Kölob (Tadzjieks: Кӯлоб, Russisch: Куляб, Koeljab, van het Perzische کولاب; kul-āb; "zeewater") is een stad en de hoofdplaats van het gelijknamige district (nohija) in de provincie Chatlon in het zuidwesten van Tadzjikistan. Met 101.200 inwoners (2015) Численность населения Республики Таджикистан на 1 января 2015 года. Сообщение Агентства по статистике при Президенте Республики Таджикистан. is het de vierde stad van het land. In de agglomeratie wonen ongeveer 392.100 inwoners.

De stad vormt vanaf het midden van de 20e eeuw een centrum voor de geïrrigeerde landbouw in het dal van de Jachsoe. Veel leden van de regering in Doesjanbe komen uit deze plaats. In de stad bevindt zich een mausoleum van de 14e-eeuwse soefigeleerde Sayyid Ali Hamadani.

Geografie De stad ligt in het dal van de Jachsoe, op ongeveer 2 km ten oosten van de linkeroever daarvan op een gemiddelde hoogte van 580 meter, aan de voet van de bergrug Hazrati Sjoh (onderdeel van de Pamir). De Jachsoe stroomt in zuidwestelijke richting naar de Kyzylsoe, een zijrivier van de Pandzj. De bergen rond de stad lopen op tot 1017 meter aan westzijde en 1481 meter aan zuidoostzijde. De stad ligt hemelsbreed op 112 km en per weg op ongeveer 190 km ten zuidoosten van de hoofdstad Doesjanbe.

Regio In de middeleeuwen behoorde de stad tot de provincie Chuttal (Kottal) van Transoxanië, die door de invallende Arabieren werd hernoemd tot mā warāʾan-nahr. Chuttal lag aan de overzijde (noordzijde) van de oude Oxus (de huidige Amu Darja, hier Pandzj geheten) en werd in het westen begrensd door de rivier de Vachsj, in het noordwesten door de regio Chaghaniyan en in het oosten door de regio Darvaz. De invloed van de machthebbers van de provincie strekte zich uit tussen de vallei van de Kyzylsoe en de vallei van de Vachsj.B.A. Litvinsky: The Hephthalite Empire. In: B.A. Litvinsky [red.]: History of Civilizations of Central Asia: The crossroads of civilizations: A.D. 250 to 750. Volume III. p. 150 Onder de heerschappij van de Mongolen en de Timoeriden was het gebied beroemd vanwege haar paardenfokkers en zadelmakers. De provincienaam Chuttal werd in de loop van de 16e eeuw gewijzigd naar Kölob, waaruit later het huidige district Kölob ontstond.

Het huidige district (nohija) Kölob is onderverdeeld in 4 subdistricten (dzjamoats). Dit oostelijke deel van de provincie Chatlon is in tegenstelling tot het westelijke deel van de provincie sterk bergachtig met daartussen slechts enkele vruchtbare valleien. De (boomloze) met gras bedekte heuvels dienen als weidegebied, terwijl op de geïrrigeerde lössbodems van de vlakten vooral katoen, tarwe, maïs en groenten worden verbouwd. In 2010 was er 18.717 hectare akkerbouwgrond.Kulob Nohiya. In: Abdullaev, K. & S. Akbarzadeh (2010), Historical Dictionary of Tajikistan, p. 211

Klimaat thumb|Stofstorm in het westen van de stad

Kölob heeft een Mediterraan klimaat (Köppen-subtype csa). De gemiddelde temperatuur bedraagt 15,8 °C en varieert van 2,2 °C in januari tot 28,3 °C in juli. De maxima lopen in juli gemiddeld op tot 28 °C. In de zomer daalt de temperatuur met enkele graden als gevolg van stofstormen, die regelmatig de hele dag de kracht van de zon verminderen. De gemiddelde jaarlijkse neerslag bedraagt ongeveer 470 millimeter en valt vooral in het voorjaar, met name in maart en april. In augustus valt doorgaans bijna geen regen. Gemiddeld telt de stad 72 regendagen.

