thumb|Joodse gedenkplaats in Schipkau (2007) Het verloren transport, de verloren trein of de trein der verlorenen waren de laatste drie treinen waarmee kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog gevangenen werden afgevoerd uit concentratiekamp Bergen-Belsen, toen de Britse troepen het kamp naderden. De gevangenen waren slachtoffer van het nationaalsocialisme.
Bij het wegvoeren van gevangenen uit het kamp werden tussen 6 en 11 april 1945 drie goederentreinen volgeladen met in totaal ongeveer 6800 mensen, die door de SS Austauschjuden (letterlijk ruiljoden) genoemd werden. In feite waren het gijzelaars die op transport werden gesteld. Hun bestemming zou concentratiekamp Theresienstadt zijn, dat toen in het Protectoraat Bohemen en Moravië lag, nu in Tsjechië. Na de bevrijding van het vernietigingskamp Auschwitz in januari 1945 werd in Theresienstadt een gaskamer gebouwd, die echter nooit in gebruik is genomen.
De laatste van deze drie treinen maakte een dertien dagen durende dwaaltocht van meer dan zeshonderd kilometer door delen van Duitsland die nog niet door de geallieerden bezet waren. Het transport kwam uiteindelijk op open spoor tot stilstand in Tröbitz, een kleine gemeente in Brandenburg, zo'n zestig kilometer ten noorden van Dresden.
Op 23 april 1945 vonden oprukkende troepen van het Rode Leger de trein en bevrijdden de levende gevangenen. Ongeveer 200 mensen hadden de reis niet overleefd en in de weken die volgden, stierven door een epidemie nog 320 mensen aan de gevolgen van het dodentransport.
Tijdlijn Het door de trein afgelegde trajectinforiot.de oder Nach der Webseite kz-zuege.de von Heinz Tödter, basierend auf „Nur Gott der Herr kennt ihre Namen“, herausgegeben von Sigrun Wulf, Selbstverlag, 1991, . aufgerufen 23. Apr. 2010.Heimatkalender für den Landkreis Bad Liebenwerda, 1995, S. 90.Erika Arlt: Die jüdischen Gedenkstätten usw, 1999.Hans-Joachim Pohl: Der verlorene Transport. Verkehrsgeschichtliche Blätter, 25 Jahrgang, Berlin 1998, S. 120–124.310px
De drie transporten De leider van de SS, Heinrich Himmler, had in maart 1944 bevolen dat een concentratiekamp geëvacueerd moest worden onder leiding van plaatselijke hogere SS- en politieleiders, wanneer de vijand in de buurt ervan zou komen. Als de vijand in 1945 een concentratiekamp naderde, werden de gevangenen in het kamp dan ook door de SS gedwongen tot dodenmarsen. Een deel van hen werd met treinen naar andere plaatsen en kampen afgevoerd. Een van de bestemmingen was Bergen-Belsen, dat al snel overvol was.
In dit kamp werden vanaf 1943 geselecteerde Joodse gevangenen geïnterneerd die als ruilmiddel konden dienen. Soms zaten zij daar gevangen met hun hele gezin. Deze Joden hadden een neutrale nationaliteit of juist een nationaliteit van de vijand. Ook werden zij daar wel gevangengezet wanneer zij speciale contacten met de vijand hadden. Als geïnterneerde 'ruiljoden' moesten zij geruild worden tegen Duitse geïnterneerde burgers of tegen harde valuta's. Ook wilden de nazi's via deze gevangenen "goed gedrag" van de neutrale landen afdwingen.
Toen de Britse troepen het concentratiekamp Bergen-Belsen in Landkreis Celle naderden, werden van 6 tot 11 april 1945 drie treinen met ongeveer 45 wagons samengesteld. De wagons waren deels verouderde derdeklas personenwagons, deels goederenwagons. De treinen moesten in totaal 6.800 mensen naar het concentratiekamp Theresienstadt overbrengen. Er was geen ontruiming van het gehele kamp voorzien: met goedkeuring van Himmler kwam het op 12 april 1945 tot een plaatselijke wapenstilstand en op 15 april 1945 werd het overbevolkte kamp, waar nog ongeveer 60.000 mensen gevangen zaten, overgedragen aan het Britse leger.
