De Valkhofburcht in de Nederlandse stad Nijmegen was een middeleeuwse burcht die was gelegen op de Valkhofheuvel aan de zuidoever van de Waal. Het was een groot complex met zware muren, een ringmuur, veel zalen en een zeer markante donjon. De burcht was eeuwenlang vooral een adellijke residentie, en speelde daarnaast een zekere rol als verdedigingswerk voor de stad.
Wanneer de bouw precies begon, is niet duidelijk, noch is bekend of de bouw in relatief korte tijd gebeurde of verdeeld over meerdere fasen plaatsvond. Omstreeks 1155 moet de toen nieuw aangetreden Rooms-Duitse keizer Frederik Barbarossa opdracht hebben gegeven voor de bouw dan wel herbouw; hiervan getuigt de bewaard gebleven gedenktekst. Rond het begin van de dertiende eeuw moet de burcht helemaal af zijn geweest. Historici gaan er meestal van uit dat het een herbouwing was van de drie eeuwen oudere palts van Karel de Grote op dezelfde plek, die in 1047 was verwoest tijdens de opstand onder hertog Godfried II van Lotharingen tegen keizer Hendrik III.
Gedurende de eerste paar eeuwen daarna vervulde de burcht een belangrijke functie als keizerlijk en koninklijk verblijf. Ook werden er in die tijd veel bestuurlijke kwesties afgehandeld. Barbarossa zelf moet er zeker viermaal hebben verbleven. De burcht stond in eerste instantie los van de eigenlijke stad en is later binnen de stadsmuren komen te liggen. In de loop van de zestiende eeuw nam het belang ervan als bestuurlijk centrum steeds meer af. Vanaf die tijd verbleven er eerst overwegend nog graven, hertogen en stadhouders. De burcht werd in deze tijd eigendom van de Staten van Gelre. Gaandeweg verloor het bouwwerk steeds meer aan betekenis en belang en ging de bouwkundige staat ervan verder achteruit. Na het beleg van 1794 is de burcht bijna helemaal afgebroken. Twee restanten zijn tot op heden behouden: de Sint-Nicolaaskapel en een deel van de Sint-Maartenskapel. Deze bouwwerken hebben tegenwoordig de status van rijksmonument.
Op de plek van de burcht is aan het begin van de negentiende eeuw het Valkhofpark aangelegd, destijds een van de eerste Nederlandse stadsparken. Bezoekers kunnen hier heden ten dage onder meer de twee voornoemde kapellen bezichtigen.
Voorgeschiedenis
De Valkhofheuvel en de directe omgeving daarvan aan de Waal kenden in ieder geval in de oudheid al menselijke bewoning. Het is echter onzeker wanneer er zich hier precies voor het eerst permanent mensen hebben gevestigd. Kort voor het begin van de jaartelling lijkt er hoe dan ook een eerste Romeins legerkamp (castrum) te zijn gestationeerd. In de nabijheid daarvan moet op ongeveer hetzelfde momentOnder meer in de Historiae van Tacitus is hierover meer te lezen. de Bataafse nederzetting Oppidum Batavorum zijn gesticht. Omstreeks het jaar 70 vestigde Legio X Gemina zich aan het Valkhof, na de Bataafse Opstand. Omstreeks het jaar 100 lijkt iets westelijker de stad Ulpia Noviomagus Batavorum te zijn verrezen, die nu algemeen als Romeins Nijmegen wordt beschouwd. Op de plek waar omstreeks 1622 het Kelfkensbos is aangeplant, verrees in de loop van de derde eeuw weer een nieuw Romeins fort, een castellum.Geschiedenis van het Valkhof, valkhof.nl
Ook na het definitieve vertrek van de Romeinen, iets na het jaar 400, lijkt de heuvel van strategisch belang te zijn gebleven; het werd in deze tijd een noordelijke uithoek van het Frankische rijk. Naar men aanneemt, liet Karel de Grote omstreeks 770 op de plek van het Romeinse castellum een van zijn paltsen bouwen: de Valkhofpalts. De oudst bekende vermelding hiervan is een overgeleverde oorkonde uit het jaar 777, opgesteld in het Niumago palacio publico.De Valkhofburcht, MijnGelderland Dit paleis diende vervolgens, aldus de geschriften hierover, ruim twee eeuwen lang als een belangrijke keizerlijke residentie en bestuurscentrum, tot aan de verwoesting ervan in 1047.
