De Wet internationale misdrijven (WIM) is een op 1 oktober 2003 in werking getreden Nederlandse wet die de strafbepalingen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in het Nederlandse recht implementeert. De wet vervangt de Uitvoeringswet genocideverdrag, Uitvoeringswet folteringverdrag en grote delen van de Wet oorlogstrafrecht. Met de WIM beoogt de wetgever de verschillende internationale misdrijven zo veel mogelijk in één wettelijke regeling te concentreren. In de WIM zijn genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijning strafbaar gesteld.

Geschiedenis Met de toetreding van Nederland tot het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof verplichtte Nederland zich ook om, op basis van het complementariteitsbeginsel,Het complementariteitsbeginsel is opgenomen in de preambule en artikel 1 en bepaald, kort gezegd, dat het Internationaal Strafhof "complementair zal zijn aan de nationale jurisdicties in strafzaken". de delicten uit het Statuut strafbaar te stellen.Opsporingsonderzoeken in Nederland van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, Brief van de Minister van Justitie Kamerstukken II 2000/01, 26 262, nr. 9, paragraaf 1 Uit het complementariteitsbeginsel vloeit namelijk voort dat staten in eerste instantie zelf de internationale misdrijven dienen te vervolgen. Daarom moeten, volgens de regering, staten die partij zijn bij het Statuut zelf "in hun nationale wetgeving in adequate rechtsmacht en strafbaarstellingen [...] voorzien." Voor de implementatie van het Statuut had Nederland de keuze tussen implementatie in bestaande wetgeving of implementatie in een geheel nieuwe wet. De regering koos voor de implementatie in een nieuwe wet, omdat implementatie in reeds bestaande wetten tot versnippering zou leiden – wat de over- en inzichtelijkheid van de implementatie zou aantasten.De implementatie in een zelfstandige wet werd daarentegen juist praktisch en overzichtelijk geacht. Ook hechtte de regering er belang aan dat het voor andere landen direct inzichtelijk is hoe Nederland het Statuut heeft geïmplementeerd. De regering meende namelijk dat Nederland als gastland van het Strafhof een voorbeeldfunctie had en dat andere landen met belangstelling naar de Nederlandse implementatie uitkeken. Tot slot vond de regering implementatie in een eigen wet het sui-generis-karakter van de bepalingen beter benadrukte.Opsporingsonderzoeken in Nederland van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, Brief van de Minister van Justitie Kamerstukken II 2000/01, 26 262, nr. 9, paragraaf 2 Wel wilde de regering het Statuut in twee verschillende wetten implementeren. In één wet zouden dan de procesrechtelijke aspecten (voornamelijk met betrekking tot samenwerking en rechtshulp) geregeld worden. In de andere wet konden dan de materieelrechtelijke bepalingen met betrekking tot de delicten komen te staan. Het was oorspronkelijk de bedoeling van de regering om de bestaande nationale wetgeving volledig te vervangen door de gehele Wet oorlogstrafrecht (WO) te herzien. Deze moest daarvoor uitgebreid worden met de strafbaarstelling van misdrijven tegen de menselijkheid, genocide en foltering. De Uitvoeringswet genocideverdrag en Uitvoeringswet folteringverdrag zouden dan ingetrokken worden. Ook zou de WO hernoemd moeten worden, aangezien het dan ook misdrijven zou omvatten die buiten oorlogstijd gepleegd konden worden. Uiteindelijk liep het anders. Het processuele gedeelte krijg zijn plaats in de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof, maar het materieelrechtelijke gedeelte kwam niet in de WO te staan, maar in een nieuwe Wet internationale misdrijven.

