De Lombok-oorlog van 1894 was een militair conflict tussen Bali en Lombok waarbij beide mogendheden een militair rekest indienden bij de regering van Nederlands-Indië, en waar het koloniale bestuur de kant van Bali bevoordeelde. De oorlog staat in Nederland bekend als de Lombok-Expeditie en wordt onderverdeeld in de Eerste en Tweede Lombok-Expeditie. De strijd eindigde in een Nederlandse overwinning.
Als onderdeel van de oorlog roofde de Nederlandse overheid van de radja van Lombok, zijn in de strijd omgekomen familieleden en volgelingen 230 kilo goudgeld, 7199 kilo zilveren munten en ruim duizend andere kostbaarheden. Deze buit staat bekend als de Lombokschat. Onderdeel daarvan was de Kakawin Nagarakretagama dat het verloren verhaal van het Majapahitrijk van Gajah Mada beschreef in het Oudjavaans, een taal die vergeten was na de islamitische verovering van het gebied dat Nusantara heette.
Voorgeschiedenis De vorst van Lombok met een dozijn vrouwen, veel kinderen en verdere familieleden en hofhouding waren oorspronkelijk afkomstig van Bali. Ze bewoonden met andere Balinezen drie dicht bij elkaar gelegen steden: Ampenan (de haven), Mataram en Tjakranegara. Dit waren Hindoe-enclaves op een eiland waar ruim 90% van de bevolking bestond uit Sasak-moslims.
Op 7 juni 1843 had het Nederlands-Indische gouvernement een contract gesloten met de toenmalige vorst van het eiland. Hij erkende daarin formeel de hegemonie van Nederland over Lombok. Belangrijke punten waren verder dat Lombok geen overeenkomsten zou aangaan met andere mogendheden, en het Nederlands-Indisch gouvernement zou zich niet bemoeien met het interne bestuur van Lombok en zich niet op het eiland vestigen. Door de toegenomen handel en scheepvaart in de tweede helft van de 19e eeuw was Lombok echter steeds belangrijker geworden en werd het verdrag door de Nederlands-Indische regering geleidelijk als een blok aan het been gevoeld. Krachtens de verdragsbepalingen kon de regering echter weinig doen zonder duidelijke aanleiding. Deze aanleiding kwam in de jaren 1890 en had mede te maken met de situatie op het naastgelegen eiland Bali. Het "te hulp komen van de Sasak", verreweg de grootste bevolkingsgroep op Lombok, was een bruikbaar argument om op Lombok te kunnen ingrijpen. Deze groep had te lijden van de Balinese heersers.Schulte Nordholt, blz. 198
De tweede helft van de 19e eeuw was in politiek opzicht een onrustige periode voor de zuidelijke helft van Bali. Diverse keren kwam het tot gewapende strijd als een vorstendom zijn macht en invloed wilde vergroten ten koste van het andere. Na de val van het vorstendom Mengwi in 1891 brak oorlog uit tussen de vorstendommen Karangasem en Klungkung.Agung, blz. 138 - 139 Op dat moment regeerde over Karangasem een regent van de vorst van Lombok. Dit was een beloning voor de vorst van Lombok, die bij de Derde expeditie naar Bali in 1849 het Nederlands-Indisch gouvernement had bijgestaan met troepen. Karangasem werd bestuurd door een prins uit Lombok, Gusti Gde Putu, die regent was en zijn halfbroer Gusti Gde Djelantik als feitelijk operationeel bestuurder.Hanna, blz. 144
Karangasem werd door Lombok tot de oorlog tegen Klungkung aangezet en werd daarbij vanuit Lombok geholpen met troepenleveranties. De vorst van Lombok, radja Ratu Agung Agung Gde Ngurah Karangasem, die sinds 1872 aan de macht was zond vijfhonderd man troepen uit de Sasak-bevolking naar Karangasem om bijstand te leveren. Djelantik stond aan het hoofd van de Karangasems-Lombokse troepen die tegen Klungkung een duidelijke nederlaag leden, vooral ten koste van de Sasak-eenheden. De gewonde Sasaks werden door Djelantik slecht behandeld, wat tot wrevel leidde. Deze kwestie, en andere vormen van wanbestuur jegens de Sasaks, leidden tot een Sasakopstand tegen de vorst van Lombok. Een leger van 1500 man onder leiding van Gusti Gde Djelantik trok in november 1891 richting Lombok om de Sasak-revolte te bestrijden.
