thumb|De doodstraf: ethisch verantwoord of niet? Ethiek (Grieks: èthos, gewoonte of zedelijke handeling), moraalfilosofie, morele filosofie of moraalwetenschap is de tak van de filosofie die zich bezighoudt met de kritische bezinning op het juiste handelen. De ethiek probeert de criteria vast te stellen waarmee een handeling als goed of fout kan worden gekwalificeerd, en waarmee de motieven en consequenties van deze handeling kunnen worden geëvalueerd. In de politiek, met name bij het maken van nieuwe (straf)wetten, bijvoorbeeld rondom abortus of euthanasie, speelt ethische bezinning een belangrijke rol. Ethische vragen in het bedrijfsleven vallen onder de noemer van de beroepsethiek, die over het juiste medisch handelen zijn het terrein van de medische ethiek. Daarnaast is de ethiek van het vakgebied, in bijvoorbeeld de geschiedschrijving, biologie en sociologie soms onderwerp van discussie.
Een ethisch filosoof vraagt zich af wat de uiteindelijke normen zijn voor het menselijk handelen. Hoewel in de omgangstaal ’ethisch’ in de betekenis van ’moreel’ wordt gebruikt, gaat het om twee verschillende gebieden: ’moraal’ is het zedelijk handelen zelf, terwijl ethiek de studie ervan is. Er zijn drie kennisgebieden waarin ethiek een belangrijke rol speelt: de wijsbegeerte, de theologie en de medische wetenschap. De term 'ethiek’ wordt daarnaast ook gebruikt voor de ethische principes van een bepaalde traditie, zoals de christelijke ethiek. Dit artikel gaat uitsluitend over de ethiek in filosofische zin.
Ethiek kan verder descriptief (beschrijvend) of prescriptief (voorschrijvend) zijn. Het bestuderen en beschrijven, door een moraalfilosoof, zonder dat deze zelf een moreel standpunt inneemt, is de descriptieve ethiek. Het door ethici zelf ook standpunten uitdragen en verdedigen, is het terrein van de prescriptieve ethiek. De meta-ethiek ten slotte, houdt zich bezig met de vraag wat een ethische waarde is.
Geschiedenis De ethiek is niet de oudste discipline binnen de filosofie, maar ethische regels en voorschriften gaan verder terug dan hun opkomst in de filosofie. Ethiek is niet alleen onderwerp van wijsgerige reflectie en theorievorming, maar vormt ook een belangrijk aspect van het dagelijks leven. Factoren als religie, sekse, maatschappelijke ontwikkelingen en cultuur hebben altijd een invloed gehad op het ethisch perspectief van het individu. In het boeddhisme bestaan vijf voorschriften, die de basisethiek vormen voor een boeddhist. Het jodendom en het christendom kennen de tien geboden, en de islam de sharia. Iedere samenleving heeft dus een eigen, kenmerkende reeks voorschriften of ongeschreven morele wetten en normen, waaraan haar leden zich moeten houden. De filosofische ethiek onderscheidt zich door de wijze waarop ze de normen legitimeert. Terwijl vroegere samenlevingen hun normen baseerden op mythes en gewoontes, onderwierpen de eerste moraalfilosofen deze normen aan een kritisch onderzoek om ze rationeel te funderen.
Oude Grieken thumb|Socrates De ethiek ontstond in de Westerse filosofie bij de oude Grieken. Hoewel er bij de Griekse natuurfilosofen, zoals Heraclitus, "Heraclitus", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, Summer 2011 Edition, bezocht op 18-04-2012. Gearchiveerd op 18 juni 2023. (540 v.Chr. - 480 v.Chr.) en het pythagorisme ethische leerstellingen te vinden waren, waren deze nog sterk in de trant van een mythische of alledaagse levenswijsheid geschreven. Reeds Pythagoras onderwees dat de intellectuele aard superieur is aan de zinnelijke natuur, en dat het beste leven gewijd moet zijn aan mentale discipline. Het ontbrak deze wijsgeren echter nog aan een echte filosofische en rationele fundering van deze ethiek. De ethiek zou pas op de voorgrond komen door Socrates (469 v.Chr. – 399 v.Chr.) en Plato (427 v.Chr. - 347 v.Chr.) die in hun filosofie sterk ageerden tegen het moreel relativisme van de sofisten., Lexicon van de ethiek, Uitgeverij Van Gorcum, 2007, p. 107. De sofisten, zoals Protagoras (490 v.Chr. - 420 v.Chr.) en Gorgias (480 v.Chr. - 376 v.Chr.), stelden vragen bij de heersende ethische normen, door middel van verscheidene retorische technieken. Ze wezen vooral op de dubbelzinnige inhoud van veel ethische begrippen zoals rechtvaardigheid en goed en kwaad: iets kan goed zijn in de ene situatie, maar slecht in de andere. Het was met andere woorden allemaal maar subjectief en relatief, en Protagoras stelde dat "de mens de maat is van alle dingen.", Lexicon van de ethiek, p. 6.