Invoering Wet internationale misdrijven De verschillende delicten werden in de nieuwe Wet international misdrijven opgenomen, die daardoor de Uitvoeringswet genocideverdrag en de Uitvoeringswet folteringverdrag verving, maar de Wet oorlogstrafrecht werd niet vervangen. Wel werd de WO aangepast; de materieelrechtelijke bepalingen inzake oorlogsmisdrijven werden ondergebracht in de WIM.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3 (MvT), paragraaf 1. Volgens de regering was de gehele vervanging van de WO vanwege doelmatigheidsoverwegingen niet opportuun. Immers, had de WO oorspronkelijk een geheel eigen karakter van een oorlogswet, die specifiek bedoeld was voor de "vervolging en berechting van een aantal delicten die specifiek samenhangen met een gewapend conflict waarin het Koninkrijk verwikkeld is geraakt." De Memorie van Toelichting noemt, onder andere, landverraderlijke feiten, de bevoegdheid van de militaire rechter om kennis te nemen van misdrijven tegen de veiligheid van de staat, oorlogsmisdrijven en andere ernstige misdrijven gepleegd in oorlogstijd en de instelling van de bijzondere rechtspleging. Door de splitsing herkreeg de WO weer dit oorspronkelijke karakter van een oorlogswet.

Met de totstandkoming van de WIM zijn alle internationale misdrijven in één wet geconcentreerd. Ook de misdrijven tegen de menselijkheid vinden hierdoor een plaats in het Nederlandse strafrecht; voor de WIM konden deze misdrijven niet als zodanig worden vervolgd, wat als een groot gemis van het oude regime werd gezien. De concentratie van internationale misdrijven in één wet zorgt er tevens voor dat de algemene regels van het commune strafrecht op alle misdrijven gelijk van toepassing zijn.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3 (MvT), p. 25.Vergelijk art. 91 Sr.De algemene beginselen van het commune strafrecht zijn opgenomen in boek 1 van het Wetboek van Strafrecht. Voor de invoering van de WIM had elke wet nog zijn eigen uitzonderingen. Door de invoering van de WIM zijn nu dezelfde regels op alle internationale misdrijven van toepassing. Daarbij heeft de wetgever als uitgangspunt genomen dat alleen van het commune strafrecht afgeweken wordt indien het complementariteitsbeginsel hiertoe dwingt. Volgens de regering is hier alleen sprake van als de Nederlandse wetgeving bepaalde regels niet kent of daar duidelijk van afwijkt. In de overige gevallen (waar de Nederlandse regels maar miniem van de regels in het Statuut afwijken) moet de rechter de nationale rechtsbeginselen een eigen inkleuring te geven.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3 (MvT), p. 29. De belangrijkste uitzonderingen op het algemene deel van het Wetboek van Strafrecht betreffen: een afwijkende regeling met betrekking tot extraterritoriale rechtsmacht; aansprakelijkheid van de meerdere; de strafuitsluitingsgrond wettelijk voorschrift of (on)bevoegd gegeven ambtelijk bevel; uitsluiting van de politieke exceptie bij uitlevering; uitsluiting van de verjaringstermijn, en; een speciale regeling voor strafrechtelijke immuniteiten., Commentaar op aanhef WIM, in: (red.), Tekst & Commentaar Internationaal strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015 (boek en online), aantekening 2b.

Wet internationale misdrijven De WIM bevat, naast de omschrijving van de hoofdmisdrijven genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering en gedwongen verdwijning, diverse eigen bepalingen die afwijken van het commune strafrecht. Artikel 2 WIM vestigt de rechtsmacht voor de Nederlandse rechter, terwijl artikel 16 WIM de immuniteiten van buitenlandse personen codificeert. In artikel 9 wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid uitgebreid door de aansprakelijkheid van de meerdere en artikel 11 WIM bevat de bijzondere schulduitsluitingsgrond bevel van de meerdere. Artikel 12 WIM sluit het gebruik van de politieke exceptie bij uitlevering uit, artikel 13 WIM betreft een afwijkende verjaringsregeling en artikel 14 WIM voorziet in de ontzetting van kiesrecht. Tot slot regelt artikel 15 WIM de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag om kennis te nemen van misdrijven uit de WIM.

