miniatuur|Madame d'Aulnoy op een 17e-eeuwse postzegel

Madame d'Aulnoy (Barneville-la-Bertran, januari 1650 of 1651 - Parijs, 4 of 13 januari 1705) is de 17e-eeuwse schrijfster Marie-Catherine Le Jumel de Barneville de la Motte, barones d'Aulnoy. Ze vestigde haar naam als schrijfster van romantische en reisverhalen, maar vereeuwigde zichzelf door haar Contes des fées (fairy tales – sprookjes). Ze wordt beschouwd als gangmaakster van een toentertijd nieuwe golf geschreven literaire sprookjes.

Biografie Jeugd Madame d'Aulnoy werd geboren in januari 1650 of 1651 in het dorpje Barneville-la-Bertrand in Calvados, Normandië, in een landadellijke familie (Le Jumel). Haar vader had een functie aan het hof van Lodewijk XIV, terwijl haar moeders hang naar het mondaine haar meer in Parijs deed verblijven dan in het huis waar haar dochtertje opgroeide. Marie-Catherine werd dan ook door haar grootmoeder opgevoed, tot haar vader al vroeg overleed, en haar moeder haar meenam naar Parijs.

Huwelijk en verbanning Hier werd ze op zestienjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de dertig jaar oudere François de la Motte, baron van Aulnoy, militair in het leger van Lodewijk XIV. Deze François de la Motte stond bekend als een drinkebroer, een gokker die zich beter op zijn gemak voelde in het gezelschap van mannen dan van vrouwen. Ondanks zijn brute optreden jegens Marie-Catherine kreeg ze in zeer korte tijd drie kinderen van hem, al was ze zelf promiscue.

Haar losbandige moeder plande om de baron uit te schakelen. Ze riep de hulp in van haar minnaar en nog enkele vrienden, die de la Motte bij Lodewijk XIV betichtten van majesteitsschennis, waarop de doodstraf stond. De dag voor de executie kwam deze samenzwering echter aan het licht. Niet de baron, maar moeders minnaar en zijn kompanen kwamen op het schavot. Moeder week net op tijd uit naar Spanje. Dochter Marie-Catherine werd uit Parijs verbannen.

Terugkeer naar Parijs Vanaf hier wordt de verdere levensloop van Marie-Catherine diffuus. Er bestaan nauwelijks bronnen die hier met zekerheid uitsluitsel over geven. Verondersteld wordt dat zij veel reisde – wat door enkele kenners wordt betwist – naar Italië, Spanje, Engeland en Vlaanderen en dat zij zich uiteindelijk een positie had verworven als dubbelspionne. Daarmee herwon zij enig krediet bij Lodewijk XIV, die met het oog op zijn beraamde veroveringen zeer geïnteresseerd was in de stemming jegens hem in gebieden buiten zijn koninkrijk, zodat zij in 1690 veilig naar Parijs kon terugkeren. Ondertussen was zij van diverse mannen zwanger geraakt; er wordt gezegd dat een van haar kinderen een kind was van de Engelse koning. Hoezeer zij in haar jeugdjaren ook vernederd was en getraumatiseerd door de bruutheid van baron d'Aulnoy, toch zou ze met volle teugen van de lichamelijke liefde genieten; ze zou ook een zeer aantrekkelijke vrouw zijn geweest. Ondanks het feit dat ze van adel was en gezien de populariteit die haar vanaf 1690 te beurt zou vallen, is het merkwaardig dat er maar een enkel portret van haar bekend is, waarop zij een jaar of vijftig is.

Schrijfsterscarrière en overlijden Terug in Parijs – de ban was opgeheven – vestigde zij zich in de rue Saint-Benoît en was zij weer welkom aan het hof van Lodewijk XIV die inmiddels zijn Kasteel van Versailles betrokken had. In ruil voor deze clementie diende zij twee religieuze teksten te schrijven. Het werden – en enig opportunisme was haar niet vreemd – Sentiments d’une âme pénitente (Zo voelt een ziel die boeten moet), naar psalm 50, Miserere mei Deus en Le Retour d’une âme à Dieu (Een ziel keert terug tot God), naar psalm 102, Bendic anima mea.

