350px|thumb|De veronderstelde spreiding van inhoud naar auteur over de boeken Genesis, Exodus, Leviticus en Numeri volgens Richard Friedman. De Jahwist (J) is binnen de documentaire hypothese een van de vier hypothetische bronnen van de Thora (de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, ook wel Pentateuch genoemd), samen met de Elohist, de Deuteronomist en de Priestercodex. J is de oudste bron, die zich met verhalen bezighoudt, en bestaat uit de helft van Genesis, de helft van Exodus en delen van Numeri. J beschrijft een mensachtige God, de zogenoemde JHWH, en richt zich op het territorium van het zuidelijke koninkrijk Juda en personen uit zijn geschiedenis. J heeft een vloeiende stijl en is op grond van deze hypothese rond 950 v.Chr. samengesteld in het koninkrijk Juda.Stephen L. Harris (1985): Understanding the Bible, Palo Alto - Mayfield

Hypothetisch werk Met Jahwist wordt in de Bijbelwetenschap het oudere werk aangeduid dat de basis vormt van de Thora en de basis vormt voor de verhaalconstructies erin. Het werk is niet als zelfstandige eenheid bewaard gebleven. Het is een literatuurwetenschappelijke hypothese.

Net als de Priestercodex (P), het boek Deuterojesaja, bron Q en andere geschriften, behoort Jahwist tot de hypothetische werken die worden gebruikt in de Bijbelwetenschap om de ontstaansgeschiedenis van de huidige boeken van de Bijbel te begrijpen. Van deze werken wordt aangenomen dat ze ooit daadwerkelijk in de een of andere vorm hebben bestaan en uiteindelijk zijn opgegaan in de uiteindelijke (canonieke) tekst. Sommige delen zijn ongeschonden overgeleverd, van andere delen alleen woorden, zinsdelen, zinnen of fragmenten van een verhaal. Het analyseren van de uiteindelijke tekst op deze restanten zal waarschijnlijk nooit leiden tot zekerheid over de zelfstandige vorm en inhoud van de Jahwist, dus er zal waarschijnlijk ook altijd wel discussie over blijven.

Aanduiding De gefingeerde naam Jahwist duidt erop dat deze bron al vanaf Genesis 2 de Godsnaam יהוה jhwh gebruikt en de verering van die naam uitdrukkelijk in Genesis 4:26 laat beginnen, terwijl de Priestercodex stelt dat de naam van God pas in Exodus 6:2 aan Mozes werd geopenbaard. In de delen van de oergeschiedenis in Genesis 1-11 gebruikt de Priestercodex in tegenstelling tot de Jahwist אֱלֹהִים ’elohîm, "God" en in de geschiedenis van de aartsvaders vanaf Genesis 17 de aanduiding אֵל שַׁדַּי ’el šaddaj, "de Ontzagwekkende" of naar de Septuagint "Almachtige God". Omdat het wisselen van aanduidingen voor God het belangrijkste verschil was om uit te gaan van verschillende bronnen, lag het voor de hand deze bron naar dit criterium te vernoemen.

Eichhorn sprak van het "document met de naam Jehova" tegenover het "Elohim document".J.G. Eichhorn (1787): Einleitung in das Alte Testament, 2e deel, 2e druk, Leipzig, pag. 278f Hupfeld, door wie de bron later vorm kreeg, sprak van "de bron met Jhvh-istische bestanddelen of het Jhvh-document".H. Hupfeld (1853): Die Quellen der Genesis und die Art ihrer Zusammensetzung­, Berlin, pag. 101 Uiteindelijk was het Wellhausen die de bron "Jahwist" of "J" noemdeJ. Wellhausen (1876/1963): Die Composition des Hexateuchs, 4e druk, Berlin, pag. 1f en daar is het bij gebleven. Ook in Engelse literatuur wordt de bron met "J" aangeduid, ook al heet de bron daarin Yahwist.

Omdat het werk op zich ook weer kan onderscheiden in verschillende delen, ontstonden aanduidingen als J1 J2 J3 of Je Jj Jr Ja Jb. Er is zelfs voorgesteld Jahwist op te splitsen in J en L (voor "Lekenbron")O. Eißfeldt (1922): Hexateuch-Synopse, Leipzig of J en N (voor "Nomadenbron").G. Fohrer (1965): Einleitung in das Alte Testament, 10e druk, Heidelberg, pag. 173-179

Als het werk vanuit het oogpunt van de redactiegeschiedenis wordt bekeken, wordt een onderscheid gemaakt tussen de bron vóór redactie, JQ, en na redactie, JR. Latere toevoegingen aan het werk, maar voordat het door redacteur RJP werd samengevoegd met de Priestercodex P, worden aangeduid als JS.Ch. Levin (1993): Der Jahwist (FRLANT 157), Göttingen, pag. 80

