|} De Kirnitzschtalbahn is een regionale tramlijn in Saksisch Zwitserland in de Duitse deelstaat Saksen. De metersporige tramlijn vertrekt in Bad Schandau en volgt het Kirnitzschtal tot de Lichtenhainer Wasserfall (waterval). De tram rijdt sinds 1898 door het Nationaal Park Sächsische Schweiz en vervoert in de eerste plaats toeristen. De lijn wordt uitgebaat door de Oberelbische Verkehrsgesellschaft Pirna-Sebnitz mbH.
Trajectbeschrijving De Kirnitzschtalbahn heeft haar beginpunt bij het stadspark van Bad Schandau en eindigt aan de Lichtenhainer Wasserfall ten zuiden van Lichtenhain, wijk van Sebnitz. Onderweg worden zeven haltes bediend. De lijn is volledig enkelsporig en ligt aan de zijkant van de Saksische staatsweg 165 (Kirnitzschtalstraße). Tussen de tweede en derde halte, iets buiten Bad Schandau, bevindt zich onmiddellijk naast de lijn de stelplaats. De trams kunnen kruisen ter hoogte van twee wisselplaatsen die gelegen zijn aan de stelplaats (zogenaamde Depotweiche) alsook op de vrije baan tussen de haltes Forsthaus en Nasser Grund (zogenaamde Schneiderweiche). Aan beide eindpunten bevindt er zich verder een omloopspoor.
Geschiedenis Voorgeschiedenis miniatuur|links|Eindpunt Lichtenhainer Wasserfall in 1910 Om het toerisme te bevorderen, verschenen al in 1870 de eerste plannen om een paardentramlijn aan te leggen door het Kirnitzschtal. In 1893 werd het "Uitvoerend comité voor de bouw en exploitatie van een tram met motoraandrijving van Bad Schandau via de Lichtenhainer Wasserfall tot aan de Kirnitzschschänke" (Executiv-Comite zum Bau und Betrieb einer Straßenbahn mit Motorantrieb von Schandau über den Lichtenhainer Wasserfall bis zur Kirnitzschschänke) opgericht. Er zou een traject van Schandau (sedert 1920 Bad Schandau) Bahnhof via Felsenmühle, Lichtenhainer Wasserfall en Neumann-Mühle naar Kirnitzschtalschenke in Hinterdittersbach aan de Saksisch-Boheemse grens worden aangelegd. Er werd ook een verlenging gepland via Rainwiese (thans Mezní Louka), Herrnskretschen (thans Hřensko) en terug naar Schandau waardoor een ringlijn zou ontstaan.
Op 22 december 1893 werd het traject goedgekeurd en op 7 maart 1894 ging ook de gemeenteraad van Schandau akkoord. De werken zouden moeten uitgevoerd worden door de Continentale Gesellschaft für elektrische Unternehmungen Nürnberg. Vanuit kostenstandpunt bleef de tractiewijze voor betwisting zorgen: de Saksische regering weigerde stoomtractie, maar de gemeenteraad van Schandau sloot dit niet uit. Aangezien het begin van de bouw vanuit diverse hoeken geëist werd tegen 1 april 1897, werden tot mei 1897 eerst de sporen gelegd. De keuze voor de tractiewijze duurde nog tot 1898 en pas op 10 januari 1898 werd gestart met de bouw van de elektriciteitscentrale.
Uiteindelijk werd enkel het traject tot aan Lichtenhainer Wasserfall aangelegd. De oorspronkelijk geplande lijn werd vanuit kostenoogpunt ook later niet gebouwd. Ook het traject van het station van Schandau naar het stadscentrum werd niet gebouwd omwille van protest van lokale winkeliers, veerlieden en herberghouders. Zodoende ontstond er evenmin goederenverkeer en de lijn speelde geen rol in het woon-werkverkeer.
Opening van het traject In mei 1898 kwamen de eerste zes, door de Waggon- und Maschinenfabrik AG vorm. Busch gebouwde motorwagens aan. Op Pinksterzaterdag 27 mei 1898 om 12.00 uur vertrokken de eerste trams vanuit het centrum van Schandau in de richting van Lichtenhainer Wasserfall; door enkele ontsporingen werd de reistijd verlengd tot circa 45 minuten. De Kirnitzschtalbahn was van bij het begin een zuiver toeristische lijn, die toen alleen reed van april tot oktober. In het openingsjaar telde de lijn al 80.000 reizigers.