Rechtsmacht De Wet international misdrijven bevat in artikel 2 een aangepaste rechtsmachtbepaling die de bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht aanvult. Artikel 2 WIM gebruikt het woord 'onverminderd' om aan te geven dat rechtsmachtbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Militair Strafrecht van toepassing blijven op de misdrijven uit de WIM. Deze rechtsmachtbepalingen zijn opgenomen in artikel 2 tot en met 8d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 4 en 5 van het het Wetboek van Militair Strafrecht. Deze rechtsmacht in het commune strafrecht is voornamelijk gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel en het vlagbeginsel, dat betekent dat (wil de Nederlandse rechter bevoegd zijn) het misdrijf op Nederlands grondgebied of aan boord van een Nederlands schip of luchtvaartuig moet zijn gepleegd. Deze vormen van rechtsmachtverkrijging gelden voor alle misdrijven, daarnaast kent het commune strafrecht ook andere aanknopingspunten voor specifieke misdrijven.Zo kent het Wetboek van Strafrecht de Nederlandse rechter rechtsmacht toe onder meer op basis van het beschermingsbeginsel, actief en passief personaliteitsbeginsel, secundaire universaliteitsbeginsel.

De Wet internationale misdrijven vult de rechtsmachtsbepalingen uit het commune strafrecht op drie manieren aan. In de eerste plaats vestigt artikel 2 lid 1 sub a WIM secundaire universele rechtsmacht over alle delicten van de WIM. Van universele rechtsmacht is sprake indien "de rechtsmacht [...] uitsluitend is gebaseerd op de aard en ernst van het misdrijf, ongeacht of er een direct aanknopingspunt is met de rechtsorde van de staat die die rechtsmacht claimt".Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3 (MvT), p. 16. Daardoor kan een staat een misdrijf berechten ook al heeft het misdrijf geen enkel aanknopingspunt met deze staat. Er is sprake van secundaire universele rechtsmacht indien de voorwaarden voor universele rechtsmacht gekoppeld zijn aan de aanwezigheid van de verdachte op het grondgebied van die staat die zijn rechtsmacht wil uitoefenen.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3 (MvT), p. 17. De regering zag zich vanwege het complimentariteitsbeginsel genoodzaakt om universele rechtsmacht in de WIM op te nemen.Op basis van dit beginsel dienen staten immers te voorzien in adequate rechtsmacht ter berechting van de misdrijven uit het Statuut. Echter, achtte de regering het niet opportuun om onbegrensde rechtsmacht in de WIM op te nemen. In de eerste plaats volgde dit noch uit het volkenrecht noch uit het Statuut. Daarnaast werden berechtingen bij verstek niet wenselijk geacht voor de in de WIM opgenomen feiten. Tot slot zou het aantal rechtsmachtconflicten oplopen door het vestigen van universele rechtsmacht. Dit zou er zelfs toe kunnen leiden dat staten die een sterkere rechtsmachtclaim hebben geen rechtshulp willen of kunnen verlenen voor de berechting in Nederland.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3 (MvT), p. 18. Naast het vestigen van universele rechtsmacht voorziet de WIM ook in de vestiging van rechtsmacht op basis van het actief en het passief nationaliteitsbeginsel.Artikel 2(1)(b) en (c) WIM. Van actief nationaliteitsbeginsel is sprake indien een staat rechtsmacht verkrijgt doordat het delict door een zijn onderdaan is gepleegd. Bij het passief nationaliteitsbeginsel is juist de nationaliteit van het slachtoffer van belang.

De rechtsmachtregeling van de WIM verving de oudere rechtsmachtregelingen van de WO, Uitvoeringswet genocideverdrag en Uitvoeringswet folteringverdrag. In de WO en de Uitvoeringswet folteringverdrag was reeds voorzien in (secundaire) universele rechtsmacht. Slechts in de Uitvoeringswet genocideverdrag was alleen voorzien in rechtsmacht op basis van het actief en passief nationaliteitsbeginsel. Hierdoor ontstond er een vervolgingsgat ten opzichte van genocide die (voor de inwerkingtreding van de WIM) buiten Nederland werd gepleegd en waar geen Nederland bij betrokken was. Dit vervolgingsgat werd door de Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van internationale misdrijven opgeheven. Deze wet vestigde met terugwerkende kracht universele rechtsmacht over genocide.Zie artikel 21(4) WIM.