Omvang van het werk Bron J begint in Genesis 2:5 met de beschrijving van de wereld voor de schepping. Traditioneel wordt Genesis 2:4b hiertoe ook gerekend, maar dit halve vers kan ook worden beschouwd als een redactionele toevoeging om de overgang van het eerste naar het tweede scheppingsverhaal soepeler te maken.W.H. Schmidt (1973): Die Schöpfungsgeschichte der Priesterschrift (WMANT 17), 3e druk, Neukirchen-Vluyn, pag. 196 opmerking 1; R. Smend (1989): Die Entstehung des Alten Testaments, 4e druk, Stuttgart, pag. 40 De kenmerken van redactie houden op bij Numeri 24. Daarna kunnen naar het voorbeeld van Numeri 20:1 alleen Numeri 25:1a en Deuteronomium 34:5, 6 hier nog toe worden gerekend.Vergelijk J. Wellhausen (1876/1963): Die Composition des Hexateuchs, 4e druk, Berlin, pag. 116 De plaats Sittim zou tegelijk het aangrijpingspunt voor het deuteronomistische geschiedeniswerk kunnen zijn (vergelijk Numeri 25:1 met Jozua 2:1 en Micha 6:5).

Sommigen hebben de Jahwist ook een veroveringsgeschiedenis willen toeschrijven. Eduard Meyer dacht dit aan te treffen in Rechters 1.E. Meyer (1881): Kritik der Berichte über die Eroberung Palaestinas (Num. 20,14 bis Jud. 2,5), ZAW 1, pag. 133-141 Deze aanname heeft geen stand gehouden bij verder onderzoek van Rechters 1.M. Rake (2006): „Juda wird aufsteigen!“ Untersuchungen zum ersten Kapitel des Richterbuches (BZAW 367), Berlin Eenduidige kenmerken van jahwistische redactie kunnen daarentegen wel worden gevonden in de vertelling van Gideons roeping in Rechters 6:11-24 en in de aankondiging van Simsons geboorte in Rechters 13:2-24.W. Böhme (1885): Die älteste Darstellung in Richt. 6,11-24 und 13,2-24 und ihre Verwandtschaft mit der Jahveurkunde des Pentateuch, ZAW 5, pag. 251-274 Hoe dit zich tot de Jahwist in de Pentateuch verhoudt, is niet duidelijk.

Ook Exodus 20:24b volgt jahwistische stijl en taalgebruik: "Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen." De uitspraak is een bijzin bij de altaarwetten in het verbondsboek Exodus 20:22-23:33, die zich tegen de centralisatie van de Jahwecultus in Deuteronomium 12 richt en daarin duidelijk de belangen van de Joodse diaspora behartigt.Ch. Levin (2000): Das Deuteronomium und der Jahwist, in: R.G. Kratz / H. Spieckermann (Uitg.): Liebe und Gebot (FRLANT 190; FS L. Perlitt), Göttingen, pag. 122-126 Omdat het verbondsboek pas met de toevoeging van de tien geboden in de Sinaï-perikoop kwam,Chr. Levin (1985): Der Dekalog am Sinai, VT 35, pag. 180f kan de bijzin niet op de Jahwist teruggaan. Er blijkt echter uit dat de jahwistische redactie geen geïsoleerd verschijnsel was, maar in een bredere religieuze en sociale context moet worden beschouwd.

Niet alleen het verbondsboek ontbrak in het jahwistische werk, maar alle wettische onderdelen van de Pentateuch. De sporen van de jahwistische redactie worden alleen in de verhalende onderdelen aangetroffen. Daarom ontbreekt de Jahwist tussen Exodus 34 en Numeri 10 in zijn geheel en feitelijk grotendeels in de boeken Exodus en Numeri. In Deuteronomium kan alleen de dood van Mozes in hoofdstuk 34 als jahwistisch worden beschouwd. De relatief magere verteldraden hier leiden echter niet tot twijfel aan de hypothese. Het probleem treedt namelijk ook op bij de Priestercodex, die in de oorspronkelijke versie ook maar weinig wetsmateriaal bevatte.

