De kruisgang van de Sint-Servaasbasiliek is een laatgotische kruisgang of kloostergang in de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. In feite bestaat de kruisgang uit een drietal gangen met bijgebouwen rondom een pandhof, die als tuin is ingericht.

Geschiedenis Oudste kloostergebouwen Aan de Sint-Servaaskerk was al vroeg een klooster verbonden. In het begin van de achtste eeuw wordt het Sint-Servaasklooster genoemd als verbanningsoord van abt Wando van Fontenelle, een van de tegenstanders van Karel Martel in de Frankische Burgeroorlog. Uit het feit dat Wando door Karel Martel naar Maastricht werd verbannen, kan worden afgeleid dat de Karolingen toen zekere rechten over kerk en klooster van Sint-Servaas uitoefenden. Dat was zeker het geval in de negende eeuw, toen de Akense hovelingen Alcuinus en Einhard lekenabt van het Sint-Servaasklooster waren.Kroos (1985), p. 33. Waarschijnlijk is het klooster in die tijd omgezet in een seculier kapittel.

Vanaf de twaalfde of dertiende eeuw gaan de monniken, dan kanunniken genoemd, zelfstandig wonen. Over de oudste kloostergebouwen is weinig met zekerheid te zeggen. Wel weten we door de vondst van het grafkruis van Humbertus in 1988 dat deze proost in de tweede helft van de elfde eeuw "heel de kruisgang" (toto claustro) liet vernieuwen, inclusief de kapittelzaal (capitolio), de kapittelschool (scola) en de sacristie (vestiario), die daar waarschijnlijk omheen lagen.Panhuysen (1988), p. 318. Volgens de Maastrichtse humanist en geschiedschrijver Matthaeus Herbenus verving de huidige kloostergang vanaf circa 1475 een oudere die door houten zuiltjes gedragen werd. Hedendaagse kunsthistorici achten het onwaarschijnlijk dat het machtige Sint-Servaaskapittel pas eind vijftiende eeuw over een stenen kruisgang zou beschikken.Den Hartog (2002), pp. 304-305.

thumb|left|125px|Noordoostportaal: romaans timpaan thumb|left|125px|Sleutelgatvenster Volgens de Nederlandse kunsthistorica Elizabeth den Hartog zijn de twee romaanse portalen, die tegenwoordig vanuit de kruisgang de toegang tot de kerk markeren, van elders afkomstig. De monumentale portalen, die waarschijnlijk een functie hadden in de stedelijke rechtspraak, zouden oorspronkelijk aan de oostzijde van de kerk hebben gestaan, aan de Vrijthofzijde. Die juridische functie leidde wellicht tot een conflict tussen het kapittel en het stadsbestuur. Den Hartog vermoedt dat ze werden verplaatst naar de huidige locatie vóór de bouw van de nieuwe kruisgang.Den Hartog (2002), pp. 148, 156.

Aan de oostzijde van de kruisgang ligt de elfde-eeuwse Dubbelkapel, die met zijn annexen tot de oudste gebouwen van het kloostercomplex behoren. Aan de noordzijde liggen enkele gebouwen die vrijwel zeker uit de twaalfde eeuw stammen. Aan de westzijde zijn in de negentiende eeuw de voormalige kapittelschool en refter sterk verbouwd, maar op de zolder zijn nog enkele romaanse bouwfragmenten te zien, waaronder een sleutelgatvormig raam. Dat laatste deed Elizabeth den Hartog denken aan de verdwenen kruisgang van de Sint-Gereonkerk en het aartsbisschoppelijk paleis, beide in Keulen. Mogelijk was in deze vleugel de residentie van de proost of deken, of een gastenverblijf voor hooggeplaatsten gevestigd.Den Hartog (2002), pp. 319-326. In de collectie van het Bonnefantenmuseum bevindt zich een kapiteel waarvan vermoed wordt dat het afkomstig is van de romaanse kruisgang van de Sint-Servaas of een daaraan grenzend gebouw. Het betreft een viervoudig bladkapiteel, dat aan alle zijden is gedecoreerd met spiraalvormige palmetten, en dat sterke verwantschap vertoont met de kapitelen van de kruisgang van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Tongeren en die van de dwerggalerij van de Sint-Clemenskerk in Bonn-Schwarzrheindorf.Den Hartog (2002), pp. 509-510.