Mede door de vijandigheid die in die tijd ten aanzien van vrouwen heerste – net als eerder die eeuw rond 1630 –, de steeds grotere minachting van de Zonnekoning, zijn dictatoriale en oorlogszuchtige optreden en haar eigen, niet zo vrolijke ervaringen met de liefde en relaties met mannen, zocht zij contact met andere dames uit de gegoede milieus om geregeld bijeen te komen en elkaar verhalen te vertellen en deze ook op te schrijven en verder uit te werken. Deze groepen dames werden in de Franse literatuur bekend als de salonnières, de opvolgsters van de précieuses van eerder die eeuw die door Molière als Les Précieuses ridicules vereeuwigd werden. Er kwamen slechts enkele mannen naar de bijeenkomsten, zoals onder anderen Charles Perrault en Louis de Mailly.

Behalve verhalen schreef Madame d'Aulnoy ook liefdesromans en reisverhalen. Van sommige reisverhalen wordt beweerd dat ze deze bijna klakkeloos moet hebben overgeschreven, omdat betwijfeld wordt of ze ooit op de beschreven plaatsen is geweest. Hier speelt weer de onduidelijkheid over haar levensloop haar biografie parten. Madame d'Aulnoy overleed in januari 1705 in haar woning in de rue Saint-Benoît en werd begraven op het kerkhof van haar parochiekerk Saint-Sulpice.

Vertelstof Madame d'Aulnoy was niet de uitvindster van het geschreven of literaire sprookje. Aan haar werken gingen immers vooraf de Griekse mythen en sagen, de Verhalen van Duizend-en-een-nacht, de Decamerone, de Heptamerone, de Pentamerone en de Lais van Marie de France. Wél introduceerde zij, eigenlijk toevallig, de term contes de fées, die in het Engels vertaald werd als fairy tales – al binnen het jaar na publicatie van haar eerste bundel – en dit woord is in het Angelsaksische taalgebied dan weer het equivalent geworden voor het Nederlandse woord sprookje. De definiëring van sprookje sluit echter niet naadloos aan op wat Madame d'Aulnoy contes de fées noemde en het is zelfs maar de vraag of haar verhalen sprookjes zijn in de ware betekenis van het woord, als die ware betekenis al zou bestaan. Opmerkelijk is, wat dit betreft, dat in een negentiende-eeuwse Nederlandse vertaling van enkele verhalen van Madame d'Aulnoy, deze de benaming Toover-vertellingen kregen, wat zeker een waardevolle vondst was.

Hoezeer ook te discussiëren valt over de normen waaraan een verhaal moet voldoen om een sprookje te zijn, het valt niet te ontkennen dat Madame d'Aulnoy deze normen vaak, en met zekere wellust, aan haar laars lapte. Ze gaf bijvoorbeeld beschrijvingen van voor haar actuele situaties, zodat het verhaal in de tijd kon worden geplaatst; atypisch voor sprookjes, die vaak beginnen met "er was eens". In het verhaal Serpentin Vert (Green Serpent) krijgt de bedroefde prinses een boek dat pas verschenen is, Psyché, geschreven door un auteur des plus à la mode […] en beau langage. Dit is een overduidelijke verwijzing naar La Fontaine's roman Amours de Psyché (1669). Ze verwees zelfs in een van haar verhalen naar een beroemde Parijse bakker, en bepaalde taferelen zijn beschrijvingen van de pracht en de praal die zij met eigen ogen aan het hof van Lodewijk XIV in Versailles heeft gezien. De verhalen die zij en haar collega's schreven waren doorgaans hervertellingen van klassieke thema's. Gezien hun goede opvoeding waren zij allen vertrouwd met werken uit de Griekse Oudheid, met de al genoemde zestiende-eeuwse, Italiaanse verhalencanons en zelfs met de liefdesverhalen (Lais) van de dertiende-eeuwse Marie de France. Geen wonder dat we ook in de verhalen van Madame d'Aulnoy deze thema's en zelfs al bestaande, maar nu door haar navertelde verhalen zien terugkomen. In La chatte blanche (De witte kat) bijvoorbeeld, nam zij het hele Rapunzel-verhaal mee op. (Overigens was het hieraan te danken dat dit verhaal ter ore kwam van de gebroeders Grimm, want Franse hugenoten waren na de herroeping van het Edict van Nantes onder andere naar Duitsland uitgeweken en hadden de nodige Franse literatuur in hun bagage meegenomen. De vertaling van het Rapunzel-verhaal (versie Madame d'Aulnoy, maar al eerder voorkomend bij Giambattista Basile als Petrosinella) door ene Friedrich Schulz (eind achttiende eeuw) was de Grimms zeer welkom).

