Christina Adriana Arendina (Dina) Koudijs - Appeldoorn (Rotterdam, 26 december 1884 – Den Haag, 4 december 1938) was een Nederlands componiste en pianiste.

Achtergrond Ze werd geboren binnen het gezin van de HBS-leraar (en schrijver daarover) Johannes Appeldoorn en Margaretha Jacoba Cornelia Frings. Zij trouwde in 1913 met Jan Koudijs. Ze was geïnteresseerd in Esperanto en schreef in die taal een zestal liederen. Ze werd begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag. Amsterdam en Uithoorn kennen een Dina Appeldoornstraat, Gorinchem een Dina Appeldoornpad.

Muziek Dina Appeldoorn verkreeg haar muzikale opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Haar docenten waren Henri Viotta, Frits Koeberg (compositieleer) en Johan Wagenaar. Wagenaar werd vriend voor het leven en zij raadpleegde hem gedurende haar loopbaan. In 1910 rondde ze haar studies aan het conservatorium af. Later keerde ze er terug als docent piano. Vanuit het conservatorium werd ze pianobegeleidster van diverse koren in Den Haag, maar haar belangstelling ging steeds meer uit naar componeren. Haar vroege werken Frissche bloemen en Vondelliederen hadden enig succes. Die laatste werden opgedragen aan zangeres Julie de Stuers, die ze ook in het buitenland had gezongen. Voorts speelde Appeldoorn in een kwintet met sopraan Lena van Diggelen. De dirigent Wouter Hutschenruyter promootte met zijn Utrechts Stedelijk Orkest haar werk, zoals het symfonisch gedicht Pêcheurs d’Islande (1912) en de Noordzeesymfonie (1925). In 1923 kreeg ze een eerste prijs van de Nederlandsche Volkszang-bond te Utrecht voor het Jubileum-lied ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina In die jaren schreef ze ook koormuziek voor de Nederlandsche Vereniging voor den Volkszang in Den Haag, geleid door Arnold Spoel. 'Die Haghe Sanghers' zongen een aantal van haar werken. In 1934 werd haar Blijspel-ouverture gespeeld door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Eduard Flipse.

Haar stijl van componeren werd omschreven als laat-romantisch en melodisch, vermengd met lichte dissonantie. Ze schreef een aantal programmawerken met patriottistische inslag.

Werken (selectie) Werken voor orkest 1909: Scherzo 1912: Dance 1912: Pêcheurs d’Islande, geïnspireerd op de roman van Pierre Loti 1915: Symfonie nr. 1 (Meisymfonie, tekst Christian Morgenstern voor sopraan, gemengd koor en symfonieorkest) 1916: Symfonie nr. 2 (deel 4, tekst Christian Morgenstern, voor sopraan, gemengd koor en orkest) 1917: Hollandsche liederen 1918: Adeste, fidelis 1919; Carnaval; onder meer uitgevoerd op 26 juni 1924 door het Concertgebouworkest o.l.v. Cornelis Dopper 1919: Natuursuite 1924: Noordzeesymfonie (symfonisch gedicht) 1934: Blijspel-ouverture 1934: Pastorale 1936: Serenade

Zang 1909: Frissche bloemen (haar opus 1, zes liederen met Schemerliedje op tekst van Joannes Reddingius) 1911: Twee Hollandsche Liederen 1912: Omhoog 1922: Loflied aan Nederland 1923: Jubileum-lied (op tekst van Arent Tonko Vos) 1923: De lente luwt 1925: Drie liederen 1931: Zes kantoj 1936: Julianalied 1936: Het Zwerverslied 1938: De kalkoen (laatste werk, geschreven voor Rotte’s Mannenkoor)

Kamermuziek 1915: Woudsproke (suite in vier delen, voor dwarsfluit, viool, altviool, cello en harp, opgedragen aan respectievelijk Jan Prins, Louis de Ruyter, Henk van Casteren, Martin Zagwijn en Jacoba Heuckeroth); tevens een versie voor strijkorkest, bestaande uit Woudstemming, Dwergen, Treurmuziek, De betoverde prinses en Saters 1920: Twee Hollandse Dansen 1921: Divertissemento 1922: Serenade 1925: Haagsch liedje 1925: Sonatine 1932: Twee preludes 1932; Strijkkwartet in Bes

Kinderoperette 1927: Duinsprookje (kinderoperette)

Categorie:Nederlands pianist Categorie:Nederlands componist