Bouw van de gotische kruisgang De Sint-Servaaskerk is in wezen een romaans bouwwerk uit de elfde en twaalfde eeuw, dat men in de eeuwen daarna heeft getracht aan te passen aan de gotiek. In de veertiende en vijftiende eeuw werd de kerk uitgebreid met kapellen in Maasgotische stijl en kregen het schip, de zijbeuken en het transept gotische vensters en een gotisch gewelf, een ingrijpende operatie die door de toevoeging van steunberen en luchtbogen ook aan de buitenkant zichtbaar was.

In de tweede helft van de vijftiende eeuw, waarschijnlijk onder proost Antonius Hanneron, begon de bouw van de laatgotische kruisgang en, vrijwel gelijktijdig, de Koningskapel. Van beide gebouwen zijn enkele vijftiende-eeuwse tekeningen op perkament bewaard gebleven, die mogelijk als bouwontwerp waren bedoeld.Mekking (1986), pp. 147-148.Den Hartog (2002), p. 305. De bouw van de kruisgang werd aanvankelijk bekostigd uit een fonds dat beheerd werd door de claustrarius (kloosterbewaarder) Leonardus Wolandus, maar toen dat potje leeg was en de werkzaamheden enige tijd stil hadden gelegen, werd het project voltooid uit de algemene middelen van het kapittel.Van Nispen tot Sevenaer (1926/1974), p. 455. Voor de bouw van de koningskapel stelde de Franse koning Lodewijk XI in 1463 een grote som geld ter beschikking. Het is niet ondenkbaar dat een deel van dat geld gebruikt werd voor de nieuwe kruisgang. In elk geval wilde het kapittel ook in de nieuwe kruisgang zijn dankbaarheid jegens de Franse koning uitdrukken. In de traceringen van de spitsboogvensters is viermaal de Franse lelie te herkennen, even vaak als het Bourgondisch kruis, wat gezien kan worden als een verbeelding van de politieke spanningen in het laatste kwart van de vijftiende eeuw. Het voorkomen in diezelfde spitsboogvensters van het wapen van Horne, dat waarschijnlijk verwijst naar Johan van Horne, bisschop van Luik van 1482-1506, betekent dat de kruisgang niet voor 1482 was voltooid. De bouwwerkzaamheden werden mogelijk ten dele geleid door de Waalse bouwmeester Cornelis de Wael, die van 1473 tot 1477 genoemd wordt als werkmeester van de Sint-Lambertuskathedraal in Luik en tegelijkertijd in Maastricht aan de Sint-Servaaskerk werkte. Later werkte hij in 's-Hertogenbosch, Utrecht en Haarlem. (2016): ‘Cornelis de Wael, de loopbaan van een Domloodsmeester’, in: Jaarboek Oud-Utrecht 2016, pp. 11-48.

De refter in de westvleugel van de kloostergang verloor zijn oorspronkelijke functie nadat de kanunniken het gezamenlijk leven (en dus ook de maaltijden) vaarwel hadden gezegd. Wel behield de ruimte nog enkele keren per jaar een ceremoniële functie. De claustrarius woonde naast de refter, in een pand dat in 1900 vervangen werd door de tegenwoordige kosterswoning. Naast de kloosterbewaarder waren aan het klooster een refterproost en enkele refterleden verbonden, die onder andere de verdeling van de graanopbrengst binnen het kapittel regelden. De kelder onder de reftervleugel deed wellicht dienst als wijnkelder, hoewel daarvoor ook de zogenaamde Kanunnikenkelder onder de noordvleugel in gebruik was. Het kapittel beschikte over eigen wijngaarden in het Ahrgebied en had zelfs een eigen tapperij aan het Vrijthof.Tagage (1987), pp. 255-256. Aan de oostzijde van de kruisgang bleef de Dubbelkapel tot de Franse tijd in gebruik als kapittelzaal, als grafkapel van kanunniken en als bewaarplaats voor de kerkschat, waaronder de vele kostbare reliekhouders.