Het was Socrates die sterk reageerde op dit moreel relativisme. Als een van de eerste filosofen richtte hij zich op de mens zelf en de ethische aspecten van het leven. Kennis over de mens werd door Socrates als hoogste kennis gezien, hoger dan kennis over de wereld wat als secundair werd gezien. Zelfkennis werd centraal gesteld als voorwaarde voor een goed en gelukkig leven. Volgens Socrates zou iemand die over de juiste kennis beschikt ook meteen het juiste doen. Dit staat bekend onder de naam socratisch intellectualisme. & , Socratic Moral Psychology, Cambridge University Press, p. 1. bezocht op 18-04-2012. Slechte handelingen komen dus enkel en alleen voort uit onwetendheid. Niemand is bewust kwaadaardig. Daarnaast verbond hij de notie van kennis met deugd en deugd op haar beurt was gelijk aan geluk. Iemand die de juiste kennis bezat, zou meteen het goede doen en dan ook een gelukkig leven leiden. Ook Plato's filosofie moet begrepen worden vanuit een ethisch gezichtspunt. Door de zoektocht naar werkelijke kennis over ethische zaken kwam hij uit bij de kennistheorie en de wijsgerige antropologie, en via zijn ideeënleer ook bij de kosmologie en natuurfilosofie.
De filosoof Aristoteles (384 v.Chr. – 322 v.Chr.), een leerling van Plato, zette in zijn Ethica Nicomachea als eerste een systematische deugdenleer uiteen. Verder vatte hij de ethiek, de mens en de hele kosmos teleologisch op: alles streeft uiteindelijk naar zijn doel. Het doel van de mens is deugdzaam en gelukkig leven, en dat is dan ook het natuurlijke pad dat de mens moet bewandelen. Ook had Aristoteles kritiek op het eerder genoemde socratisch intellectualisme. Aristoteles wees erop dat er zoiets bestaat als Akrasia of wilszwakte: men kan iets slechts doen, wetende dat het fout is. Men kan bijvoorbeeld, wetende dat men moet opstaan om naar een afspraak te gaan, toch bewust blijven liggen en verder slapen. Overigens stond de ethiek niet centraal in het denken van Aristoteles, maar paste als deeldiscipline binnen een bredere filosofie. Verdere stromingen Ethiek stond opnieuw centraal bij de Stoa en het epicurisme. Bij de Stoïcijnen, zoals de filosoof Epictetus (50 - 130 na Chr.), was het ethisch ideaal er een van onverstoorbaarheid en in zekere mate zelfs onverschilligheid tegenover de gebeurtenissen in de wereld. Dit stond bekend onder het begrip ἀπάθεια of apatheia, namelijk de algehele afwezigheid van affecten. De wereld was immers een geheel, geleid door een intellectuele, rationele Logos waaraan men als individu niet veel kon veranderen. Men moest dan ook niet protesteren tegen de dingen waarmee men werd geconfronteerd, of hopen dat de zaken anders gelopen waren.
Binnen het epicurisme werden gelijksoortige ideeën verdedigd, hoewel deze minder vergaand waren. Het ideaal was hier een leven zonder al te veel ongenoegens. Plezier of genot, mits men dit juist verstaat, valt voor Epicurus (341 v.Chr. - 270 v.Chr.) samen met de deugd zelf., "Ancient Ethical Theory", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2009, bezocht op 19-04-2012. Dit wilde voor Epicurus niet zeggen dat men zoveel mogelijk genot moet nastreven maar wel dat men selectief moet omgaan met bepaalde verlangens, en moet berekenen welke behoeftes het best zullen bijdragen aan geluk. Pijn kan bijvoorbeeld nuttig zijn en uiteindelijk leiden tot iets goeds. Andersom kan ook (kortstondig) genot uiteindelijk iets slechts opleveren, zoals bij een drugsverslaving.
