De geschiedenis van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (DGH) gaat over het ontstaan en de ontwikkeling van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening; het systeem in België voor dringende medische hulp aan zieken en gewonden. De hulpverlening aan zieken en gewonden is al eeuwenoud. Vroeger waren het vooral de kloosters die voor de verzorging van zieken en gewonden instonden. De oprichting van het Rode Kruis en de twee wereldoorlogen waren katalysatoren voor de eerste stappen in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening. De polioepidemie van de jaren 50 was de impuls om een nationaal ambulancenetwerk op te zetten. Enkele jaren later werd de opdracht van deze ambulances verruimd en werd het nationaal noodnummer 900 ingevoerd, wat de feitelijke start van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening was.
Oprichting Rode Kruis Een mijlpaal in de geschiedenis van de dringende hulpverlening is de oprichting van het Rode Kruis. In 1859 was de Zwitserse zakenman Henri Dunant (1828–1910) getuige van de gevolgen van de Slag bij Solferino, waarbij duizenden gewonde soldaten op het slagveld achterbleven. Omdat de medische verzorging zeer ontoereikend was, riep hij de lokale bevolking op om hulp te verlenen aan de gewonden. Deze oproep kreeg gehoor en samen met de lokale bevolking organiseerde Dunant de hulpverlening. Toen hij terugkeerde naar Genève besloot hij een boek te schrijven over zijn ervaringen. Dit boek, genaamd Un souvenir de Solferino (Een herinnering aan Solferino), werd in 1862 gepubliceerd. In het boek beschreef hij het idee om in de toekomst een neutrale organisatie op te richten die de gewonden zou verzorgen als er een oorlog plaatsvond. Met dit doel zette hij een campagne op die leidde tot het oprichten van het Internationale Rode Kruis (1863) en het opstellen van de Eerste Geneefse Conventie (1864) over de verzorging van gewonden op het slagveld. Het Rode Kruissymbool was afgeleid van de Zwitserse vlag omdat Zwitserland, net als het Rode Kruis, neutraal bleef in conflicten. In navolging van deze internationale conferenties en mede onder impuls van dr. André Uytterhoeven werd op 4 februari 1864 het Belgische Rode Kruis opgericht als eerste nationale afdeling van het Rode Kruis.
Eerste ambulancediensten Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte de term 'ambulance' wijd verspreid als benaming voor de voertuigen die gewonden van het slagveld evacueerden. Toen de oorlog afgelopen was en de economie weer op gang kwam, deed ook de motorisering van het vervoer van personen en goederen zijn intrede en werd er gewerkt aan een beter wegennet. Ambulances waren vanaf de jaren 20 dan ook niet langer een privilege van de legereenheden; ze werden steeds meer ook voor burgerdoelen ingezet. Vooral de ziekenhuizen en het Rode Kruis namen het initiatief op zich om het ziekenvervoer te organiseren. In de meeste grotere steden zoals Brussel, Gent en Antwerpen werd de brandweer eveneens uitgerust met ambulances. De meeste ambulances werden voorzien van het Rode Kruissymbool, ook al werd de ambulance niet door het leger of het officiële Rode Kruis uitgebaat.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was België bezet door de Duitsers. Toen België in '44–'45 bevrijd werd door de geallieerden kwam er veel militair materieel, waaronder voertuigen voor de medische legereenheden, in België terecht. In het kader van het Marshallplan werd het grootste deel van dit materieel verdeeld onder de Europese landen. Een groot deel van de ambulances die aan België werden toegewezen kwamen niet in aanmerking voor burgerlijk ziekenvervoer en werden ondergebracht bij de medische eenheden van het Belgisch leger. Sommigen kwamen wel bij brandweerkorpsen terecht. De meeste ambulances waren voertuigen van de merken Dodge en Austin. Vanaf de jaren 50 werden ze veelal vervangen door ambulances van het merk Ford die gebouwd werden in de Fordfabriek te Keulen en door Duitsland werden overgedragen in het kader van het schadeherstel opgelegd na de Tweede Wereldoorlog.
