneeskundige Hulpverlening in de volksmond vaak nog "de honderd" genoemd.
De Dringende Geneeskundige Hulpverlening mag niet verward worden met Dringende Medische Hulp (DMH). Dit gaat om de financiële tussenkomst voor medische verzorging waar mensen die illegaal in België verblijven recht op hebben.
Geschiedenis
Oorlogen als historische katalysator miniatuur|rechtop=0.65|links|Kar bij de ambulancedienst van de Brugse brandweer (ca. 1900) miniatuur|rechtop=0.95|De madonna's van Pervijze in een Wolseley-ambulance tijdens WO I (1916) miniatuur|rechtop=0.65|links|Door paard voortgetrokken kar voor gewondenvervoer bij het kamp van Beverlo (1904)
Op zich is de geschiedenis van de hulpverlening aan zieken en gewonden zowat even oud als de mens zelf. Tot en met de eerste helft van de 20e eeuw waren het evenwel vooral oorlogen die de impuls gaven om een mobiele medische hulpverlening te ontwikkelen. Voorbeelden zijn de veldhospitalen die krijgsmachten in gebruik namen om hun gewonden te verzorgen, en de oprichting van het Rode Kruis halverwege de 19e eeuw om een neutrale hulpverlening op het slagveld te verzekeren. Het vervoer van zieken en gewonden, zowel in militaire context als daarbuiten, gebeurde toendertijd meestal met eenvoudige middelen. In het beste geval beschikte men over een kar met draagberrie voortgetrokken door een paard. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de motorisering van het transport opmars en verschenen de eerste automobielen voor gewondenvervoer op het strijdtoneel. De term ambulance, die oorspronkelijk sloeg op verplaatsbare veldhospitalen, werd al snel overgenomen voor deze nieuwe voertuigen.
Na de oorlog deden ambulances ook geleidelijk aan hun intrede in het burgerlijk leven. In België namen verschillende instellingen zoals ziekenhuizen, ziekenfondsen, Commissies voor Openbare Onderstand (C.O.O.'s), sommige stedelijke brandweerkorpsen en het Belgische Rode Kruis het initiatief op zich om het burgerlijk ziekenvervoer te organiseren. Zo ontstonden de eerste ‘ambulancediensten’. Van een centrale sturing of organisatie van het ziekenvervoer was nog geen sprake. De meeste ambulances droegen het Rode Kruissymbool als herkenningsteken, ook al behoorden ze niet tot het leger of het officiële Rode Kruis. De Tweede Wereldoorlog zorgde ten slotte voor een grote aanwas van (militaire) medische voertuigen: enerzijds achtergelaten materieel dat ter uitvoering van het Marshallplan aan België werd toegewezen en anderzijds voertuigen die als naoorlogs schadeherstel door Duitsland werden overgedragen. Deze voertuigen werden ondergebracht bij de medische eenheden van het Belgisch leger en sommige brandweerkorpsen. Dit alles maakte dat aan het begin van de jaren 1950 op veel plaatsen in België verschillende partijen reeds beschikten over gemotoriseerd ziekenvervoer.
Begin van organisatie Tot die tijd lag de sleutelrol in het dagelijks verstrekken van dringende hulp nog bij de huisartsen, vooral in de meer landelijke gebieden. Huisartsen handelden de kleinere problemen zelf af, hadden bij ernstiger problemen een grote inbreng in de beslissing tot een ziekenhuisopname en regelden zo nodig ook het vervoer naar het ziekenhuis. Door de snelle naoorlogse ontwikkelingen in de gezondheidszorg verschoof deze verantwoordelijkheid stilaan naar de ziekenhuizen zelf. Zij begonnen lokalen in te richten voor de eerste opvang van patiënten die dringend hulp nodig hadden. Zij rekenden op de ambulancediensten om patiënten naar hun instelling te brengen voor deze eerste opvang, niet in het minst om zo klanten te werven. Daarom sloten ziekenhuizen met een eigen ambulancedienst ook contracten om ziekenvervoer te bieden af met andere partijen als de ziekenfondsen. Dit prille stelsel van georganiseerde hulpverlening werd gekenmerkt door een verscheidenheid aan regelingen om op een ambulance beroep te kunnen doen. De meeste ambulancevoertuigen uit die tijd waren van Amerikaanse merken zoals Ford, Dodge, Cadillac of Chevrolet wegens onder meer het Marshallplan en de technische voordelen (vering en grootte) die ze boden. Pas vanaf 1956 kwamen er ook ambulances van Europese merken zoals Volkswagen en Mercedes-Benz.
Verkeersongevallen en polio Deze toen bestaande organisatie van het ziekenvervoer bleek echter weinig het hoofd te kunnen bieden aan twee fenomenen die de jaren 1950 kenmerkten: een polio-epidemie enerzijds en de toename van het aantal verkeersongevallen door het toenemende autoverkeer anderzijds. Inzake dringende hulp bij verkeersongevallen was er vooral in de landelijke gebieden weinig tot niets geregeld. Slachtoffers van ongevallen waren soms enkel aangewezen op de bereidwillige hulp van toevallige passanten, die hen dan maar met de eigen wagen naar een ziekenhuis brachten. Ook rustte er op ziekenhuizen geen zorg- of opnameplicht. Dit bracht sommige instellingen ertoe om de verzorging van slachtoffers te weigeren op grond van hun kennelijke betaalkracht, met schrijnende toestanden tot gevolg.