Problemen in de begintijd Ook na de opening van de lijn bleven ontsporingen een probleem; daardoor was elke tram voorzien van een lier en houten blokken. Ook regelmatige schade aan de tractiemotoren en de stroomafnemers leidden tot exploitatieproblemen. Toch stegen de reizigersaantallen in 1920 tot circa 200.000, met uitzondering van de zeer zwakke jaren tijdens de Eerste Wereldoorlog en de jaren van de hoge Duitse inflatie (1914 - 1923).
De nacht van 26 op 27 juli 1927 was ongetwijfeld een van de donkerste uit de geschiedenis van de Kirnitzschtalbahn, omdat een brand de stelplaats en het volledige voertuigenpark vernielde. De exploitatie werd midden in het toeristisch seizoen twee weken onderbroken. Uit deze tijd dateren ook de eerste plannen tot opheffing van de lijn. Al op 12 augustus 1927 kon de exploitatie opnieuw worden opgestart met trams geleend van de Lößnitzbahn. Deze bleven in het Kirnitzschtal rijden tot aan het einde van het toeristenseizoen, 31 oktober 1927. Bij de aanvang van het seizoen 1928 beschikte de lijn over elf eigen nieuwgebouwde trams van MAN.
In 1939 vormde de stillegging van de lijn nogmaals onderwerp van debat en plande men de omvorming van de Kirnitzschtalbahn tot trolleybuslijn. De uitbraak van de Tweede Wereldoorlog doorkruiste dit plan en vanaf 6 mei 1940 werd het verkeer op de lijn vanwege de oorlog stilgelegd.
Naoorlogse periode, tijdelijke stilleggingen miniatuur|Tram aan het eindpunt te Bad Schandau De exploitatie werd hervat op 7 juni 1945.
Op 23 juni 1969 werd de Kirnitzschtalbahn met circa 350 meter ingekort tot de huidige lengte. Op dat ogenblik werd het traject in de binnenstad van Bad Schandau als gevolg van het toenemende verkeer stilgelegd. Naast de vroegere eindhalte Hotel Lindenhof verdween ook de tussenliggende halte Forellenbrücke. Gelijktijdig kwam de nieuwe eindhalte met omloopspoor Stadtmühlenplatz – thans Kurpark genoemd – in dienst.
Slechts kort na de inkorting deed er zich op 21 juli 1969 een volgend ongeluk voor: een motorwagen kantelde om, als gevolg van een verbreding van het spoor, en stortte van de dijk van de Kirnitzsch naar beneden. Alle inzittenden raakten gewond. Na controle van het traject werden nog andere gebreken vastgesteld, zodat de lijn van hogerhand gesloten moest worden. De herstelling nam veel tijd in beslag door het gebrek aan materiaal en andere factoren die te wijten waren aan de planeconomie van de DDR. Pas op 25 juli 1972 kon de lijn gedeeltelijk worden heropend. Verdere vernieuwingen van de infrastructuur bleven uit.
In 1973 deed zich een frontale botsing voor tussen twee motorwagens.
Als gevolg hiervan werd in hetzelfde jaar het nog steeds gebruikte systeem van de doorgeefstaaf ingevoerd. Met deze procedure mag een bepaald deeltraject van de lijn enkel worden bereden, indien de chauffeur in het bezit is van de staaf van dit deeltraject. De lijn werd hiervoor in drie delen opgesplitst: Stadtpark – stelplaats, stelplaats – Schneiderweiche en Schneiderweiche – Lichtenhainer Wasserfall.
In 1982 kon een nieuwe stillegging van de exploitatie op korte termijn worden afgewend. Nadat in 1985 een tram ontspoorde en de infrastructuur opnieuw aan inspectie onderworpen werd, moest het verkeer na het constateren van verregaande schade aan het spoor en corrosie aan de bovenleidingsmasten opnieuw stilgelegd worden. De exploitant VEB Kraftverkehr Pirna streefde naar een effectieve stillegging van de tramlijn, maar na massaal protest van de bevolking werd deze alsnog afgewend.
Na de Duitse hereniging miniatuur|Een tram is vertrokken aan het eindpunt Lichtenhainer Wasserfall In de jaren 1986 tot 1990 werd de infrastructuur van de Kirnitzschtalbahn eindelijk grondig vernieuwd. Op 16 augustus 1986 kon de exploitatie opnieuw gedeeltelijk worden hervat. Het volledige traject heropende in 1990. In 1993 werden zonnepanelen in gebruik genomen, die een deel van de elektriciteitsbehoefte konden dekken. Een verdere reconstructie van de lijn vond plaats in 2003-2004.
De Kirnitzschtalbahn is met een lengte van bijna 8 kilometer het kleinste trambedrijf in Saksen. De lijn is gedurende geheel het jaar in bedrijf: in de winter rijdt één tram voor een rit om de 70 minuten en in de zomer drie trams die samen een halfuurdienst aanbieden. Parallel aan de tramlijn wordt het Kirnitzschtal ook bediend door een frequent rijdende buslijn.