In de meeste steden bestond er dus al een zekere vorm van ziekenvervoer. Tot de jaren 50 was het echter vooral de huisarts die in de meeste kleinere gemeenten een sleutelrol speelde bij de dringende hulp. Veel kleine medische interventies (zoals het hechten van een wonde of het begeleiden van een bevalling) werden door de huisarts zelf afgehandeld. Indien een patiënt in het ziekenhuis moest worden opgenomen was het meestal de huisarts die dit vervoer op zich nam, gezien hij tot die tijd meestal een van de enigen was in het dorp met een eigen wagen.
Jaren 50 Nieuwe ontwikkelingen In de jaren 50 kwamen er nieuwe ontwikkelingen in de medische wereld. Zo werden er in sommige ziekenhuizen lokalen ingericht voor de eerste opvang van patiënten waar zij onderzocht konden worden alvorens ze effectief in het ziekenhuis werden opgenomen. Deze lokalen waren meestal het eindpunt voor ziekenvervoer per ambulance. Het ziekenvervoer zelf werd meestal georganiseerd door ziekenhuizen die verbonden waren aan de Commissies voor Openbare Onderstand (COO's), die zo tevens patiënten wonnen. Ook werden er contracten voor ziekenvervoer afgesloten met de ziekenfondsen en boden ziekenhuizen hun ambulancediensten aan aan huisartsen. Zo ontstond er een begin van georganiseerde medische hulpverlening. De meeste ambulances uit die tijd waren van Amerikaanse merken, onder andere omwille van het Marshallplan. Pas vanaf 1956 kwamen er ook ambulances van Europese merken zoals Volkswagen en Mercedes.
In de jaren 50 deed verder de auto zijn intrede in het doorsnee gezin en werden een aantal belangrijke autowegen aangelegd. Ook het goederenvervoer over de weg nam toe. Dit alles maakte dat er een toenemend aantal zware verkeersongevallen plaatsvond. In stedelijke kernen was het meestal de politie die als eerste ter plaatse was en bijkomende hulp opriep indien nodig. In de landelijke gebieden was de hulp bij ongevallen echter niet geregeld.
Polio In de jaren 50 deed er ook een epidemie van poliomyelitis de ronde in Europa. In België bereikte de epidemie een piek rond 1955–1956 waarbij er meer dan duizend besmettingen werden opgetekend, vooral bij kinderen. Een besmetting met polio houdt een gevaar voor ademhalingsverlamming in waardoor dringende opname in een aangepast ziekenhuis noodzakelijk was. Vanaf 1954 nam toenmalig minister van Volksgezondheid en Gezin Edmond Leburton maatregelen om de epidemie te bestrijden; zo werd er geïnvesteerd in medische apparatuur voor ziekenhuizen die deze aandoening behandelden. Omdat nog niet alle regio's toen al beschikten over degelijk ziekenvervoer beval minister Leburton eind 1955 om een nationaal netwerk van ziekenvervoer op te zetten voor poliopatiënten. België werd verdeeld in een dertigtal sectoren met elk een polioambulance die voor het dringend vervoer van poliopatiënten in zijn sector instond. De ambulances hiervoor kwamen van de Civiele Bescherming en waren oorspronkelijk bedoeld voor hulp aan de bevolking in oorlogstijd. Daarnaast werd er een nationaal noodnummer ingevoerd om de polioambulance op te roepen. Desondanks kon het vervoer van poliopatiënten soms nog meer dan een uur duren. Vanaf 1958 kwam er een poliovaccin beschikbaar en werd de epidemie dankzij een uitgebreid vaccinatieprogramma ingedijkt.
Expo 58 Hoewel dit niet de bedoeling was, werden sommige polioambulances in 1957 al gebruikt om verkeersslachtoffers naar een ziekenhuis over te brengen. Dit werd oogluikend toegestaan door de overheid. Onder druk van de aankomende Expo 58 werkte men aan een wettelijk kader hiervoor. Toch beleven schrijnende toestanden in het verkeer bestaan. Na een zwaar ongeval in 1957 waarbij hulp opnieuw ontoereikend was pleitte automobilistenvereniging Touring voor een definitieve regeling voor de dringende hulpverlening en voor een nationaal noodnummer.
