Genderneutraal taalgebruik is een vorm van inclusief taalgebruik waarin geen onderscheid tussen de genders of seksen/geslachten gemaakt wordt. Daarbij worden woorden vermeden die vooringenomen, discriminerend of denigrerend zouden kunnen zijn, omdat een bepaald geslacht of gender de norm zou zijn. Voorstanders van genderneutraal taalgebruik vinden het van belang dat alle lezers zich in teksten kunnen herkennen; vrouwen, mannen, en mensen die zich niet in een van deze identiteiten thuis voelen.

Gevolgen van niet-genderneutraal taalgebruik Versterking van stereotypen en traditionele beelden De voorstanders van genderneutraal taalgebruik wijzen op de negatieve effecten van niet genderneutraal taalgebruik. Dit taalgebruik weerspiegelt volgens hen traditionele beelden over rollen van mannen en vrouwen. Genderneutraal taalgebruik zou deze stereotypen doorbreken, en hiermee een bijdrage leveren aan gelijke kansen voor iedereen.

Volgens de Amerikaanse filosoof Judith Butler kan taal vooroordelen over wat typisch mannelijk of typisch vrouwelijk is construeren of versterken. Mannelijke voornaamwoorden kunnen de indruk wekken dat vrouwen zijn uitgesloten van de groep die beschreven wordt.

Verband met loonkloof Ook is gebleken dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen kleiner is in landen waar het taalgebruik genderneutraal is. Volgens Jennifer Prewitt-Freilino, hoogleraar aan de Rhode Island School of Design, is taal mogelijk een factor in dergelijke ongelijkheid.

Geschiedenis Taal weerspiegelt de culturele, politieke en vanzelfsprekend ook seksuele gewoontes en gebruiken van haar sprekers, zoals de verhouding tussen mannen en vrouwen, de dominante klassen en hun ondergeschikte bevolkingsgroepen, enz. De onderliggende connotaties en implicaties laten zich in dat opzicht niet gemakkelijk veranderen. Zo werd er traditiegetrouw van vrouwen geëist dat ze zich onderdanig of ondergeschikt opstelden tegenover mannen en zich tevens seksueel gematigd gedroegen. Seksuele gewoontes en gebruiken van bevolkingsgroepen die niet voldeden aan de historische rollen die aan (biologische) mannen en vrouwen toebedeeld waren, werden sterk afgekeurd en bij tijd en wijle vervolgd, bijvoorbeeld in de Utrechtse sodomieprocessen van 1730-31.

Beroepen en functies die een vrouwelijke vorm hadden, kregen niet zelden een maatschappelijke lagere waardering of zelfs een uitgesproken negatieve bijklank, zo leidt een mannelijke directeur of leider een bedrijf, terwijl er in de vrouwelijke vorm, directrice en leidster, eerder aan een onderwijsinstelling gedacht wordt. Een secretaris was oorspronkelijk een raadsman die bekend was met de geheimen en vertrouwelijke correspondentie van een instantie (zoals een bestuurscollege). De functie secretaresse, die in de 19e eeuw opkwam, was daarentegen een assistente van een invloedrijke persoon (een zakenman, directeur, e.d.): zij was o.m. verantwoordelijk voor zijn administratie en de briefwisseling. Tevens heeft het Nederlands de Franse vrouwelijke versies van maître “meester” en courtisan “hoveling”, de maîtresse (letterlijk “meesteres”) en courtisane (letterlijk “hofdame, vrouwelijke hoveling”), uitsluitend in hun seksuele betekenis overgenomen.

Zelfs bijvoeglijke naamwoorden en kwalificaties konden in betekenis (én bijklank) voor mannen en vrouwen verschillen: zo was een publieke man iemand die onder het grote publiek bekend was, maar een publieke vrouw werd een eufemisme voor een prostituee. Een gemakkelijke man was sociaal vaardig, maar bij een gemakkelijke vrouw (zonder enige context) werd eerder gedacht dat ze seksueel toegankelijk was.