Zowel de radja als de Sasak-rebellen richtten zich om hulp tot het Nederlands-Indisch gouvernement.Brief van Sasakhoofden als bijlage bij Tweede Kamerstukken, statengeneraaldigitaal.nl De radja werd militaire bijstand geweigerd omdat Nederland al oorlog voerde in Atjeh en er niets voor voelde een tweede front veraf te openen. Ook herinnerden de Nederlanders de radja aan hun politiek van niet-interveniëren in lokale disputen.
Vanwege de onlusten op Lombok werd resident M.C. Dannenbargh met controleur J.H. Liefrinck (broer van F.A.) door de gouverneur-generaal Cornelis Pijnacker Hordijk in mei/juni 1892 naar Lombok gestuurd voor onderzoek. Ze konden aannemelijk maken dat de Sasaks, die moslims waren, te lijden hadden van willekeur en exploitatie van de kant van de vorst, waartegen het gouvernement hoorde in te grijpen. Ook werd de vorst ervan beschuldigd dat hij de belangen van de Nederlands-Indische regering onvoldoende behartigde en in strijd met het verdrag van 1843 om geen alliantie met buitenlandse mogendheden aan te gaan handelde. Nadat gebleken was dat het gouvernement hem niet wilde steunen bij de Sasak-opstand, had hij getracht in Singapore wapens te kopen en interventie van de Britten te vragen.Hanna, blz. 146
De vorst bleef alle beschuldigingen van de hand wijzen, maar gaf volgens Dannenbargh en Liefrinck geen bevredigende antwoorden. De gouverneur-generaal zag echter geen noodzaak om tot actie over te gaan en probeerde met politieke middelen de situatie te beheersen.Van der Kraan, blz. 41 In juni 1893 kondigde Dannenbargh bij het vorstenhuis aan, dat ze opnieuw een brief konden verwachten van de gouverneur-generaal. Deze werd een maand later door Liefrinck naar Lombok gebracht, die op zijn schip in de haven moest wachten omdat het de vorst en zijn kroonprins niet schikte hem te ontvangen. Daarbij constateerde hij dat een afgevaardigde, die vanuit Singapore arriveerde, wel in de gelegenheid werd gesteld zijn schip te verlaten. Pas in maart 1894 gaven de vorsten aan, de brief te willen ontvangen. De Nederlandse Minister van Koloniën noemde deze handelwijze onacceptabel. Inmiddels was de conservatieve Aart van der Wijck gouverneur-generaal van Nederlands-Indië geworden, wat een beleidswijziging inhield. Door hem en andere haviken in Batavia werd de vorst van Lombok voorgesteld als iemand met veel macht die een bedreiging voor de Nederlandse invloed kon worden. De Raad van Indië, adviesorgaan van het gouvernement, was bevreesd voor een toename van zijn invloed op Bali. De berichten van Liefrinck over onderdrukking van de Sasaks ondersteunden dit en boden een humanitair argument om in te grijpen. Bovendien ontvingen ze in februari 1894 een nieuwe brief van de Sasak-leiders waarin ze meldden hongersnood te hebben, wat Liefrinck bevestigde.Schulte Nordholt, blz. 197 - 198 Uit het verslag van de Minister van Koloniën in de Tweede Kamer, dd. 28 juni 1894, blijkt dat het te hulp komen van de Sasakbevolking reden is geworden om tot actie over te gaan, naast het handelen in strijd met het verdrag van 1843 door het Balinese vorstenhuis.Handelingen Tweede Kamer 28 juni 1894, statengeneraaldigitaal.nl