Een verdere stroming bij de Oude Grieken was het hedonisme, dat evenals Epicurus het genot centraal plaatst, maar stelt dat men daadwerkelijk naar zo groot mogelijk genot moet streven. De voornaamste ethische regel was dan ook het maximaliseren van genot en het minimaliseren van pijn. Dit was bijvoorbeeld zo in de Cyreense School van Aristippos van Cyrene (435 v.Chr - 355 v.Chr.). Verder was er ook nog het pyrronisme, zoals bij Aenesidemus, dat sceptisch stond tegenover ethische regels omdat deze niet adequaat bewezen konden worden.
thumb|Augustinus van Hippo.
Middeleeuwen Aan het begin van de middeleeuwen kwam er door de opkomst van het christendom een nieuw element in het denken rond ethiek, namelijk de christelijke ethiek. Dit wilde echter niet zeggen dat de Griekse traditie volledig vergeten werd. Zo waren de kardinale deugden - verstandigheid, dapperheid, zelfbeheersing, samen vormend de rechtvaardigheid - al terug te vinden in het werk van Plato, en verder uitgewerkt door Aristoteles, en ook besproken door Cicero (106 v.Chr. – 43 v.Chr.). De term "kardinale deugden" werd echter pas gebruikt door Ambrosius van Milaan (339 - 397). Men vindt ze ook terug bij Thomas van Aquino (1225 – 1274). Later werden deze uitgebreid tot uiteindelijk de zeven deugden.
Bij een vroege christelijke denker als Augustinus van Hippo (354 – 430) stonden typisch christelijke begrippen als verlossing, erfzonde en het probleem van het kwaad centraal. Net als Aristoteles was hij aangelopen tegen het probleem van de wilszwakte, maar hij plaatste dit binnen een christelijk kader: hoe kan een mens (bewust) zondigen? Belangrijk is dat hij zich hierbij vooral richtte op de intentie van de dader, en niet zozeer op de gevolgen. Iets slechts willen doen is al genoeg om het als zonde te bestempelen, ook al doet de persoon in kwestie het niet. Zondigen is zich van God afkeren, want God is volgens Augustinus het zuivere goede. Bij Augustinus begint een traditie die het hele christelijke denken zou gaan domineren: de kracht van ethische regels komt voort uit God. De mens moet het goede doen omdat het met Gods wil overeenstemt., "The Ethics of St. Augustine", International Journal of Ethics, Vol. 13, No. 2, 1903, p. 223. bezocht op 19-04-2012.
Verder van belang is nog Petrus Abaelardus (1079 – 1142), die in zijn werk een "ethiek van de intentie" uiteenzet. Volgens Abaelardus moet men een daad niet beoordelen op basis van de gevolgen, de verlangens van de dader of de daad zelf. De dader heeft immers noch de gevolgen noch het verloop van de daad zelf in de hand, en hij kan ze daarnaast uitvoeren uit onwetendheid. Ook op basis van verlangens, bijvoorbeeld lust, kan men iemand niet veroordelen omdat deze verlangens zelf geschapen zijn door God en daarom dus niet slecht kunnen zijn. Het draait echter om de bewuste instemming met de daad door de dader zelf en dus de intentie die de dader heeft bij zijn daad. Een belangrijke opmerking hierbij, die Abaelardus zelf al maakte, is dat menselijke rechters nooit direct de intentie van een dader kunnen waarnemen. Mensen beoordelen daden op basis van de gevolgen, en rechtbanken veroordelen ook vaak ter afschrikking van toekomstige daders. Het menselijke recht is dan ook per definitie onvolmaakt en het echte, juiste ethische oordeel kan alleen gemaakt worden door het alziend oog van God. Mensen zullen dan ook op gepaste wijze worden beoordeeld na de dood., A History of Medieval Philosophy, University of Notre Dame Press, Notre Dame, 2007, p. 84-85.