In het verleden werden mannelijke voornaamwoorden - zoals het woord hij of zijn - veelvuldig in algemene zin gebruikt, d.w.z. van toepassing geacht op zowel vrouwen als mannen. In praktijk is dit vaak nog steeds het geval in de huidige wetgeving en in godsdienstige praktijken en regels. De Amerikaanse feministen Casey Miller en Kate Swift behoorden tot de eerste critici die betoogden dat juist het gebruik van mannelijke persoonsvormen in teksten in gevallen waarin de sekse niet bekend is, voortgekomen zou zijn uit maatschappelijke vooroordelen die al bestonden terwijl de taal zich ontwikkelde. In hun visie bestendigde de Engelse taal een door mannen beheerste, patriarchale maatschappij. In de jaren 1970 schreven ze in het essay "Desexing the English Language" als eersten hierover, dat gevolgd werd door een handleiding voor minder seksistisch taalgebruik, The Handbook of Nonsexist writing (verschenen in 1980). Zij wilden de bestaande taal hervormen, die volgens hen seksistisch was en gebruikt werd om vrouwen uit te sluiten en te ontmenselijken. In de jaren 1980 werden veel andere feministische pogingen gedaan om de taal te hervormen.

In de jaren 1990 raakte de oorspronkelijk Amerikaanse feministische invulling van gender in de betekenis van “het geheel van sociale en culturele kenmerken van een sekse” in bredere kring bekend (mede dankzij de invloedrijke werken van Judith Butler), ook in het Nederlandse taalgebied. De term “geslacht” werd gelijkgesteld aan “biologische sekse” (als vertaling van het Engelse (biological) sex).

Instellingen Sinds de jaren 80 werd er in de omschrijvingen van vacatures steeds vaker om vaardigheden en kwalificaties gevraagd die niet geslachtsgebonden waren of tenminste met een toevoeging “m/v” nader aangeduid werden. Van overheidswege was er weinig tot geen interesse om (impliciete) verwijzingen naar geslacht (of gender) in de administratie of bestuurlijke beslissingen onder de loep te nemen. Onder de verschillende instanties en instellingen was het opvallend dat juist In de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk neutraal taalgebruik onderwerp van discussie werd. In een advies uit 1991 werd geconstateerd dat "exclusief taalgebruik" (taalgebruik dat vrouwen uitsloot) zeer ingesleten en gewoon was geworden en dat aandacht nodig was om het uit te bannen. Vrouwen voelden zich volgens de opstellers niet gelijkwaardig inbegrepen wanneer mannelijke vormen als "zondaar" of "vrijwilliger" gebruikt worden. Ook werd het van belang gevonden om de vrouwelijke en zorgende kant van God te benoemen, omdat deze kant ook in de Bijbel wordt beschreven. Er werd dan ook aanbevolen om niet meer te spreken over "Zijn wil", maar over "Gods wil". Verder was het advies onder meer om niet meer te spreken over "voorvaderen" maar over "voorouders" en bijvoorbeeld meervoud te gebruiken. In plaats van "de gemiddelde parochiaan is trots op zijn kerk" werd "meestal zijn parochianen trots op hun kerk". In de Willibrordvertaling van 1995 werd dan ook vrouwonvriendelijk taalgebruik geweerd.

Diverse vormen van genderneutraal taalgebruik raakten pas in de eenentwintigste eeuw meer ingeburgerd in geschreven en gesproken versies van vele talen. In 2015 werd bekend dat de Vlaamse overheid zou streven naar genderneutraliteit, onder andere op het gebied van de taal. Eerder al stelde de Canadese overheid richtlijnen vast voor genderneutraal taalgebruik. In 2015 stelde het Oostenrijkse leger een taalhandvest op om de taal in het leger meer vrouwvriendelijk en minder discriminerend te maken.

In 2016 kwam er kritiek op seksistische voorbeelden die in de Oxford English Dictionary stonden. Zo stond er bij het lemma "rabid" (rabiaat) als voorbeelduitdrukking "a rabid feminist". Ook het Nederlandse woordenboek Van Dale zou niet genderneutraal zijn: vrouwen worden meer beschreven op grond van uiterlijkheden, mannen meer op grond van hun innerlijke eigenschappen. Hoofdredacteur Ton den Boon stelde in 2016 dat dit komt doordat de historische dominantie van de man afstraalt op de taalontwikkeling.