Wat betreft archeologische vondsten tast men vrijwel volledig in het duister voor wat betreft de periode aan het Valkhof tussen 1047 en 1155. De overgeleverde schriftelijke vermeldingen lijken er anderzijds op te duiden dat de palts in deze periode slechts gedeeltelijk was beschadigd en in gebruik bleef als keizerlijke residentie. De zieke keizer Hendrik V, de laatste van de Salische dynastie, zou in het voorjaar van 1125 het bouwwerk hebben bezocht, terwijl hij op doorreis was van Aken naar Utrecht. Iets later moeten hier de Staufische bezoeken zijn begonnen, toen Koenraad III (de oom van Barbarossa) in 1145 en 1151 als eerste van deze dynastie het Valkhof bezocht.Valkhofnieuws 1993-2, valkhof.nl Op 17 mei 1151 onderhandelde Barbarossa, die op dat moment nog hertog van Zwaben was, over het ambt van de bisschop van Utrecht. Als getuigen worden zeventien bisschoppen, abten, graven en hoge heren genoemd. In de akte zelf staat dat deze is opgemaakt door Koenraad III, en werd uitgegeven in het palatio Noviomagi (het "paleis te Nijmegen").WIBALDI EPISTOLAE 328. 329. 459, Monasterium.net Deze vermeldingen uit de eerste helft van de 12e eeuw lijken dus allemaal belangrijke aanwijzingen dat er op dat moment (weer) een geschikte accommodatie was om een illuster gezelschap te ontvangen en om rijkszaken te behandelen en af te wikkelen.
Uiterlijk en architectuur
Hoe de burcht er op het moment van de oorspronkelijke voltooiing uitzag, valt niet meer na te gaan; de eerste bewaard gebleven afbeeldingen van het bouwwerk dateren pas van vier eeuwen later. De burcht moet in de tussentijd al herhaaldelijk vrij grondig zijn verbouwd.
Het was een omvangrijk complex van allerlei torens en meerdere vleugels. Duidelijk het meest gezichtsbepalend was de donjon, ofwel "Reuzentoren", met een geschatte hoogte van zo'n 50 meter. Deze Reuzentoren en de 13e-eeuwse Stevenskerk in het stadscentrum waren samen tot ver in de omgeving zichtbaar en zouden eeuwenlang zeer beeldbepalend blijven in de skyline van Nijmegen. De Reuzentoren moest gedurende de eerste eeuwen vooral zorgen voor veel keizerlijke uitstraling. Vermoedelijk werd de toren niet voor militaire doeleinden gebruikt, althans niet in belangrijke mate.
Tot de markantste delen van de burcht behoorde verder de Groote Saal (in geschriften vanaf de zestiende eeuw zo genoemd). Dit lijkt hetzelfde vertrek te zijn als de in 1346 vermelde aula imperialis noordoostelijk van de Reuzentoren, die aan de buitenzijde een houten trap had. Hier lagen ook de woonvertrekken van de hertogen. Ten noorden van de Grote Zaal bevonden zich de Roede Camer, de Coningscamer en de Blauwe Camer. Het complex als geheel omvatte twee grote woonvleugels, die haaks op elkaar stonden. De lange noord-zuidvleugel ("kleersolder") liep door tot aan de eerste omwalling, bij de Jonker Janstoren. In het midden daarvan was de Sint-Maartenskapel uitgebouwd, en ten zuiden hiervan was er een gotische trap. Voorts waren hier de verblijven van de burggraaf, een van de keukens en nog een andere Rode Kamer. Veel vertrekken, inclusief de Grote Zaal, waren voorzien van spitsboogvensters en trapgevels in gotische stijl.
De burcht had zeven of acht verdedigingstorens in de eerste omwalling, en er was een hoge poort. Er was ook een poortgebouw en over de droge gracht liep een brug. Aan de uiteinden van de Waalkade stonden nog twee andere grote torens die bij de burcht hoorden: aan de westzijde de St. Hubertus- of Rode Toren, en aan de oostzijde de Melaten- of Lappentoren, die er in 1463 nog bij is gebouwd.Lappentoren, MijnGelderland
De burcht zelf en de directe omgeving werden omgeven door stevige muren. Via de Burchtpoort en de Lange Burchtstraat stond het Valkhofterrein rechtstreeks in verbinding met het eigenlijke stadscentrum. Aan de buitenzijde van het burchtterrein stond ook nog een ringmuur met bogen, die aansloot op de stadsmuur. Onduidelijk is of deze muur eveneens (gedeeltelijk) het werk van Barbarossa zelf is geweest, of pas later werd toegevoegd; in ieder geval dateerde een deel ervan pas uit de late middeleeuwen.Reuzentoren, MijnGelderland
Naamgeving Tot en met 1157 wordt het paleis aan het Valkhof aangeduid als palatium, een benaming die toen voor veel andere paltsen uit de Karolingische periode inmiddels was vervangen door palatium regium ("koningspalts"). De plek zou dan speciaal van "echte" koningspaltsen zijn onderscheiden, omdat de Rooms-Duitse koningen bij voorkeur naar de bisschopssteden gingen; Nijmegen is dit nooit geweest.