Geschiedenis Bronstijd en ijzertijd In het zuiden van Tadzjikistan bevonden zich in de bronstijd aan het einde van het 2e millennium v.Chr. en na de overgang naar de ijzertijd een aantal nederzettingen aan de randen van de valleien en in iets hoger gelegen gebieden. In de vroege ijzertijd nam de bevolking toe. De nederzettingen uit deze periode worden in het huidige Turkmenistan gerekend tot de Jaz-I-cultuur. Tot deze overgangsperiode behoort ook de nederzetting Karam-Berdi in het dal van de Kyzylsoe ten noorden van Kölob, die wordt gedateerd op ongeveer 1000 v.Chr. De keramiekvondsten die daar zijn gedaan lijken op de objecten uit dezelfde tijd uit Yaz Tepe aan de rivier de Moergab (Turkmenistan), Dzjarkoetan (Oezbekistan) en Tilla Tepe (Noord-Afghanistan).N.M. Vinogradova & G. Lombardo: Farming Sites of the Late Bronze and Early Iron Ages in Southern Tajikistan. In: East and West, Vol. 52, nr. 1/4, december 2002, pp. 71–125, hier p. 116 In september 2006 liet de Tadzjiekse regering het 2700-jarig bestaan van de stad vieren. En historische basis hiervoor ontbreekt echter. Potten uit de tijd van de Achaemeniden (700 v.Chr.) die in 1993 en 1994 werden gevonden door onderzoekers Pavel Samojlik en Moezaffar Azizov vormen volgens critici onvoldoende bewijs voor het bestaan van een nederzetting in die tijd.

Achaemeniden en Hephthalieten De regio rond Kölob behoorde tot de historische regio Bactrië, die rond 500 v.Chr. een satrapie was van het rijk van de Achaemeniden. Rond 330 v.Chr. trok Alexander de Grote door het gebied en tot ongeveer 300 na Chr. behoorde het tot de invloedssfeer van het Kushanrijk. Tussen ongeveer 500 en 560 was het gebied in handen van de Hephthalieten, die ook de Zijderoutes beheersten. Een van deze Zijderoutes voerde vanuit Türkmenabat in het huidige Turkmenistan aan de Amu Darja via Balch en Kunduz naar het oosten door de historische provincie Darwoz en door Gorno-Badachsjan tot aan Hotan in China (Pamir-route). Een andere route liep ten noorden van Balch over Termiz, Denov, Hisor (Doesjanbe) en Gharm naar Kashgar in China (Karategin-route). Tussen deze beide handelswegen lag de Chatlon-route, die door Kölob liep en aansloot op beide andere handelsroutes. Andere handelsgoederen kwamen uit het zuiden vanuit Mesopotamië via BalchHaussig, H.W. (1983), Die Geschichte Zentralasiens und der Seidenstrasse in vorislamischer Zeit. Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt. p. 80. en later (zo wijzen vondsten bij de ruïnes van Choelboek uit) uit het Irak van de Abassiden.Siméon, P. (2012), "Hulbuk: Architecture and Material Culture of the Capital of the Banijurids in Central Asia (ninth–eleventh centuries)." In: Muqarnas. An Annual on the Visual Cultures of the Islamic World, deel 29, pp. 385-421, hier p. 389 e.v., 407.

Rond 570 vielen Turkse volkeren het vroegere gebied van de Hephthalieten en het door de Sassaniden gecontroleerde Afghanistan binnen. Aan het einde van de 6e en het begin van de 7e eeuw braken vervolgens onrustige tijden aan voor de kleine vorstendommen die waren ontstaan vanuit de Hephthalieten en in het spanningsveld van de Turkse volkeren en de Sassaniden lagen.Harmatta, J., History of the Regions. In: Litvinsky, B.A. [red.] (2010), History of Civilizations of Central Asia, Vol. III. p. 360 e.v.

Omajjaden, Banijuriden en Ghaznaviden In het midden van de 7e eeuw drongen de islamitische Omajjaden het gebied ten noorden van de Amu Darja binnen. Vervolgens bonden ze de strijd aan tegen Tirmidh. In 654 bereikte ze het iets noordelijker gelegen Sogdië, rond 675 veroverden ze de regio Chuttal en in 681 overwinterde een Arabische veldheer voor het eerst met zijn leger ten noorden van de Amu Darja.La Vaissière, E. de (2005), Sogdian Traders. A History. (Handbook of Oriental Studies. 8. Onderdeel: Central Asia, deel 10) Brill, Leiden/Boston 2005, p. 265 e.v. Vanaf 850 beheersten de Samaniden het westen van Transoxanië vanaf de Vallei van Fergana langs Samarkand tot aan Herat, terwijl de regio Chuttal in de 9e en de 10e eeuw werd beheerst door de vermoedelijk uit Iran afkomstige kortstondige dynastie van de Banijuriden. Hun heersers zijn slechts bekend van muntvondsten. De hoofdstad van Chuttal was Choelboek, terwijl geografen uit die tijd naast Kölob ook steden vermelden als Chelawerd (bij Kolchozobod), Andijaragh (aan de gelijknamige rivier), Farghan (Farghar, aan de gelijknamige rivier) en Tamliyat (Tamliat). Na de val van het emiraat van de Samaniden werd het gebied in 1024 veroverd door de Ghaznaviden onder leiding van Mahmud van Ghazni. De 11e-eeuwse ismaïlistische dichter Nasir Chusrau schreef dat Mahmud de vorsten van Chuttal met zijn krijgsolifanten had vertrapt.Fedorov, M., "New Data on the Appanage Rulers of Khuttalān and Wakhsh." In: Iran, Vol. 44, 2006, pp. 197–206, hier p. 201

