De Carden Loyd-tankettes waren een serie tankettes die werden ontworpen door Carden en Loyd in het interbellum. De bekendste en meest geproduceerde versie is de Mk. VI. De tankette werd wereldwijd verkocht. Ook werd het voertuig in verschillende landen licht gewijzigd en onder licentie geproduceerd, bijvoorbeeld in Polen en Italië. De Carden Loyd is een van de invloedrijkste tankontwerpen geweest uit het Interbellum en was de voorloper van de Universal Carrier.
Voorgeschiedenis De tankette is een type voertuig dat vooral tussen de twee wereldoorlogen populair was. Het idee van de tankette kwam van de koninklijke ingenieur majoor Giffard LeQuesne Martel (1889). Hij had meegewerkt aan de ontwikkeling van de tank in de Eerste Wereldoorlog. Zijn concept voor een 'eenmanstank' was een volledig nieuw idee. Hij bouwde een geïmproviseerd voertuig met een lichte ophanging en een Maxwell automotor. De rupsbanden werden geleverd door Roadless Tractrion Co en de as kwam van een Ford vrachtwagen. Aan de zijden was bescherming aangebracht tegen vuur uit kleine wapens, maar het model was gemaakt van hout.
Zijn tankette werd aangeduid als een gemechaniseerde tirailleur, hulptransportvoertuig en verkenningsvoertuig. Toen hij zijn ontwerp liet zien aan het Britse ministerie van Oorlog kreeg hij een contract om vier stuks te bouwen in 1925, waarmee nieuwe demonstraties en tests gedaan konden worden. Hierna volgden nog acht zogenaamde 'Morris-Martels' om een evaluatie-eenheid te vormen. Nadat bleek dat één persoon niet in staat was om effectief te sturen en schieten op hetzelfde moment, werd er besloten om het idee van een 'eenmanstank' te laten vallen. Wel werd er later één omgebouwd om ruimte te maken voor twee bemanningsleden. In 1927 pakte Crossley het idee van een 'eenmanstank' weer op en bouwde een tankette die op Kégresse rupsbanden reed. Ook andere bedrijven zagen positieve perspectieven in het idee van Martel, waaronder Carden-Loyd Tractors Ltd, opgericht door John Valentine Carden en Vivian Loyd.
Versies Carden Loyd kwam als eerste met een ontwerp naar buiten en deze werd voor het ministerie van oorlog gedemonstreerd in Kensington. Daar werd een tweede voertuig besteld en hierop volgend werden de Mark I en Mark I* ontworpen. Het verschil zat in een verbetering van de ophanging en verhoogde snelheid. In het volgende ontwerp, de Mark II, werden de veertien stalen wielen vervangen voor vier rubberen wielstellen. De Mark III was vrijwel gelijk aan de Mark II, maar hierbij was de ophanging licht verbeterd.
Na deze reeks werd het concept volledig herontworpen. Het originele ontwerp kon door het lage gewicht gemakkelijk vervoerd worden en had ook een lichte motor nodig, maar het had een ernstig tekort aan bescherming en effectief vuur tijdens het rijden. De enige oplossing voor deze problemen was het ontwerpen van een nieuwe tweepersoonstank (Two-mans-tank). Eén prototype werd gebouwd en werd gevolgd door de Mark IV. Dit model was groter, lager, stabieler, had een versterkte ophanging en een zwaardere motor. Ook werd de bovenste leidingsbalk vervangen voor vier kleine ondersteuningsrollen. Dit model werd in 1926 op de markt gebracht als een mobiel machinegeweernest en was uitgerust met een watergekoeld machinegeweer Vickers 7,62 mm (cal.303). Er werd later ook geprobeerd om een nieuwe draaivoet voor het machinegeweer te installeren, zodat er hoger gericht kon worden. miniatuur|260x260px|De 'Tweemanstank'. Vickers-Armstrong zag de prototypes van Carden Loyd in 1927 en had veel interesse. In maart 1928 namen ze het bedrijf Carden-Loyd over, waarbij John Carden werd aangesteld als technisch directeur. In deze tijd werd een nieuw model ontworpen, de Mark V. Het model was vernieuwd en had genoeg kracht om ook als een lichte kanontractor gebruikt te kunnen worden. Een kleine aanhanger met rupsbanden werd hier speciaal voor ontwerpen. Hierop kon een 2-pounder (40 mm) Ordnance-kanon, een 37mm-houwitser, een 20mm-Oerlikonkanon of munitie worden vervoerd. De romp was enigszins groter en de ophanging was verbeterd. De Mark V* werd aangedreven door een Ford model T-motor.
