De Franse veldtocht in de Nederlanden vond plaats in twee grote golven tussen 6 november 1792 en 7 juni 1795 tijdens de Eerste Coalitieoorlog tussen het revolutionaire Frankrijk en de geallieerden. De Eerste Coalitie, onder meer bestaande uit Oostenrijk (waaronder de Zuidelijke Nederlanden), de Verenigde Provinciën (Noordelijke Nederlanden), Groot-Brittannië, Pruisen, Hannover en Hessen-Kassel, probeerde de Franse Revolutie in te dammen en het ancien régime te herstellen. De geradicaliseerde Franse revolutionairen, die de macht van de kerk hadden gebroken (1790), de monarchie afgeschaft (1792) en de afgezette koning Lodewijk XVI onthoofd (januari 1793), streefden naar verdere verspreiding van de revolutie, zo nodig met militair geweld.

thumb|left|Dit 19e-eeuwse schilderij romantiseert de Slag bij Jemappes. Een snel succes van het Franse Armée du Nord bij Jemappes in november 1792 werd gevolgd door een zware nederlaag bij Neerwinden in maart 1793. In het voorjaar van 1794 hergroepeerden de Fransen zich en slaagden de maanden erna er geleidelijk in om alle Nederlanden te veroveren. Dit kwam mede doordat eerst de Oostenrijkers en daarna de Pruisen zich stapsgewijs van het front terugtrokken om hun belangen elders te verdedigen, zoals de op handen zijnde Derde Poolse Deling. De overgebleven Britse, Staatse, Hessische en Hannoverse troepen konden de republikeinse overmacht daarna niet meer tegenhouden.

De Fransen werden in hun veroveringstocht bijgestaan door eerder uit de Nederlanden gevluchte patriotten, die na mislukte revoluties in 1787 in het Noorden en in 1790/1791 in het Zuiden waren verdreven naar Frankrijk. Nu kwamen deze patriotten met Franse steun als "Bataven" respectievelijk "Belgen" hun landen 'bevrijden'. De Zuidelijke Nederlanden werden bij de Franse Republiek ingelijfd. In de Noord-Nederlandse geschiedschrijving staat de tweede helft van deze veldtocht ook wel bekend als de Bataafse Revolutie, waarin de oude Oranje stadhouderlijke Republiek werd vervangen door de pro-Franse revolutionaire Bataafse Republiek.

Met de Vrede van Bazel (1795) erkenden Pruisen en Hessen-Kassel de Franse overwinning en gebiedswinst. Oostenrijk zou het verlies van de Zuidelijke Nederlanden pas in 1797 met de Vrede van Leoben en later de Vrede van Campo Formio erkennen. De naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V van Oranje-Nassau weigerde aanvankelijk de Bataafse Republiek te erkennen en droeg met de Brieven van Kew alle Nederlandse koloniën op om voortaan het Britse bestuur te aanvaarden. Pas met de Brieven van Oranienstein in 1801 erkende hij de Bataafse Republiek en nam zijn zoon Willem Frederik het vorstendom Nassau-Oranje-Fulda als compensatie voor het verlies van het erfstadhouderschap.

Achtergrond Oostenrijk en Pruisen waren al sinds april 1792 in oorlog met Frankrijk, terwijl Groot-Brittannië en de Verenigde Provinciën aanvankelijk een neutraliteitspolitiek voerden ten aanzien van de Franse Revolutie. Pas na de executie van Lodewijk XVI op 21 januari 1793 reageerden de Britten door de Franse ambassadeur het land uit te zetten. Daarop verklaarde de revolutionaire Franse regering op 1 februari de oorlog aan Engeland en de Verenigde Provinciën. Deze landen sloten zich vervolgens aan bij de Eerste Coalitie, waarna enkele Duitse staten, Spanje en Sardinië zouden volgen. De Coalitielegers mobiliseerden zich langs de Franse grenzen, waarbij de regio van Noord-Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden het belangrijkste strijdtoneel zou gaan worden.