De benamingen Valkhof en het daarvan afgeleide "Valkhofburcht" dateren, volgens de meest waarschijnlijke inzichten, op z'n vroegst uit de veertiende eeuw. "Valkhof" verwees vermoedelijk in eerste instantie letterlijk naar het terrein ten westen en zuiden van de burcht, dus het hof. Degenen die op de burcht verbleven, deden op dat terrein aan valkerij, destijds een populaire sport onder veel edellieden.Nijmegen – Valkhof, Spannende Geschiedenis De burcht zelf werd in deze tijd nog Furstendomsburcht genoemd. Voor zover bekend werden de namen Valkhof en Valkhofburcht vanaf het eind van de vijftiende eeuw ook gebruikt om de burcht als zodanig mee aan te duiden.
Met terugwerkende kracht is de benaming Valkhof ook nog gangbaar geworden voor de 8e-eeuwse Karolingische palts. Na de afbraak van de burcht in 1795-96 ging de term Valkhof weer over op het aangelegde park en de directe omgeving daarvan, vooral de heuvel. Zodoende kan "het Valkhof in Nijmegen" nu vier of vijf mogelijke betekenissen hebben.
Echte optekeningen van de naam Valkhof door cartografen zijn pas bekend vanaf de zeventiende eeuw; in 1639 wordt de plek door Isaac van Geelkercken vermeld als Het Valckhoff, en tien jaar later door Joan Blaeu als Valckhof.Stratenlijst gemeente Nijmegen, V
Geschiedenis van de burcht (12e-18e eeuw) Bouw en voltooiing (1155 - 1200) In 1155 werd Barbarossa zelf de nieuwe keizer van het Heilige Roomse Rijk (drie jaar daarvoor was hij al koning van Duitsland geworden). In dezelfde tijd liet hij, geheel in de Staufische traditie, een reeks burchten bouwen dan wel heropbouwen, waaronder ook de burcht die later bekend zou worden als de Valkhofburcht. Sommige bronnen noemen 1152 als het jaar waarin de bouw begon.
Gedenktekst
De volgende Latijnse gedenktekst vermeldt het begin van de (her)bouw van de burcht:
De Nederlandse vertaling hiervan is als volgt:
Deze tekst is gebeiteld in een marmeren reliëf. Uit de gebruikte lettervormen valt op te maken dat de gedenktekst iets na 1200 moet zijn opgesteld, waarschijnlijk in opdracht van de keizerlijke hofhouding. Vermoedelijk was de burcht op dat moment helemaal voltooid.
Het laten plaatsen van dergelijke, voor die tijd nogal profane teksten gold als een keizerlijk voorrecht. Het was een voortzetting van een uit de Romeinse tijd stammende traditie, die werd aangehouden door onder meer het geslacht Hohenstaufen, waar Barbarossa zelf toe behoorde. Barbarossa wilde zichzelf vermoedelijk hiermee op gelijke voet plaatsen met Julius Caesar. Hij deed dat dus door diens naam in de gedenktekst te noemen en hem tegelijk te vermelden als de oorspronkelijke bouwer, terwijl hij zichzelf tegelijkertijd duidelijk trachtte te profileren als de echte vredestichter (in welk opzicht hij zichzelf dus zelfs boven Caesar verhief). De tekst lijkt tevens een duidelijke aanwijzing dat Barbarossa hechtte aan translatio imperii, de continuering van het keizerschap vanaf de Romeinse tijd.
De gedenksteen met de tekst is eerst eeuwenlang ingemetseld geweest in de muur van het Sint-Stevenskerkhof nabij de sacristie van de Stevenskerk, waar hij in 1670 is teruggevonden. Het witte Carrara-marmer is afkomstig van een hergebruikte Romeinse zuil; de cannelures aan de achterkant zijn daarvoor de belangrijkste aanwijzing.
Eerste jaren na 1155