Wat de salonnières schreven, vond gretig aftrek bij het publiek, dat zeker niet zo ongeletterd was als vaak wordt verondersteld, en de uitgevers smeekten de dames om meer. Het was voor Madame d'Aulnoy de drijfveer – ook uit financiële overwegingen, want haar man had haar onterfd – om uiteindelijk vierentwintig verhalen te schrijven in twee jaar tijd. Samen met haar collega's zijn in een periode van ongeveer tien jaar ruim honderd dergelijke verhalen uitgegeven. Na een zekere terugval kwam er midden de achttiende eeuw een remonte, en schreef Jeanne-Marie Leprince de Beaumont La Belle et la Bête, eveneens een opnieuw vertelde klassieker. Ook Madame d'Aulnoy had er zo enkele, waaronder Serpentin vert (Groene draak), ook een belle-en-het-beestverhaal, maar zij is dus niet de auteur van het onder andere door Walt Disney beroemd geworden La Belle et la Bête.

Enkele salonnières uit de periode van Madame d'Aulnoy: Mlle L'Héritier, Mlle Bernard, Mlle de La Force, Mme de Murat, Mme Durand, Mme d'Anneuil.

Kenmerkend in Madame d'Aulnoy's vertelstijl zijn haar magnifieke, gedetailleerde beschrijvingen van de decors, van de mode uit haar tijd, de levensgewoontes, de pracht en de praal die zo typerend waren voor het regime van Lodewijk XIV totdat dit aan grootheidswaanzin en dictatuur ten onder ging.

Slalommend tussen haar soms nogal bijtende, absurde humor en spot door liet Madame d'Aulnoy overigens niet na om, verbloemd weliswaar, kritiek te uiten op de toenmalige expansieve, martiale politiek van Lodewijk XIV én op het extreme machogedrag van vele mannen. In haar verhaal L'Île de la Félicité (zwaar geïnspireerd door het verhaal Guingamor, dat waarschijnlijk van Marie de France is, en door enkele verhalen uit Ovidius' Metamorfosen) hekelde zij het feit dat mannen meer waarde hechten aan zichzelf dan aan de liefde die zij met een vrouw beleven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Madame d'Aulnoy in haar verhalen vaak de rol van de held toebedeelde aan een vrouwelijk personage. Je zou kunnen zeggen dat zij een feministische inbreng heeft gehad in de literatuur; haar verhalen feminiseerde. Het is trouwens wegens dit aspect, dat zij en haar werk ook nu nog ijverig bestudeerd worden, juist door wetenschappers in gender- en vrouwenstudies, en minder om haar puur literaire kwaliteit. Men noemt Madame d'Aulnoy ook wel een pre-feministisch schrijfster.

Zij was zeker geen schrijfster kinderverhalen, zoals zij vaak wordt gecategoriseerd, ook al worden tegenwoordig uitgaven van haar werk op kindermaat uitgebracht. Madame d'Aulnoy schreef verhalen voor volwassenen; er bestond in haar tijd sowieso geen specifieke literatuur/lectuur voor kinderen. Zelfs de allereerste uitgave van de werken van de gebroeders Grimm begin 19e eeuw, was bestemd voor volwassenen. Pas toen bleek dat ook kinderen hun sprookjes lazen, brachten de Grimms de nodige aanpassingen aan. Terwijl in de eerste editie van Hans en Grietje het nog hun eigen moeder was die hun vader opstookte de kinderen weg te voeren, werd dit personage in latere edities een stiefmoeder.

Onder volwassen lezeressen, ook minder gegoede, was zij zeer populair en haar verhalen werden vaak in gedrukte vorm via colportage (aan huis) aan de vrouw gebracht. Haar lezeressen genoten van de beschreven pracht en praal, maar ook van haar verholen kritiek op de man.

Bekendheid Nederlandse-taalgebied