In 2018 werkte Google aan het minder seksistisch maken van het taalgebruik. Er werd een poging gedaan om vertaaldienst Google Translate te wijzigen, zodat zowel vrouwelijke als mannelijke vertalingen worden gegeven als zinnen van een sekseneutrale taal worden vertaald naar talen waarin wel onderscheid in sekse wordt gemaakt, bijvoorbeeld in beroepsnamen. Ook de Googledienst Smart Compose, waarmee voorspellingen gedaan worden voor passende zinnen in email, wordt genderneutraler gemaakt. De moeilijkheid bij deze systemen is echter dat ze gebaseerd zijn op Machine Learning, waardoor veel gebruikte patronen als de meest waarschijnlijke voorspelling uit de bus komen. En vaak zijn de mannelijke vormen nog het gangbaarst.

Ook in 2018 verscheen ten behoeve van de vertalers van het Europees Parlement het handboek Gender-Neutral Language in The European Parliament, met algemene richtlijnen voor de verschillende soorten talen en met specifieke richtlijnen voor het Engels. Er werd ook een versie in het Nederlands gepubliceerd.

Methodes voor vermijden van nadruk op gender Er zijn verschillende benaderingen om te komen tot genderneutraal taalgebruik: Elke verwijzing naar sekse of gender vermijden, bijvoorbeeld door gebruik van het meervoud (zij/hen/hun) in plaats van het enkelvoud of door het vermijden van de woorden hij/hem/zijn of zij/haar. Het standaardgebruik van de mannelijke vorm zo veel mogelijk vermijden. Geen veronderstellingen maken over iemands gender. Niet de nadruk leggen op iemands gender. Het gebruik van neutrale woorden als 'acteur' voor beide geslachten, of het noemen van beide vormen, 'acteurs en actrices'.

Aanpak Nederlands Er is geen uitgekristalliseerde aanpak voor het genderneutraal maken van Nederlandstalige tekst.

Het Europees Parlement heeft in 2019 een algemeen richtsnoer gepubliceerd, met een bijlage specifiek voor het Nederlands.

Sociale rollen Veel Nederlandse woorden voor sociale rollen en familierelaties zijn genderspecifiek. Bij woorden als moeder, broer, grootvader, neef en tante is het bijvoorbeeld volkomen duidelijk of het een man of vrouw betreft. Daarnaast bevat het Nederlands ook neutrale woorden voor sociale rollen. Voorbeelden daarvan zijn burger, student, individu. Een alternatief voor ‘vader en moeder’ is ‘ouder’. De term partner kan gebruikt worden in plaats van ‘echtgenoot’ of ‘echtgenote’.

Voornaamwoorden van de derde persoon enkelvoud

In het Nederlands is er nog geen ingeburgerd alternatief voor het mannelijk en het vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon enkelvoud (hij of zij). Bij een keuze voor genderneutraal taalgebruik stelt dit de spreker of schrijver voor problemen. Er zijn wel mogelijkheden om het persoonlijk voornaamwoord te vermijden. Een tekst als "De werkgever moet zijn personeel de kans geven zich te laten bijscholen" kan geformuleerd worden als: Principe Voorbeeld weglating van het voornaamwoord De werkgever moet personeel de kans geven zich te laten bijscholen gebruik van tweede persoon enkelvoud Als werkgever moet je je personeel de kans geven zich bij te scholen gebruik van de meervoudsvorm Werkgevers moeten hun personeel de kans geven zich bij te scholen gebruik van de passieve vorm Personeel moet van de werkgever de kans gegeven worden zich bij te scholen

Beroepsnamen In het Nederlands zijn de namen van sommige beroepen genderneutraal, maar heel veel namen ook niet. Sommige namen waren in het verleden niet genderneutraal, en zijn later neutraler gemaakt, bijvoorbeeld de termen verpleegster/zuster en broeder zijn vervangen door het genderneutrale verpleegkundige, en vroedvrouw is vervangen door verloskundige.

Er worden vijf categorieën van beroepsnamen in het Nederlands onderscheiden:

Binaire beroepsnamen met een exclusieve mannelijke variant. Een voorbeeld is boer en boerin. Boer wordt exclusief voor een man gebruikt, boerin voor een vrouw. Binaire beroepsnamen met een inclusieve mannelijke variant. In deze categorie is de mannelijke vorm bruikbaar voor zowel mannen als vrouwen. De vrouwelijke vorm geldt enkel voor vrouwen. Een voorbeeld is acteur en actrice. Niet-binaire mannelijke beroepsnamen. Deze beroepsnamen kennen slechts een variant, die ook voor vrouwen wordt gebruikt, zoals burgemeester, hoogleraar of rechter.