Militair ingrijpen Eerste Lombok-Expeditie (13 juni - 26 augustus 1894) In juni 1894, toen door ontwikkelingen in de Atjehoorlog weer troepen beschikbaar waren, stelde de gouverneur-generaal met resident Dannenbargh een brief met ultimatum op voor de vorst van Lombok. De belangrijkste eisen waren: Een eind aan de onderdrukking van de Sasaks; De oude vorst moest aftreden en zijn zoon Anak Agung Made zou worden verbannen (deze zoon had wegens de hoge leeftijd van zijn vader de feitelijke leiding over Lombok, hij werd door de Nederlanders beschouwd als aanstichter van de onvrede);Vanvugt, blz. 14+18Van der Kraan, blz. 61 Een andere zoon, de passieve Anak Agung Ketut, zou op de troon komen (in hem zagen ze een ideale marionet); De vorst, die zeer rijk was, moest de kosten van een eventueel benodigde militaire expeditie betalen.Van der Kraan, blz. 54 -55 De vorst weigerde hieraan te voldoen waarop de Lombok-Expeditie werd samengesteld. De troepenmacht bestond uit 108 officieren en 2270 minderen (1322 Europeanen en 948 inlanders), aangevuld met 1782 dwangarbeiders,Tijdschrift voor Neerland's Indië, jaargang 24, 1895 (1e deel), blz. 131 + 132 386 paarden en 37 muilezels.Vanvugt, blz. 23 Het commando was in handen van generaal-majoor van de infanterie J.A. Vetter. Als onderbevelhebber werd aangesteld generaal-majoor van de infanterie P.P.H. van Ham. Het invasieleger bestond uit drie bataljons infanterie, een half eskadron cavalerie en een detachement genie. De artillerie was aanwezig met tien kanonnen en zes mortieren. De Koninklijke Nederlandse Marine leverde negen schepen, onder meer de fregatten Tromp en Koningin Emma der Nederlanden, alsook het pantserschip Prins Hendrik der Nederlanden, een korvet en twee kruisers. Voor het troepentransport werden elf KPM-schepen en een veevlot gehuurd. Journalisten werden geweerd.
Op 6 juli 1894 landden de troepen na nog een verlopen ultimatum, zonder tegenstand te ondervinden. Op 9 juli volgde een ontmoeting met Gusti Gde Djelantik, de operationeel bestuurder over Karangasem-Bali en een neef van de vorst van Lombok. Hij gaf zich over aan Vetter en bood zijn diensten als bemiddelaar/onderhandelaar aan. Op 10 juli bracht hij het bericht dat zijn oom akkoord ging met vrijwel alle eisen maar liever niet zijn zoon Made uitleverde. Het gevolg kon volgens hem zijn dat de (radicalere) volgelingen van Made zich gingen roeren. Op 11 juli bereikten de troepen de puri (paleis) van Tjakranegara waar Made bleek te zijn gedood of zelfmoord had gepleegd. De exacte toedracht is nooit duidelijk geworden, maar dat Made van het toneel moest verdwijnen was een van de Nederlandse eisen. Hij werd gezien als het brein achter de problemen op Lombok.Hanna, blz. 148 - 149Van der Kraan, blz. 63 - 64 miniatuur|rechts|Foto is gemaakt tijdens de onderhandelingen van 10-20 augustus 1894. Zittend van links naar rechts: Anak Agung Ketut, de generaal-majoors P.P.H. van Ham en J.A. Vetter, de resident van Bali en Lombok M.C. Dannenbargh en Gusti Gde Djelantik
De troepen sloegen hun bivak op nabij de Hindoe-enclaves. De vorst werd opgevolgd door zijn kroonprins Anak Agung Ketut, die akkoord ging met alles waarover met hem werd onderhandeld. Op verzoek van de Sasaks wilde het gouvernement vertegenwoordigers in Lombok stationeren om op hun belangen te letten, teneinde hen bereid te krijgen zich weer onder gezag van het Balinese vorstenhuis te voegen. Gusti Djelantik was tussenpersoon tussen de generaals en Liefrinck en anderzijds de plaatselijke machthebbers.Hanna, blz. 149 - 150 De besprekingen die plaatsvonden van 10 tot 20 augustus leken probleemloos te verlopen. De Nederlandse onderhandelaars verlangden dat de radja de kosten voor het Nederlands-Indische expeditieleger zou betalen. De kosten werden bepaald op één miljoen gulden, te betalen in goud- en zilvergeld. De onderhandelingen verliepen echter in het Maleis. Pas na vertaling in het Balinees realiseerden Ketut en de zijnen zich dat ze hun onafhankelijkheid en de macht over de Sasaks zouden verliezen. De gangbare opvatting is dat enkele Balinese hooggeplaatsten, waarschijnlijk zonder medeweten van de radja, een verzetsactie begonnen te regelen.