Op de oudste plattegrond van Maastricht, een schets uit circa 1585, is de kruisgang te zien, maar weinig gedetailleerd. De details op latere plattegronden (onder andere van Braun en Hogenberg en Joan Blaeu) blijken weinig overeenkomsten met de werkelijkheid te hebben. Op de zeer nauwkeurige plattegrond van de Franse ingenieur Larcher d'Aubencourt uit 1750 en op de daarop gebaseerde Maquette van Maastricht ontbreken - als enige - de kloostergebouwen van de Sint-Servaas!

Secularisatie en restauraties In 1797 werd het kapittel opgeheven en kregen de gebouwen een seculiere bestemming. In 1804 werd de kerk teruggegeven aan de parochie, maar sommige bijgebouwen bleven in gebruik door de overheid of particulieren.Dickhaut (1984), p. 103. In de negentiende eeuw deed de refter dienst als winterkerk, de zolders werden door het stadsbestuur gebruikt als graanopslag en in de kelders bewaarde een wijnhandelaar zijn voorraad.

In 1869 stortte het zuidelijk deel van deze kelder in, wat leidde tot een - later zeer betreurde - eerste restauratie van dit deel in 1870-75. Hoewel architect Pierre Cuypers in principe de supervisie had, vond deze "restauratie" plaats onder leiding van Johannes Kayser, die het historische complex min of meer volgens eigen inzichten herbouwde. Vooral het quasi-gotische topgeveltje aan het Sint Servaasklooster werd door de rijksambtenaar bekritiseerd, waarbij tevens het dreigement werd geuit de restauratiesubsidies stop te zetten. In 1892-95 werd het noordelijk deel van het gebouwencomplex door Cuypers onder handen genomen. Ondanks de kritiek op het werk van Kayser enkele jaren eerder, werd ook de voormalige refter voorzien van een compleet nieuwe westmuur met neogotische ramen en een nieuw gewelf. De ruimte kreeg een neogotische polychromie en werd bestemd tot schatkamer ("heiligdommenkapel"). In 1900 werd het zuidelijk deel opnieuw verbouwd, waarbij de neogotische topgevel alweer moest wijken voor twee spitsboogramen.Dickhaut (1984), p. 104. De noordelijke bijgebouwen hebben in de loop van de negentiende eeuw eveneens plaats moeten maken voor nieuwbouw, op een enkele muur en de enorme wijnkelder van het kapittel na. Min of meer onaangetast bleven de gebouwen aan de oostzijde. Een deel van de hier gelegen Dubbelkapel was tot eind twintigste eeuw in gebruik als sacristie.

In de jaren 1980 werd de Sint-Servaaskerk opnieuw ingrijpend gerestaureerd. De bijgebouwen rondom de kruisgang kregen bij die gelegenheid een andere bestemming. De belangrijkste wijziging was de verplaatsing van de Schatkamer naar de historische locatie in de Dubbelkapel. Deze kapel werd als eerste gerestaureerd, waarbij belangwekkende archeologische vondsten werden gedaan (zie hieronder). De aangrenzende gebouwen en de traptoren werden bij de schatkamer gevoegd en een ruimte in de noordvleugel werd ingericht als bezoekerscentrum ("diaruimte"). De grote, naastgelegen Kanunnikenkelder werd bestemd tot parochiezaal en ontvangstruimte. De oude schatkamer werd van 1982-84 eveneens gerestaureerd en ingericht als dagkapel; de aangrenzende ruimte werd de nieuwe sacristie. Bij de restauratie van de kloostergangen zelf werden onder andere de versleten natuurstenen vloeren vervangen. Als laatste werd in 1991 de pandhoftuin, waar tien jaar lang de bouwketen hadden gestaan, heringericht.Brouwers (1983/84/85/91), pp. 87, 93-94, 96-97, 101-103, 149-150, 447.

Archeologische opgravingen