thumb|left|150px|Jozias van Saksen-Coburg (1810). In het noorden was het primaire doel van de geallieerden om de Fransen uit de Republiek (grotendeels het huidige Nederland) en de Oostenrijkse Nederlanden (nu België en Luxemburg) te verdrijven en daarna op te rukken naar Parijs om het Franse republikeinse experiment te beëindigen. Oostenrijk en Pruisen steunden dit doel globaal wel, maar hadden beide geldgebrek. Groot-Brittannië ging akkoord om een miljoen pond te investeren in een Oostenrijks veldleger en een kleiner Hannovers korps. Zelf stuurde het een invasiemacht die uiteindelijk zou uitgroeien tot ongeveer 20.000 Britse troepen onder bevel van de hertog van York. In het begin landde York met nog maar 1500 troepen aan in februari 1793.

Het geallieerde opperbevel lag in handen van de Oostenrijkse commandant Jozias van Saksen-Coburg, met een Oostenrijkse militaire staf die gehoorzaamde aan keizer Frans II en de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, de baron van Thugut. De hertog van York moest echter de instructies van de Britse buitenlandminister Henry Dundas volgen. De geallieerde militaire beslissingen werden zodoende gehinderd door de verschillende politieke belangen van Wenen en Londen.

De Nederlandse defensie verkeerde in zwakke staat. De Staatse vloot was nog verslagen in de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780–84) en het Staatse leger had al 45 jaar geen landoorlog uitgevochten. In de periode 1785–87 kon een opstand van de patriotten tegen stadhouder Willem V slechts door een Pruisische militaire interventie worden onderdrukt, waarna de patriottenleiders naar Frankrijk waren gevlucht. Willems grootste zorg was daarom het behoud van zijn Oranjehuis en het autoritaire stadhouderlijke regime.

Tegenover de geallieerden stonden de wanordelijke Franse Republikeinse troepen van het Noordelijke Leger. Oude soldaten van het ancien régime vochten zij aan zij met ruwe vrijwilligers die werden aangemoedigd door de revolutionaire hartstocht van de représentant en mission (legerinspecteur). Een groot deel van de oude officiersklasse was vanwege de Revolutie geëmigreerd en had dus het leger gedeserteerd, waardoor vooral de cavalerie in een chaotische toestand verkeerde. Alleen de artillerieafdeling, minder geraakt door emigratie, was intact gebleven. De problemen werden nog acuter na de invoering van de dienstplicht, de levée en masse, in augustus 1793. De Franse commandanten moesten evenwicht zien te vinden tussen het veiligstellen van het front en de roep om overwinningen te behalen (die het regime in Parijs zouden beschermen) aan de ene kant en de haveloze staat van het leger aan de andere kant, terwijl zijzelf voortdurend onder verdenking van de legerinspecteurs stonden. Op mislukking of ontrouw stond de guillotine.

Campagne van 1792–93 Dumouriez' invasie van de Zuidelijke Nederlanden thumb|Generaal Dumouriez, in 1834 geschilderd door Jean-Sébastien Rouillard. De eerste schermutseling aan het noordelijk front vond plaats in de Slag bij Marquain (29 april 1792), waarin een slecht voorbereid Frans revolutionair leger met gemak uit de Oostenrijkse Nederlanden werd verjaagd. De revolutionairen werden de maanden daarop in de verdediging gedrongen, verloren Verdun en wisten nipt Thionville te behouden totdat de Coalitie onverwacht werd verslagen bij Valmy (20 september 1792). Deze zege keerde het tij en opende een nieuwe gelegenheid voor een noordwaartse invasie. Het verse momentum gaf de revolutionairen de moed om de volgende dag definitief de monarchie af te schaffen en de Eerste Franse Republiek uit te roepen.

Onder commandant Charles François Dumouriez behaalden de Fransen op 6 november 1792 in de Slag bij Jemappes een zege op de keizerlijke troepen onder Karel van Oostenrijk-Teschen en Clerfayt. Daarna konden ze vrijwel zonder tegenstand oprukken door de meeste Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Terwijl het Zuid-Nederlands-Oostenrijkse leger zich terugtrok achter de Roer, probeerde Dumouriez de bezette provincies aaneen te smeden tot een republiek. Hij kreeg echter geen medewerking van de Franse Nationale Conventie en de commissarissen die deze uitstuurde om het nieuwe wingewest te annexeren. Het voorzichtige enthousiasme voor de Franse bezetting bekoelde dan ook snel.