Wat betreft polio bereikte het aantal besmettingen pieken rond 1955–1956. Vooral kinderen getroffen door deze besmetting liepen gevaar, met name op een ademhalingsverlamming, waardoor een snelle opname in een aangepast ziekenhuis nodig was. Het toen bestaande ziekenvervoer was echter niet altijd geschikt of beschikbaar voor poliopatiënten. Daarom besliste de toenmalige minister van Volksgezondheid en van het Gezin Edmond Leburton in 1955 om het vervoer van poliopatiënten op nationaal niveau te organiseren. Hiertoe werd een beroep gedaan op de strategische vloot ambulances van de Civiele Bescherming, die eigenlijk bedoeld was voor oorlogssituaties. Er werd een centraal noodnummer geïnstalleerd en België werd verdeeld in dertig sectoren met elk een toegewezen “polioambulance”. Desondanks kon het vervoer van poliopatiënten soms toch nog meer dan een uur duren. Hoewel niet de bedoeling, bleek dat de “polioambulances” ook al ingezet werden voor het dringend vervoer van verkeersslachtoffers, wat oogluikend werd toegestaan. Vanaf 1958 kwam er een poliovaccin beschikbaar en werd de epidemie dankzij een uitgebreid vaccinatieprogramma ingedijkt.
Wet van 8 april 1958
In 1958 was België het gastland voor de Expo 58, waarop ettelijke miljoenen bezoekers verwacht werden. Onder druk om enerzijds de hulp aan ongevalsslachtoffers te verbeteren en anderzijds deze aankomende wereldtentoonstelling in goede banen te leiden, werd er voor het eerst een wettelijke regeling getroffen omtrent de dringende hulp aan zieken en gewonden. De wet van 8 april 1958 verplichtte de Commissies voor Openbare Onderstand (C.O.O.'s) om op hun grondgebied de hulp aan, het vervoer van en de ziekenhuisopname van deze personen te organiseren. Met deze wet wou men enerzijds de snelheid van de verzorging verzekeren, en anderzijds een einde maken aan opnameweigeringen wegens de vermeende betaalkracht van slachtoffers. Daarom bepaalde de wet dat men pas na het verlenen van dringende hulp de financiële draagkracht van een slachtoffer mocht nagaan met oog op een eventuele terugbetaling van de kosten. De in deze wet vervatte opnameplicht was enkel van toepassing op de (openbare) ziekenhuizen verbonden aan de C.O.O.'s of aan de instellingen waarmee de C.O.O.'s een overeenkomst hadden. Een gewonde of zieke die beroep deed op deze hulpverlening, zou dus geen keuzevrijheid genieten wat betreft de instelling waar hij zou worden opgenomen.
Oprichting 900-stelsel Eenvormig noodnummer Het duurde niet lang voordat duidelijk werd dat niet alle C.O.O.'s in staat waren deze hulpverlening te organiseren. Ook bleek een snelle alarmering van de hulpverlening regelmatig een pijnpunt te zijn. Daarom werd nagedacht over een eenvormig noodnummer voor heel België voor dringende medische hulp op de openbare weg en openbare plaatsen. Onder meer de automobilistenbond Touring Wegenhulp, die regelmatig aandacht schonk aan de verkeersveiligheid, pleitte hiervoor. Het nummer moest eenvoudig te onthouden zijn, gratis zijn en ook vanuit openbare telefooncellen gebeld kunnen worden. In overleg met de RTT kon men alvast het nummer 900 vastleggen. In november 1958 werd Paul Meyers de nieuwe minister van Volksgezondheid en van het Gezin. Nog in december datzelfde jaar was hij zelf getuige van een zwaar verkeersongeval, waarbij hij zelf de moeilijkheden ervoer om snel hulp ter plaatse te krijgen. Vanaf toen gaf minister Meyers hoge prioriteit aan het uitbouwen van het 900-stelsel.
Hulpcentra 900 In september 1959 werd de eerste 900-centrale geïnstalleerd in Antwerpen bij wijze van proefproject. In de jaren erna werden ook die van Brugge, Aalst, Hasselt, Brussel, Gent, Bergen, Charleroi, Marche-en-Famenne, Verviers, Doornik, Aarlen, Namen en Mechelen opgestart. De 900-centrale van Kortrijk werd als laatste ingehuldigd op 3 december 1963. Deze zestien “hulpcentra 900” dekten heel België en bedienden elk een of meerdere telefoonzones. Hun taak was om de noodoproepen te ontvangen, een ambulance te verwittigen en ter plaatse te sturen en het ziekenhuis waar het slachtoffer naartoe zou worden gebracht te verwittigen. Deze hulpcentra 900 werden allen bij de (stedelijke) brandweerdiensten ondergebracht, omdat hun aard sterk aanleunde bij de al bestaande seinkamers van de brandweer die een 24-uurspermanentie konden garanderen. De meerkosten voor het materieel en personeel van de hulpcentra 900 werden betaald door de ministeries van Volksgezondheid en Binnenlandse Zaken. België werd hiermee het eerste land ter wereld met een eenvormig noodnummer dat overal in het land kon gebeld worden. Hoewel het noodnummer enkel bestemd was voor “dringende hulp bij ongeval of ziekte op de openbare weg of in een openbare plaats” (en poliopatiënten op privéplaatsen), kwamen al snel ook oproepen voor brandweer- en andere hulp regelmatig toe in de hulpcentra 900. Het specifieke noodnummer voor poliogevallen werd niet langer gebruikt.
Netwerk van ambulances