Het eerste transport vertrok op 6 april 1945 met 2.500 mensen vanaf het kampstation van Bergen-Belsen. De route liep zowel ten zuiden als ten westen van de Elbe via Uelzen, Salzwedel en Stendal. Het volgende transport, met 179 mensen, werd de dag erna aan het eerste transport gekoppeld. Op 13 of 14 april 1945 werd dit transport in de buurt van de plaatsen Farsleben en Zielitz bij Maagdenburg door Amerikaanse troepen bevrijd. Een tweede goederentrein met daarin 1.712 mensen, voornamelijk Hongaarse Joden, verliet Bergen-Belsen op 9 april 1945 en bereikte na een tocht van twee weken op 21 april 1945 zijn bestemming: Terezin / Theresienstadt. Het verdere lot van de weggevoerden is niet bekend. Het concentratiekamp Theresienstadt werd op 8 mei 1945 door het Rode Leger bevrijd, dat er 19.000 nog levende gevangenen aantrof.
Tocht van het verloren transport van Bergen-Belsen tot aan Tröbitz De trein voor het laatste transport was bestemd voor 2.400 mensen. De trein werd op 9 april 1945 in het kampstation samengesteld uit 24 oudere derdeklas personenwagons en 22 goederenwagons. Het transport verliet het met tyfus besmette concentratiekamp Bergen-Belsen in de nacht van 10 op 11 april 1945, slechts vijf dagen voordat het bevrijd zou worden. De gevangenen in de trein waren Joodse mannen, vrouwen en kinderen met meer dan twaalf verschillende nationaliteiten. Een derde van hen waren Nederlanders. De kwellende tocht leidde door delen van het nog niet door de geallieerden bezette Duitsland. Het transport ging eerst door Soltau, Lüneburg en Büchen, daarna richting Berlijn waar het uiteindelijk op 18 april 1945 aankwam. Vanaf Berlijn-Spandau reed de trein via Siemensstadt-Fürstenbrunn en de zuidelijke ring naar Neukölln en dan via een verbindingslijn in de richting van Berlijn-Baumschulenweg. Het duurde meer dan een dag om het zwaar verwoeste Berlijn te doorkruisen. Van hieruit reed de trein langs het het traject Berlijn – Görlitz verder naar het zuiden, via Königs Wusterhausen, Lübben en Lübbenau naar Senftenberg. De trein reed over het spoor dat in de volksmond ‘Schippchenbahn’ werd genoemd naar Schipkau waar in de buurt van de snelweg Berlijn – Dresden een tussenstop van twee dagen werd ingelast. Hier leek de tocht bijna ten einde vanwege het vanuit het Oosten oprukkende front dat nog maar op dertig kilometer afstand was. Maar de trein reed door via Finsterwalde en Doberlug-Kirchhain in de richting van Falkenberg.
Tijdens de laatste dagen van de oorlog reed de trein door een onbezette corridor in Midden-Duitsland die steeds smaller werd. Men zocht naar een spoortraject richting Praag dat niet was gebombardeerd door de geallieerden of nog niet was bezet. Tijdens de tocht werd de trein aangevallen door laagvliegende vliegtuigen met machinegeweren en bommen waardoor er ook in de trein doden vielen. Daarop beval de treincommandant de wagons te bespannen met alle witte lakens en doeken die er te vinden waren, als witte vlag.
Tot drie keer toe kwam de trein de tweede goederentrein die tot kort voor Berlijn hetzelfde traject volgde, onderweg tegen: eerst bij Lüneburg, toen bij Hagenow en ten slotte op 17 april kort voor Berlijn. De tweede trein was in de nacht ervoor zwaar getroffen bij een luchtaanval die meer dan 50 doden en ongeveer 250 gewonden onder de inzittenden tot gevolg had gehad.