De Mark V was de basis voor de Mark VI, versimpeld voor massa productie en export. Het voertuig woog 1,6 ton en had een open dak. De bestuurder zat aan de linkerkant en het machinegeweer, een 7,62 mm (cal .303) of een 12,7 mm (cal .50), was aan de rechterzijde gemonteerd. Een klein compartiment aan de achterzijde bevatte munitie en reserveonderdelen. De Ford motor leverde 40 pk bij 2500 toeren per minuut en de brandstoftanks waren in de voorzijde gerealiseerd. De topsnelheid was 40 km/h op de weg of vlak terrein en het bereik was gemiddeld 144 km.
De Mark VIb werd aangedreven door een Ford model A benzinemotor met een vermogen van 28 pk en had een versnellingsbak met twee versnellingen. De motor was tussen de twee bemanningsleden geplaatst. Dit leverde geen problemen op in de winter, maar zorgde voor problemen tijdens warme zomerdagen. In de tankette was plaats voor twee bemanningsleden; de bestuurder en een machinegeweerschutter. Het voertuig woog 1,5 ton en kon een snelheid van 48 km/h bereiken.
Het machinegeweer was gemonteerd op een draaivoet met een beperkte draairadius. De voertuigen waren in verhouding met tanks goedkoop te produceren, maar vervulden in beperkte mate wel dezelfde rol. Dat was de voornaamste reden voor veel, voornamelijk Europese, landen om de tankette aan te schaffen. De ophanging was erg ruw. Kleine bladveren werden op hun plaats gehouden door een hoofdligger die een versteviging voor de wielen was. Het was niet de bedoeling om een hoge snelheid te behalen met deze voertuigen. Ondanks de Britse origine zat de bestuurder aan de linkerzijde van de tankette, wat ideaal was voor de overige Europese landen.miniatuur|261x261px|Carden Loyd-tankettes bij het bedrijf Elswick, dat ze ook produceerde.Tot het einde van de productie van de Mark VI in 1935 zijn er drie types ontwikkeld. Het Britse leger kocht 325 (of 348) stuks en deelde deze in in kleine tankcompagnieën. Het vroege model had een open dak. Het tweede exportmodel had wel een gesloten dak met twee kleine koepelvormige uitstulpingen voor de hoofden van de bemanning. Het laatste model was in productie vanaf 1930 en was volledig herzien. De ophanging, rupsbanden en de romp werden verkort, gebouwd van simpele pantserstalen panelen in een trapeziumachtige vorm. Deze versie was het lichtste, simpelste en goedkoopste ontwerp en werd dan ook in de grootste aantallen geproduceerd door de koninklijke geschut fabriek. Uiteindelijk is het voertuig ingezet als verkenningsvoertuig, tankette, lichte kanontrekker, mortier carrier en rookgordijnlegger.
Brits gebruik Het Britse leger kocht 325 (verscheidene bronnen melden 348) stuks aan en gebruikte de tankette voor verkenningsdoeleinden. Ze werden bemand door personeel van het Royal Tank Corps (Koninklijk Tank Korps), alhoewel het de bedoeling was geweest om ze te bemannen met infanterie. Britse strijdkrachten zetten de tankette in Europa in tijdens mei-juni 1940, samen met de Universal Carrier tegen de Duitse troepen. Ongeveer 200 tankettes in totaal namen deel aan de verdediging van de KW-stelling. De tankettes die deelnamen aan de slag in Europa werden vrijwel allemaal achtergelaten bij Duinkerke. De overgebleven stuks werden gemobiliseerd om een eventuele Duitse inval te weerstaan.
Export miniatuur|417x417px|Kaart met de voormalige gebruikers van de Carden Loyd-tankette. De Carden Loyd was tijdens het interbellum de goedkoopste tank die te verkrijgen was. Ter vergelijking, de Renault FT was drie tot vier keer duurder. Dankzij Vickers' wereldwijde bekendheid werd de Mark VI in 1928-1929 aan veel landen gepresenteerd. Niet alleen werden er veel aangeschaft, maar ook werden veel licenties gekocht om een eigen, eventueel gewijzigde versie te produceren.