Op 7 augustus 2010 werd het Kirnitzschtal getroffen door een zwaar hoogwater. Het traject werd gedeeltelijk overspoeld en keerwanden beschadigd. Het volledige historische wagenpark leed motorschade zodat de exploitatie tijdelijk moest stilgelegd worden. Vanaf 28 augustus 2010 werd terug een beperkte dienst aangeboden tussen Stadtpark en Beuthenfall en dit met een aangepaste dienstregeling. De halfuurdienst kon toch gewaarborgd worden. In december 2010 verleende de Landesdirektion Dresden subsidies voor een bedrag van 1,8 miljoen euro voor het herstel van de door het hoogwater veroorzaakte schade. Sinds 14 december 2012 kon de exploitatie tot aan de eindhalte Lichtenhainer Wasserfall worden hervat.
In het regionale plan van de regio Oberes Elbtal/Osterzgebirge is het volgende plandoel opgenomen: De Kirnitzschtalbahn zal als een historisch significant verkeersmiddel bijdragen tot de ontsluiting van delen van Saksisch Zwitserland en zal voorbij de huidige eindpunten worden verlengd naar de Elbe (veerdiensten, S-Bahn, Sächsische Dampfschiffahrt), respectievelijk naar Neumannmühle.
Reizigersaantallen 1898: ca. 80.000 1922: ca. 200.000 2008: 209.721 2009: 203.118 2010: 155.817 (beperkte exploitatie als gevolg van schade veroorzaakt door hoogwater) 2011: 170.794 (beperkte exploitatie als gevolg van schade veroorzaakt door hoogwater) 2012: 191.964 (beperkte exploitatie als gevolg van schade veroorzaakt door hoogwater)
Voertuigen miniatuur|Zicht op de bestuurderspost van een tram Het oorspronkelijke wagenpark bestond uit zes beglaasde motorwagens en zes bijwagens zonder ramen maar voorzien van gordijnen. Deze werden gebouwd door de Waggon- und Maschinenfabrik AG vorm. Busch uit Bautzen. Alle twaalf rijtuigen vielen ten prooi aan de stelplaatsbrand van 27 juli 1927. Zij werden vanaf 12 augustus 1927 vervangen door van de Lößnitzbahn geleende trams. In 1928 konden de geleende trams terugkeren naar de LößnitzbahnDe Lößnitzbahn is een voormalige regionale tramlijn in Dresden en Radebeul die thans bereden wordt door tramlijn 4 van het tramnet van Dresden. in Radebeul. Ondertussen waren in Bad Schandau elf nieuwe MAN-motor- en bijwagens aangekomen. Eén geleende tram ging pas in 1954 terug naar de LockwitztalbahnDe Lockwitztalbahn is een in 1977 gesloten regionale tramlijn in de omgeving van Dresden tussen Kreischa en Niedersedlitz. op een ogenblik dat zijn zustertrams al meer dan twintig jaar eerder verschroot waren. Daar werd het voertuig nog tot in 1968 in de reguliere exploitatie ingezet.
In 1977 nam de Kirnitzschtalbahn vijf motortrams over van de Lockwitztalbahn die in datzelfde jaar gesloten werd. Deze voertuigen waren tussen 1938 en 1944 gebouwd voor de tram van Erfurt en daarom gingen ze door het leven als „die Erfurter“. Deze trams kregen in 1984/85 koppelingen voor normale standaardbijwagens. In 1984 kwamen in de stelplaats eenrichtingsbijwagens van het type B2-62 aan. Bij deze bijwagens werden de wagenkasten uit Leipzig geplaatst op onderstellen van trams uit Halle (Saale).
Tussen 1992 en 1996 werden drie Gotha-tweerichtingstrams overgenomen van het tramnet van Plauen en nog één extra van het tramnet van Zwickau. In 1996 en 1997 volgden uit Zwickau nog twee bijkomende Gotha-bijwagens. Alle voorhanden zijnde Gothatrams werden in de jaren 1990 grondig gemoderniseerd. Daardoor konden de „Erfurter“s volledig vervangen worden. In 2007 werd de voormalige tram 103 van het openbaarvervoerbedrijf van Jena toegevoegd aan het wagenpark. Dit voertuig stond tussendoor tentoongesteld voor het stationsgebouw van de LößnitzgrundbahnDe Loßnitzgrundbahn is de thans nog bestaande en met stoomtreinen uitgebate smalspoorlijn (750 mm) tussen Radebeul Ost en Radeburg. in Radebeul.