Vanaf eind januari 1793 zag Dumouriez een kans om samen met de patriotse bannelingen de zwakke Nederlandse Republiek omver te werpen door een gewaagde opmars noordwaarts. Een tweede Franse divisie onder Francisco de Miranda manoeuvreerde tegen de Oostenrijkers en Hannoversen in oostelijk België.

Dumouriez' invasie van de Republiek Op 16 februari marcheerde Dumouriez' republikeinse Armée du Nord Antwerpen uit en viel Staats-Brabant binnen. De Nederlandse troepen vielen terug tot de Maaslinie en ontruimden het versterkte Breda na een zeer kort beleg, terwijl de stadhouder Engeland om hulp riep. Binnen negen dagen was er een eerste Britse gardistenbrigade verzameld en over de Noordzee gezonden die aanlandde bij Hellevoetsluis onder bevel van generaal Gerard Lake en de hertog van York. Terwijl Dumouriez oprukte in Brabant, sloeg het leger onder Francisco de Miranda het beleg voor Maastricht op 6 februari. De Oostenrijkers waren echter versterkt tot 39.000 man en staken nu onder het bevel van Saksen-Coburg de rivier de Ruhr over op 1 maart en drongen de republikeinse Fransen terug in de Eerste Slag bij Aldenhoven. De volgende dag namen de Oostenrijkers Aken in voordat ze Maastricht bereikten en Miranda dwongen om het beleg op te breken.

In het noordelijk deel van dit strijdtoneel dwarsboomde Coburg Dumouriez' ambities met een reeks overwinningen die de Fransen geheel uit de Oostenrijkse Nederlanden verdreef. Dit succesvolle offensief kwam tot een hoogtepunt toen Dumouriez werd verslagen in de Slag bij Neerwinden op 18 maart en opnieuw bij Leuven op 21 maart. Dumouriez liep op 6 april over naar de geallieerden en werd vervangen als aanvoerder van het Armée du Nord door generaal Augustin-Marie Picot, markies van Dampierre. Frankrijk werd geconfronteerd door aanvallen op verschillende fronten en slechts weinigen dachten dat de oorlog nog lang zou duren.Harvey, p. 119. Echter, in plaats van hun momentum uit te buiten, stokte de geallieerde opmars. Het grote Coalitieleger aan de Rijn onder de hertog van Brunswijk weifelde om op te rukken, omdat men hoopte op een politiek akkoord. Het Coalitieleger in Vlaanderen had de kans om zo langs Dampierres gedemoraliseerde leger te denderen, maar de Oostenrijkse staf was niet volkomen op de hoogte van hoe zwak de Fransen ervoor stonden. Terwijl de Oostenrijkers wachtten op de aankomst van versterkingen uit Groot-Brittannië, Hannover en Pruisen, begonnen ze vestingen langs de Franse grenzen te belegeren. Hun eerste doelwit was Condé-sur-l'Escaut waar de rivier de Hene uitmondt in de Schelde.

Voorjaarsoffensief van de Coalitie thumb|left|Yorks aanval op Valenciennes. Begin april kwamen de bondgenoten bijeen te Antwerpen voor overleg over hun strategie tegen Frankrijk. Coburg was een weifelend leider en hij had gehoopt dat hij de oorlog kon beëindigen door diplomatie met Dumouriez. Hij vaardigde zelfs een proclamatie uit waarin hij verklaarde dat hij de 'bondgenoot was van alle vrienden van orde en alle veroveringsplannen in naam van de Keizer afzwoer', die hij echter meteen weer moest intrekken op last van zijn politieke meerderen. De Britten wensten Duinkerke als schadevergoeding voor de oorlog en stelden voor dat ze Coburgs veldtocht zouden steunen zolang de Oostenrijkers hun politieke plannen voor Duinkerke zouden steunen. Coburg stelde uiteindelijk voor dat ze om de beurt Condé en Valenciennes zouden aanvallen en daarna optrekken tegen Duinkerke.