Export en licenties (6) Nadat het leger de voertuigen had bestudeerd kocht het Belgische leger in 1931 zes stuks van de Mark VI aan om er zelf ook uitvoerige tests mee te verrichten en te gebruiken voor training in de omgeving van Brussel. Het model was gelijk aan de Britse variant, maar had nog een extra ondersteuningsrol per zijde. In dezelfde periode werden de C47 FRC- en FRC-76mm-kanonnen getest. Hierbij bleek dat het loskoppelen van het kanon van de trekker en het installeren van het kanon veel tijd in beslag nam. De Carden Loyd moest daarom als basis gaan dienen voor de kanonnen. Een voertuig werd licht omgebouwd en een het 76mm-kanon werd op de tankette gemonteerd. Het lichte chassis kon echter de terugslag van het kanon niet aan. Daarom zou de vuursnelheid verlaagd moeten worden, maar hierdoor zou het kanon een deel van haar effectiviteit verliezen.Tests met het C47-kanon boden betere resultaten en alle zes Mark VI's werden omgebouwd door de "Fonderie Royale de Canons" ("Koninklijke Kanongieterij") in Luik. Toch had het voertuig nog veel nadelen. De romp draaide te schokkerig om snel te kunnen richten. Bij het richten moest de romp draaien, omdat het kanon in een vaste opstelling was gemonteerd. Zeker in ruiger terrein, zoals in de Ardennen, bleek de 'tankjager' niet naar behoren te presteren en daarom werden de zes voertuigen in 1938 verplaatst van de “Chasseurs Ardennais” (“Ardense Jagers”) naar de “Cyclistes-Frontiere” (“Grenswielrijders”). Toen de Duitsers op 10 mei 1940 België binnenvielen waren de voertuigen in een vaste opstelling geplaatst tussen Vivegnis en Lieze op de westelijke oever van de Maas. Hierbij hebben ze ook daadwerkelijk meerdere schoten gelost. Na de capitulatie zijn de voertuigen door de Duitsers gesloopt.
(2) De Boliviaanse overheid stelde geld beschikbaar voor de aankoop van meerdere pantservoertuigen. Naast drie Vickers 6-ton Mk. E-tanks werden er ook twee Mark VIb-tankettes aangeschaft. In 1932 werden de voertuigen geleverd aan Bolivia. Er was echter geen rekening mee gehouden dat het leger geen enkele ervaring had met betrekking tot pantservoertuigen. Daarom werden er enkele Duitse officieren aangesteld als bevelhebbers van de tanks. Overige bemanningsleden voor beide typen tank, en ook nog voor enkele Rolls-Royce pantserwagens, waren Bolivianen, maar zij hadden slechts een training achter de rug van twee weken. Ondanks dat werden de pantservoertuigen, dus ook de tankettes, ingezet tijdens de Chaco Oorlog tussen Bolivia en Paraguay (1932-1935). Ze werden door de Bolivianen ingezet om de verdediging van het Fortin Nanawa te doorbreken in juni 1933. Deze slag zou later bekend worden als het 'Verdun van Zuid-Amerika'. Een van de tankettes werd uitgerust met een vlammenwerper. Over het lot van deze tankette doen twee verhalen de ronde. Het eerste verhaal luidt dat de bemanning gedwongen was om de tankette te verlaten vanwege ondraaglijke hitte. Het andere verhaal stelt dat de tankette de Paraguayaanse posities wel bereikte, maar daar vast kwam te zitten in de loopgraaf. Wat er met de tweede tankette is gebeurd is niet bekend.
(12) Het Canadese departement voor leger en defensie wilde in 1927 meerdere pantservoertuigen aanschaffen. In 1930 werden er uiteindelijk zes Mark VI-tankettes aangeschaft en in 1931 nogmaals zes. De twaalf tankettes werden verdeeld over drie regimenten; twee naar het R22eR in Quebec city; vier naar het RCR in London, Ontario; en zes naar het PPCLI in Winnipeg, Manitoba. Ze werden ingezet als trainingsvoertuigen en namen deel aan experimenten in koude weersomstandigheden bij Fort Osbourne, Manitoba. Ze vormden de basis voor het te vormen Canadian Armoured Corps (Canadees Pantserkorps). In dit korps werden ze ingezet bij de ‘Bepantserd Gevechtsvoertuig School’ in Camp Borden, Ontario.