Door de rampzalige sanitaire en hygiënische omstandigheden in de trein brak een epidemie van vlektyfus uit onder de verzwakte en deels ernstig zieke gevangenen. Velen stierven tijdens de tocht door ziekte of honger. Als de trein stilhield, werden de wagondeuren geopend, de doden naar buiten gedragen en naast de rails begraven.
Op 20 of 21 april 1945 reed de trein met wapperende witte vlaggen richting Falkenberg / Elster door Tröbitz en kwam voor de intussen opgeblazen ElsterbrückeBrug over de rivier de Schwarze Elster. in de buurt van het dorp Langennaundorf bij spoorkilometer 101,6Aan de spoorlijn vanuit Halle (Saale) richting Cottbus. tot stilstand. Op 22 april 1945 werden hier 16 doden begraven in een massagraf. Later, in 1989, werd hier een gedenkplaats aangelegd.
De bevrijding Op de ochtend van 23 april 1945 vonden de oprukkende troepen van het eerste Oekraïense Front van het Rode Leger het transport niet ver van Tröbitz bij spoorkilometer 106,7. Hier was de gesplitste trein de dag ervoor op bevel van de Wehrmacht nog heen gebracht met een kleine locomotief van de bruinkoolcentrale in Beutersitz. Omdat men in de nabijgelegen Reichsstraße 101 rekening hield met gevechtsacties was een deel van de bewaking er al met de locomotief die de trein voort had bewogen, vandoor gegaan in de richting van Doberlug-Kirchhain. Het was een verschrikkelijke aanblik voor de Russische soldaten, omdat in de meeste wagons de doden midden tussen de overlevenden lagen. 28 mensen werden ter plaatse begraven. In totaal stierven 198 mensen tijdens de tocht.
Opvang van de overlevenden Het lijden ging voor de overlevenden van het transport ook na de bevrijding verder. De ernstig zieken verbleven voorlopig in de trein die op 24 april 1945 opnieuw werd verplaatst tot aan de blokpost van de Hansa-mijn bij spoorkilometer 108,9. Vanuit hier liep de kortste weg naar het Nordfeld in Tröbitz waar een gebrekkig veldhospitaal was ingericht. Hier werden nog eens 26 mensen die intussen overleden waren, bij de spoordijk begraven. De mijnwerkersgemeente Tröbitz, die destijds ongeveer 700 inwoners had, werd ineens geconfronteerd met ongeveer 2.000 uitgehongerde, doodzieke mensen die snel moesten worden geholpen. Veel inwoners hielpen en leden van het Rode Leger namen maatregelen om de nood van de mensen te verzachten en te voorkomen dat de vlektyfusepidemie die in de trein was uitgebroken, zich zou uitbreiden. De Russische bezettingsmacht stelde zijn tijdelijke hoofdkwartier in een gebouw in de hoofdstraat van Tröbitz open voor dit doel. Maar ook zetten de Russen de Duitse bewoners van Tröblitz uit hun huizen om plaats te maken.
De overlevenden van het transport die nog sterk genoeg waren, vormden een comité. Dit regelde de verdeling van de levensmiddelen die het Rode Leger had meegebracht, het onderdak in het Nordfeld (een voormalig barakkenkamp voor dwangarbeiders) en de begrafenissen op verschillende begraafplaatsen. Het veldhospitaal werd geleid door Sovjetartsen. Joodse artsen, tot dan toe zelf gevangenen, hielpen bij de verzorging en behandeling van de zieken. Enkelen van hen werden zelf ziek en stierven, zo laten de plaquettes met namen op de Joodse begraafplaats in Tröbitz zien. Meisjes en vrouwen uit het dorp werden als verpleegster ingezet.Renata Laqueur vertelt hierover: “Het ‘ziekenhuis’ was ongelofelijk vuil en verwaarloosd. De verzwakte mensen lagen in een grote ruimte op de grond en niemand wist waar hij matrassen of bedden vandaan moest halen.” miniatuur|Het joodse kerkhof in Tröbitz.