Daarbovenop kwam de Wereldtentoonstelling: om het gebeuren rond Expo 58, waarop meer dan 40 miljoen bezoekers afkwamen, in goede banen te leiden was er een veiligheidsplan opgesteld. Zo waren er bemande medische posten met ambulances op het terrein aanwezig. Dit veiligheidsplan was een soort van blauwdruk om de hulpverlening op nationaal niveau te organiseren. Rond de tijd van de Wereldtentoonstelling had de werkgroep die aan een regeling voor de dringende hulpverlening werkte het noodnummer '900', in overleg met de Regie van Telegraaf en Telefoon (RTT), al kunnen vastleggen.
Wet van 8 april 1958 De door de Senaat en Kamer van volksvertegenwoordigers quasi unaniem goedgekeurde wet van 8 april 1958 voorzag voor het eerst een wettelijke regeling voor de dringende medische hulp. Deze wet wijzigde de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de Openbare Onderstand, waardoor de Commissies van Openbare Onderstand verplicht werden om de dringende medische hulp aan personen op hun grondgebied te organiseren. Concreet moesten ze het dringend vervoer van zieken en gewonden en hun opname in een ziekenhuis verzekeren. Een tweede belangrijk aspect van de wet van 8 april 1958 was dat men pas na het verlenen van de dringende hulp de financiële draagkracht van de slachtoffers mocht nagaan. De Commissies waren tot dan toe namelijk enkel verplicht bijstand te verlenen aan behoeftigen die zelf hun verzorging niet konden betalen. Met deze bepaling wou men de snelheid van de verzorging verzekeren alsook een einde maken aan praktijken waarbij ziekenhuizen weigerden slachtoffers op te nemen vooraleer ze zekerheid hadden omtrent diens betaalkracht. Omdat niet elke Commissie over een aan haar verbonden openbaar ziekenhuis beschikte dat slachtoffers kon opnemen en derhalve in staat was om de dringende hulp zelfstandig te organiseren, stond de wet hen toe om hiertoe overeenkomsten te sluiten met de Commissies van buurgemeenten en met andere openbare of private instellingen.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de Openbare Onderstand – Parlementaire documenten Senaat: Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de Openbare Onderstand – Parlementaire documenten Kamer van volksvertegenwoordigers:
Oprichting Hulpcentra 900 In november 1958 werd Paul Meyers de nieuwe minister van Volksgezondheid en Gezin. Hij gaf aan de plannen van zijn voorganger voor het uitbouwen van een nationaal systeem van hulpverlening te willen verderzetten. Bij de Roosburgramp op 23 december 1958 in Zichen-Zussen-Bolder kwamen opnieuw tekortkomingen in de hulpverlening aan het licht. Na enkele dagen later zelf getuige te zijn geweest van een verkeersongeval, waarbij het opnieuw lang wachten was op medische hulp, gaf minister Meyers prioriteit aan het installeren van de Hulpcentra 900.
Het idee was om het nummer '900' als nationaal noodnummer in te voeren; wie het telefoonnummer zou draaien diende uit te komen bij het Hulpcentrum 900 voor die telefoonzone waar een 'aangestelde' de oproep onmiddellijk zou aannemen. Het nummer diende gratis te zijn en ook vanuit openbare telefooncellen gebeld te kunnen worden. De eerste meldtafels voor de centrales werden onder andere door Bell Telephone en Atea geleverd. Op een scherm verscheen het nummer van de beller met mechanische rolcijfers. De noodoproepen werden tevens op band opgenomen en voor zes maanden bewaard om eventueel te dienen als juridisch bewijs. Men overwoog eerst de Hulpcentra 900 onder te brengen bij het Belgische Rode Kruis, maar de aard van de centrales leunde dichter aan bij de al bestaande meldkamers van de brandweer. De telefoonzones waren daarbovenop vaak gekoppeld aan het gebied rond een stad waardoor het makkelijker was de centrales te koppelen aan één of meerdere telefoonzones.