Inval van de Mongolen De eerste vermelding van de stad Kölob werd gegeven door de 12e-eeuwse historicus Ali Ibn al-Athir, die de inval van de Mongolen in 1220 beschrijft en de daarmee gepaard gaande verovering van Kölob vermeld. In Samarkand verdeelde Dzjengis Khan toen zijn leger en zond een groep van 1000 man naar de Vachsjvallei en naar Kölob, terwijl hijzelf korte tijd later de vesting Tirmidh innam.Barthold, W. (1928), Turkestan Down to the Mongol Invasion. Luzac & Co, London. p. 419

Osmanen Pas in 1555 wordt de stad weer genoemd toen de Osmaanse admiraal Seydi Ali Reis de Amu Darja overstak vanuit Afghanistan om de graftombe van de 14e-eeuwse soefigeleerde Sayyid Ali Hamadani te bezoeken. In Kölob ontmoette hij de heerser van Chuttal, Jahangir Ali Khan. Volgens de admiraal bevond de graftombe zich bij Dali, waarmee hij vermoedelijk het dorp Dili (of Deli, tegenwoordig Imam-Ali) bedoelde, 15 kilometer ten westen van Kölob. Hamadhani was op zijn pelgrimsreis (hadj) van Srinagar naar Mekka gestorven ten zuiden van de Amu Darja in het huidige Afghanistan en was daarop naar deze plek gebracht. Vermoedelijk werd zijn tombe tussen 1584 in 1594 verplaatst naar het huidige mausoleum in Kölob.

Kölob was ook in die tijd een belangrijke handelspost tussen Hisor in Afghanistan. In 1584 kreeg het de status van vorstenzetel (dār al-molk). Er bevonden zich toen een groot aantal mektabs (lagere scholen), madrassa's (middelbare scholen) en verschillende werkplaatsen voor handwerken en handelsondernemingen.

Ergens voor het begin van de 17e eeuw ging de naam van de stad over op de hele regio Chuttal. Later werd deze regio Kölob onderverdeeld in het huidige district Kölob in het zuidoosten en het district Baljovan ten noordoosten daarvan.

Oezbeekse invloed: Shajbaniden, Asjtarachaniden en de Lakai De Oezbeekse heerser Abdullah II van de dynastie van de Shajbaniden wist eind 16e eeuw vanuit Buchara heel Chorasan op de Safawiden. In 1584 nam hij ook de vesting van Kölob in. In het jaar erop plunderde hij Herat en Merv. Zijn neef droeg hem op om een farsak (farsang, 5 kilometer) vanaf de verwoeste vesting Kölob een nieuwe vestiging te bouwen; mogelijk op de plek van de huidige stad. In de periode daarop bloeiden de handel in landbouw weer op.Hambly, G. [red.] (1966), Zentralasien. (Fischer Weltgeschichte, Deel 16) Fischer, Frankfurt am Main. p. 180

In de 17e eeuw was het gebied in handen van de opvolgers van de Shajbaniden; de Oezbeekse dynastie van de Asjtarachaniden. In die tijd volgden verschillende leenheren elkaar op als bestuurders van de regio Kölob. Nadr Mohammad, de vorst van Balch en Badachsjan, stelde in de eerste helft van de 17e eeuw zijn 11-jarige zoon als gouverneur van Kölob aan. Deze lukte het om de plunderingen van de Kirgizische stammen door militair ingrijpen te beëindigen. Na hem volgden achtereenvolgens 2 van zijn broers hem op als bestuurder van het gebied, die echter slechts kort regeerden. Onder hun heerschappij werd er echter wel zoveel graan verbouwd, dat ze hun belastingen konden betalen in goud. Vermoedelijk ging de macht vervolgens van de Asjtarachaniden over naar de Oezbeekse stam Lakai, die het gebied binnendrong vanuit het noordwesten. Een andere machtsfactor was de Oezbeekse stamfederatie Qataghan, wiens machtsbasis iets zuidelijker lag, in de Afghaanse provincie Kunduz. De invloed van de beide Oezbeekse groepen eindigde in 1751 toen ze werden onderworpen door de Afghaanse heerser Ahmad Shah Durrani, die hun gebieden inlijfde bij zijn Durranirijk (1747–1826). Kölob viel hier buiten, maar de rooftochten die de lokale heersers uit Kölob ondernamen tegen Durrani moesten ze wel bekopen met zware verliezen.