De oudere verhaalketens Parallel aan de vragen rondom de redactiegeschiedenis ontwikkelde zich in recent onderzoek een nauwkeuriger beeld van het pre-redactionele verhaalmateriaal. Onderzoekers werden er steeds meer van bewust dat het verhaal van de Pentateuch op zes grote verhaalketens rust, die als schriftelijke eenheden oorspronkelijk losstaand werden overgeleverd: de oergeschiedenis (Genesis 1-11)F. Crüsemann (1981): Die Eigenständigkeit der Urgeschichte. Ein Beitrag zur Diskussion um den „Jahwisten“, in: J. Jeremias / L. Perlitt (Uitg.): Die Botschaft und die Boten (FS H.W. Wolff), Neukirchen-Vluyn, pag. 11-29 de geschiedenis van de aartsvaders (Genesis 12-35) de geschiedenis van Jozef (Genesis 37 en 39-50) de vertellingen over Mozes (Exodus 2-4) de vertellingen over het dolen door de woestijn door de Israëlieten (Exodus 12 - Numeri 20 en Deuteronomium 34) de vertelling over Bileam (Numeri 22-24) Deze verhaalketens hadden al een lange literaire ontwikkeling doorgemaakt voordat ze door de jahwistische redactie met elkaar werden verbonden.

Redactionele keuze van de bronnen De zes verteleenheden werden in een keer verbonden tot de ons bekende volgorde; omdat deze selectie een duidelijk patroon laat zien, pleit dat er sterk voor dat een eigen redactie aan het werk is geweest. Alle verhalen - behalve één - spelen buiten Israël en Juda. Ze schilderen de dragers van de handelingen af als vreemden: Hagar in de woestijn (Genesis 16), Lot in Sodom (Genesis 13; 19), Abrahams dienaar in Mesopotamië (Genesis 24), Isaak bij de Filistijnen (Genesis 26), Jakob in Haran (Genesis 29-31), Jozef in Egypte (Genesis 39-45), later daar ook de Israëlieten (Genesis 46 - Exodus 12), Mozes in Egypte (Exodus 2) en later in Midjan (Exodus 3-4), het volk dat doolde in de woestijn (Exodus 12 - Numeri 24), Mirjam (Numeri 20:1) en Mozes (Deuteronomium 34:5,6) stierven voor de poort van het beloofde land.

De uitzondering bevestigt de regel: de Abrahamvertellingen spelen zich af in de bergen van Israël (Genesis 12, 16, 18, 21). Maar ook Abraham werd als vreemdeling uitgelegd. Hiertoe werd het land Israël met een kunstmatig onderscheid tussen Israëlieten en Kanaänieten in een bewust anachronisme als een land van vreemdelingen uitgelegd: "In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten" (Genesis 12:6) en "Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven" (Genesis 12:7). Dat de Israëlieten het land zouden bezitten, lag verhaaltechnisch in de toekomst. Het was daarom volstrekt logisch dat Jakob en zijn zonen het land later verlieten en de Israëlieten daarna pas weer terugkeerden. Het jahwistische werk is een geschiedenis van vreemdelingschap. Het richtte zich tot de Judeeërs die niet in hun voorouderlijke land leefden.

De oergeschiedenis De oergeschiedenis berust op een vertelling over de oorsprong van de mensheid, een antropogonie. Net als Enoema Elisj,TUAT III/4, 569 het Babylonische epos over de schepping van de wereld, begon het met de toestand van de wereld voor de schepping: "er [groeide] op de aarde nog geen enkele struik". In tegenstelling tot de Babylonische mythologie bestond de eerste akte niet uit het scheppen van de goden, maar begon met de schepping van de mens. Een enige God ging daarbij als een pottenbakker te werk. Nadat Hij Zijn schepsel adem in de neus heeft geblazen, plantte Hij voor hem een tuin als leefomgeving in het oostelijk geleden Eden. Daarna schiep God de dieren en ten slotte uit een rib van de mens de vrouw (Genesis 2:21,22). De twee oermensen brachten een zoon voort: Kaïn. Hij was de stamvader van een serie generaties die tot Noach en zijn drie zonen Sem, Cham en Jafet leidde. Deze opeenvolgende generaties mondde uit in de volkenlijst in Genesis 10, die de volken van de toenmalige wereld op basis van woonoord en taal indeelde en genealogisch verbond. Omdat de Babyloniërs en Perzen niet werden genoemd, maar wel Assoer, ligt een ontstaanstijd van de 7e eeuw v.Chr. voor de hand. De tegenwoordige toewijzing van de opsomming van volken aan de Priestercodex gaat terug op SchraderE. Schrader (1863): Studien zur Kritik und Erklärung der biblischen Urgeschichte, Zürich en de hem volgende Nöldeke,Th. Nöldeke (1869): Die s.g. Grundschrift des Pentateuchs, in zijn: Untersuchungen zur Kritik des Alten Testaments, Kiel, pag. 1-144 maar is strijdig met de duidelijke opbouw van de Priestercodex, waarin op de zondvloed de genealogie van Sem volgde in Genesis 11:10-26.Vergelijk H. Hupfeld (1853): Die Quellen der Genesis und die Art ihrer Zusammensetzung­, Berlin